EEN DUBBELE
ROOFMOORD IN ALMKERK
Het is 10
november 1825 rond twaalf uur als twee mannen het schavot op de marktplaats
voor het stadhuis in 's-Hertogenbosch beklimmen om daar te worden opgehangen.
De 47 jarige wever Petrus Jacobus Rutten en de 23 jarige vlaswerker Leendert
van Drunen. Rutten moet terechtstaan omdat hij zich voor de tweede keer aan
andermans eigendommen heeft vergrepen, een feit waarop in die tijd bij
herhaling nog de doodstraf staat en Van Drunen moet sterven voor de dubbele moord
die hij in het begin van het jaar pleegde, ook met het oogmerk om er financieel
voordeel uit te halen. Zoals in andere landen de terechtstellingen plaats
vinden bij het ochtendkrieken of bij het ondergaan van de zon, staat ook het
midden van de dag als symbool voor de dood. Nog dezelfde dag bericht de
gerechtsgriffier het bevolkings-register van de stad schriftelijk dat beiden
rond het middaguur zijn overleden, zodat de ambtenaar van de burgerlijke stand
aldaar hen als tijdelijke inwoners van de gemeente uit kan schrijven. Beiden
hebben ettelijke maanden vertoefd achter de tralies van het tuchthuis, voordat
de rechter van het Hof van Assisen de straf van
den-koorde-tot-de-dood-erop-volgt heeft uitgesproken. Voor beide veroordeelden
geldt tevens dat hun gratieverzoek door de kroon is afgewezen.
Dit artikel houdt
zich alleen bezig met de moordzaak in Almkerk, met de dader Leendert van Drunen
en de slachtoffers Laurens Pruijsen en diens dochter Jenneke. Van de dubbele
moord is nog mondjesmaat geschreven materiaal te vinden, het nieuws in die tijd
verbreidt zich immers nog in hoofdzaak mondeling, langs de herbergen, de
ontmoetingsplaatsen als markten en winkels; kranten zijn er nog spaarzaam en
worden alleen door de welgestelden en geletterden gelezen. In 's-Hertogenbosch
is er het Provinciaal Dagblad dat uit enkele pagina's bestaat waar de redactie
al het lokale, regionale, nationale en internationale nieuws in samenperst. De
dubbele moord beslaat slechts een bericht van een halve kolom. Over de dader,
zijn mogelijke motieven, de veroordeling en de executie is in deze Brabantse
nieuwsbron later niets meer te vinden. Een voordeel is wel dat de verslagen van
de krant van destijds tot in detail de misdrijven beschrijven. Soms brengen
rondreizende liedzangers opzienbarende moorden als markt- of straatliederen ten
gehore bij gelegenheden waar grote groepen mensen samenkomen. Tot ver in de
negentiende eeuw vervullen zij de functie van krant, later krijgen de liederen
meer de waarde van commentaar op het nieuws met als achterliggend doel generaal
preventief te werken.
het gebeuren
Aan de overkant
van Gorinchem ligt geklemd tussen de Biesbos, de Boven Merwede, de Afgedankte
en de Bergse Maas het Land van Altena, sinds 1815 onderdeel van de provincie
Noord Brabant, maar door zijn ligging en type bevolking met een streng
protestantse inslag eerder een stukje Holland waar Calvijn zich thuis zou
voelen dan een streek waar de pastoor voorop loopt bij de processie. Vissers,
griendwerkers, bietenbouwers en boeren maakten hier de dienst uit. De Bijbel en
Gods woord sturen het leven, de gemeenteleden wegen de predikant op zijn
rechtzinnigheid en zijn uitspraken. Logisch dat de Afscheiding in de
negentiende eeuw in dit land een belangrijke aanhang krijgt.
Maar waar God zo
uitdrukkelijk manifest schijnt te zijn, is de duivel ook aanwezig, getuige het
feit dat laat op de zondagavond van 30 januari of in de kleine uurtjes van de
maandag de reeds bejaarde vlasboer Laurens Pruijsen en diens inwonende 21
jarige ongehuwde dochter Jenneke op een beestachtige manier om het leven worden
gebracht. 's Morgens om half zeven treffen de zwingelaars (vlaswerkers) Adriaan
Teulen en Jan Janszoon Pruijsen de lijken van vader en dochter aan de voorkant
van het huis aan. De schout van Almkerk Michiel Duijser schrijft in zijn proces
verbaal dat hij naar de gouverneur van Noord Brabant stuurt, dat zij "op
eene allerverschrikkelijkste wijzen door verscheidene steeken en snijdingen
waren vermoord" Een bijgevoegd attest van de te hulp geroepen arts
J.L.Raupp beschrijft uitvoerig het aantal en de plek van de messteken en
snijwonden. Die liegen er niet om: bij de 72 jarige Laurens waren dat vier
steken in het hoofd en de hals, waarbij de luchtpijp werd doorgesneden, en acht
of negen in de borst en de buik, waarbij een gedeelte van de dunne darm naar
buiten kwam. Dochter Jenneke was met twee sneden onthoofd en had voorts nog
messteken in de borst en minstens zes in de buurt van de schaamstreek en in
haar dijbenen.
Het Provinciaal
Dagblad zegt daarover " dat wij ons geen denkbeeld kunnen maken van de
verregaande boosheid en wraakgierigheid diens moordenaars, te meer, daar men
overigens niet kan ontdekken, dat er iets van belang is medegenomen en wijders
niet kunnen beseffen wat aanleiding tot deze afschuwelijke misdaad mag gegeven
hebben, nogtans vleijen wij ons dat wij, door Goddelijke hulp, eerlang in staat
zullen worden gesteld, den moordenaar te leeren kennen.”
Met de oudste
zoon Joost gaan de geschrokken vlaswerkers de woning binnen, waar zij ontdekken
dat het kastje in de voorkamer open staat, er kledingstukken op de grond
liggen, maar dat er ogenschijnlijk geen geld of goederen ontbreken. Later
blijkt dat er wel het een en ander is verdwenen en gaat het misdrijf door als
roofmoord. Toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat er ook andere
motieven aan deze misdaad ten grondslag liggen. Vooral het toegetakelde lijk
van de dochter wijst er volgens mij op dat er ook seksuele componenten in het
spel geweest zijn: een afgewezen minnaar misschien? Een tweede verklaring voor
het maniakale geweld zou kunnen zijn dat we de dader tot de ernstig geestelijk
gestoorden moeten rekenen, een grond waarop vooral deskundigen de laatste
vijftig jaar serieus letten voordat een verdachte voor de rechter verschijnt.
Van de dader(s)
geen spoor, althans voorlopig. Later blijken de brigadier van de marechaussees
S.van Inge en dorpsschout Duijser een spoor van een mogelijke dader gevonden te
hebben: een pijpedopje. Misschien tijdens de razernij van het geweld afgebroken
en later door anderen herkend als eigendom van de moordenaar. Vinger- afdrukken
en sporenonderzoek zijn dan nog ver te zoeken. De sociale controle in de kleine
gemeenschappen is vaak voldoende om de misdadigers op te sporen. Vreemde
gezichten, andere bestedingspatronen, loslippigheid na overmatig
alcoholgebruik: de grenzen om de mens van de negentiende eeuw zijn strak
getrokken, herkenbaar en vrij transparant.
Onderzoek in het
huis door schout en brigadier brengt het volgende aan het licht. Enkele
kledingstukken zijn uit een openstaand kastje genomen en over de grond gegooid,
waar tussen een bebloede sleutel ligt die op de deur van een zijkamertje past.
Ook op de deurpost is een bloedvlek, maar niemand schijnt in het kamertje te
zijn geweest, althans zijn er geen goederen ontvreemd. Uit informatie blijkt
dat de 22 jarige Wouter Nederveen op die zondag bij de Pruijssens op bezoek is
geweest. Hij verklaart dat hij inderdaad tussen drie en zeven bij Jenneke, met
wie hij sinds enkele maanden verkering had, heeft vertoefd. Toen hij vertrok
had hij niemand op het erf gezien, maar op weg naar zijn ouderlijk huis in
Dussen wel enkele bekenden ontmoet.
de slachtoffers
Op 18 januari
1754 wordt Laurens Pruijsen in Dussen katholiek gedoopt als legitieme zoon van
Justus en Johanna Verhoeven. Het doopregister van Almkerk noteert 25 jaar later
op 19 november 1779 zijn naam als verwekker van een zoon Laurens bij Arjaantje
de Klerk, met wie hij echter weigert in het huwelijk te treden. Pas vijf jaar
later trouwt hij met Belia Corstman, uit welk huwelijk negen kinderen worden
geboren: zeven zoons en twee dochters. Op één kind na vermeldt het Nederlands
gereformeerde doopboek alleen de vader als doopgetuige, hetgeen erop kan wijzen
dat het gezin verstoken is van sociale contacten. Alleen in 1795 is zijn moeder
Jenneke Verhoeven de doopgetuige van een kind. Belia Corstman moet jong
overleden zijn, want op 11 augustus 1804 doopt de predikant dochter Jenneke van
wie de moeder Aaltje Hakkers is. Laurens is dan al vijftig jaar en zijn oudste
zoon Joost uit het eerste huwelijk had met zijn achttien jaren bijna de vader
kunnen zijn van dit kind. De zoons Jan en Hendrik vormen met hun dertien en zes
jaar ook al een behoorlijke barrière voor een sterke gezinsband. De andere
kinderen uit het eerste huwelijk zijn in de loop van de jaren jong overleden.
Ten tijde van de
moord zijn de zoons Joost en Hendrik al getrouwd. Joost sinds 1820 met Maria
Vink, het gezin verblijdend met een dochtertje Belia; later komen er nog twee
kinderen bij. Hij is degene die het overlijden van zijn vader en stiefzuster op
het raadhuis in Almkerk komt aangeven. Hendrik is al eerder het huis uit, hij
trouwt als twintigjarige in 1818 met Anna van Breugel, die dan al in
verwachting is van het dochtertje Belia dat vijf maanden later ter wereld komt.
Na haar volgen nog Neeltje en Lourens. Opa Laurens heeft dus vier kleinkinderen
als hij het tijdelijke met het eeuwige verwisselt en tante Jenneke drie
nichtjes en een neefje.
Jan, de middelste
zoon, die ten tijde van de moord nog inwonend vrijgezel is, trouwt pas in
november 1825, negen dagen nadat de moordenaar van zijn vader is
terechtgesteld. Hij helpt zijn vader bij het zaken doen. Tijdens de beruchte
avond en nacht is hij voor zaken in Rotterdam, een stad waar je in één dag
moeilijk naar heen en terug kan reizen. Eerst moet je van Almkerk naar
Sleeuwijk en daar met de veerboot verder. Zijn afwezigheid is er mede debet aan
dat de dader de roofoverval aan durft.
Uit de memories
van successie en de boedelverdeling die de Werkendamse notaris Jan Willem van
der Elst ten behoeve van de belastingdienst opmaakt, blijkt dat we Laurens als
redelijk welgesteld kunnen beschouwen. Eigenaar van verschillende percelen
grond, van een huis waarin hij met twee kinderen woonde en de vlasboer
beschikte op de dag van overlijden over een bedrag van ruim zestien honderd
gulden aan kasgeld, terwijl hij nog aan vorderingen bijna dertien honderd
gulden had uitstaan. Of de dader op de hoogte was van het grote aanwezige
bedrag, valt moeilijk te achterhalen, maar het vermoeden gaat wel in die
richting. Hoe hij dan over die kennis beschikte is een ander raadsel, misschien
getipt, werkte de dader voor de vlasboer of hoorde hij het van deze of gene.
De moord op vader
en ongehuwde dochter maakt het voor de boedelverdeling en de belasting
moeilijk. Het probleem wie van beiden het eerst dood ging, bepaalt namelijk
over welk bedrag er successierechten betaald moet worden. Erfenissen van ouders
op kinderen en omgekeerd zijn belastingvrij, maar broers en zusters moeten van
hun erfenis vier procent betalen. Jenneke had uit het tweede huwelijk van haar
vader recht op het erfdeel van haar overleden moeder. Uit de boedelverdeling en
de memorie van successie blijkt dat Jenneke eerder overlijdt dan haar vader.
Daardoor gaat van haar vermogen van 472 gulden een kwart naar de vader en drie
kwart naar de stiefbroers. Vaders erfdeel van 118 gulden is vrij van
successierechten en na zijn dood ook als deze weer na de dood van vader
terechtkomt bij de drie broers. Als Laurens als eerste zou zijn overleden dan
zou het kapitaal van Jenneke met een vierde deel van haar vaders nalatenschap
(in totaal ruim zeventien honderd gulden) onderworpen zijn geweest aan
successierechten.
Naast het
contante geld van zestien honderd en de vorderingen van dertien honderd gulden,
de huisraad, wat sieraden en kleding van beide overledenen is het onroerend
goed 2270 gulden waard. Weliswaar rust er op de grond en de huizen nog
hypothecaire schulden van negentien honderd guldens, maar het netto erfdeel
voor elk van de broers is dan nog ruim duizend gulden. Het ouderlijk huis dat
Laurens in 1782, twee jaar voor zijn eerste huwelijk, met erf en boomgaard in
de Blomsteeg aan de Uppelsche Dijk kocht, gaat naar zoon Jan, de overige
percelen worden evenredig over de drie broers verdeeld.
de dader
Dan verschijnt op
26 februari het bericht van de schout aan de gouverneur dat zeven dagen ervoor
Leendert van Drunen en Hendrik Pruijsen (de jongste zoon) zijn gearresteerd op
verdenking van het wrede misdrijf. " Ik heb de eer Uwe Excellentie bij
deze kennis te geven dat op de 19e dezer maand alhier op presumtie zijn
gearresteerd de persone van Leendert van Drunen en Hendrik Pruijsen beide
inwoners dezer gemeente en naar 's Bosch zijn overgebragt als schuldig te zijn
aan den alhier in de avond of nacht tusschen den 30e en 31e January ll
gepleegde dubbele moord, hetwelk reeds de eerstgemelde L.van Drunen vóór zijn
vertrek van hier aan mij belede heeft" Leendert verklaart dat hij met
Hendrik samen de moorden heeft gepleegd.
Leendert is het
vierde kind van Lucas en Neeltje Langeweg, die op 16 december 1797 op
twintigjarige leeftijd in het Brabantse Willemstad in het huwelijk treden. Drie
maanden later wordt de oudste zoon Gerrit geboren, terwijl Leendert op 11 juli
1803 in Almkerk het levenslicht aanschouwt. Na hem komen er nog twee broers en
een zuster ter wereld. Vader Lucas overlijdt als de kinderen nog jong zijn en
moeder Neeltje hertrouwt op 16 november 1816 met Arie Pruijssen, welk huwelijk
door het overlijden van Arie een kort leven beschoren is.
Het verslag van
de Procureur Crimineel geeft ons nadere informatie over de arrestatie. Er
blijkt op de plaats des onheils een pijpedopje gevonden te zijn dat afkomstig
is van Leendert van Drunen op grond waarvan hij als verdachte wordt verhoord.
Zijn eerste verklaring is dat Hendrik Pruijssen en hij op 28 januari het plan
gesmeed hebben, wetende dat Jan Pruijsen twee dagen later, op de beruchte
zondag afwezig is. Op de betreffende avond gaat ieder van hen afzonderlijk naar
het huis. Zogenaamd om een pijp aan te steken waren zij de woning ingegaan. Op
dat zelfde moment verliet Jenneke het huis om naar het buiten gelegen secreet
te gaan, waarop beide mannen haar volgden en haar met messteken uitschakelden.
Op haar hulpgeroep holde de vader met een mes in zijn hand naar buiten, wat hem
duur kwam te staan. Hendrik, die volgens Leendert al twee jaar eerder gezegd
zou hebben dat hij zijn vader van kant wilde maken, zou hem in de buik hebben
gestoken en nadat hij vooroverviel zijn keel hebben doorgesneden. Jenneke die
kennelijk toen nog enige levenstekenen vertoonde, had hij dezelfde behandeling
gegeven. Leendert had volgens zijn eerste verklaring uit de zak van de oude man
de sleutel van de geldkist gepakt en vijf vijf stuiverstukken, waarvan hij er
drie aan Hendrik overhandigde. Met de sleutel wilden zij de kamerdeur openen,
maar uit angst om betrapt te worden hadden zij zich tevreden gesteld met wat
zilveren en gouden voorwerpen, die Hendrik op een geheime plek begroef. Hendrik
echter ontkent in alle toonaarden iets met de zaak van doen te hebben, daarbij
gesteund door verklaringen van zijn vrouw.
Pas op 1 april,
zes weken na de arrestatie, verklaart Leendert van Drunen dat hij de dubbele
moord alleen heeft gepleegd en dat hij de gestolen goederen op een aangeduide
plek heeft begraven, hetgeen bij nader onderzoek het geval blijkt te zijn. De
procureur vraagt Hendrik met spoed uit diens voorarrest te ontslaan.
Ieder kan
begrijpen dat de arrestatie en de bekentenis van haar zoon Neeltje Langeweg erg
aangrijpt, terwijl ook de schande voor haar onverdraaglijk is. Neeltje komt
aldus tot een wanhoopsdaad: zij verhangt zich aan de zolderbalk in de loop van
de ochtend van de vierde mei als haar jongste zoon naar zijn werk is. Als
Cornelis om twaalf uur voor zijn middagmaal thuis komt, vindt hij de voordeur
op slot, door de achterdeur binnengekomen mist hij zijn moeder, maar de ladder
naar de zolder geeft aan dat zij zich daar moet ophouden. Zijn natuurlijke
reactie moeder uit haar benarde positie te bevrijden door het touw los te
snijden is vergeefs, in paniek rent hij naar zijn buren. Enige tijd later komt
Dirk van Burgel met een verward verhaal naar de schout dat zijn buurvrouw de
weduwe Neeltje Langeweg subitelijk is overleden. Als de schout poolshoogte gaat
nemen, treft hij het lijk met de resten van het koord op de zolder aan. Dokter
Joseph Louis Raaup bevestigt de dood door ophanging. En zo heeft Leendert
ongewild nog een derde slachtoffer op zijn naam staan.
Op 25 juni 1825
valt ook het doek voor Leendert van Drunen. Het Bossche Hof van Assisen
veroordeelt hem tot de strop. Tijdens het proces tracht zijn verdediger
J.F.Mauritz van der Heijden de zaak uit te stellen met de bedoeling het bewijs
te vinden dat zijn cliënt ten tijde van het begaan van het delict
ontoerekeningsvatbaar was. Hij verwijst daarbij naar een opzienbarend vertaald
handboek van de Duitse forensisch psychiater Albert Moll, waarin een aantal
voorbeelden van plotselinge razernij van daders is opgenomen. Aan het verzoek
van de advocaat beslist het Hof afwijzend, omdat de magistraten menen dat uit
geen der stukken blijkt dat Leendert aan enige vorm van geestelijke stoornis
zou hebben geleden. Opnieuw tracht de advocaat, nu via het middel van een
gratieverzoek, op 11 juli de straf omgezet te krijgen in een gevangenisstraf,
maar ook dit maal mislukt deze laatste poging.
De Procureur
Crimineel stuurt op 6 augustus het rekest terug naar de kroon waarin hij
nogmaals aanvoert dat Leendert willens en wetens de moorden heeft gepleegd.
" ...uitgemaakt
dat hij jaar en dag bevorens wetende dat Pruissen de vader veel geld in huis
had, verleid is geworden om zulks ...mede magtig te worden, dat het toeleg
daarop sterker is geworden hij zich in de heimelijke staat denkt te begeven,
ten effect dat Pruissen de zoon op de 30e January van huis zijnde de suppliant
die gelegenheid gunstig heeft gevonden, om dit zijn toeleg te bewerkstelligen
en in de late avond van dien dag Pruisen de vader en zijne dochter Johanna in
koelen bloede op de onmenschelijkste wijze afgemaakt..........,terwijl om
zijnen wil onafhankelijke omstandigheden hebben voorgekomen dat hij in zijn
toeleg op het contant geld niet geslaagd is wanneer hij op de aller listigste
wijze zelfs het vermoeden van zijn schuld aan die dubbele moord en opgevolgde
diefstal heeft getracht van zich af te leiden"
De procureur
rekent hem tevens zwaar aan dat hij de zoon Hendrik Pruijssen als medeplichtige
bij de dubbele moord heeft willen betrekken, wat de openbaar aanklager een
derde poging tot moord noemt. De rapte maniaco ontbreekt dus in zijn plaatje.
Op het
betreffende gratieverzoek staat "gewezen van de hand. 's Gravenhage den
27 Oktober 1825" Het ernst van het feit overschaduwt alles wat de
pleitbezorger eventueel als strafuitsluitingsgrond had kunnen vinden. De leden
van de rechterlijke macht schijnen nog weinig bereid te zijn zich in de persoon
van de dader te verdiepen, is de mening van Sibo van Ruller.
het einde
Het drama heeft
mij om twee redenen bezig gehouden. In de eerste plaats twijfel ik of Leendert
van Drunen in zijn eentje beide gruwelijke moorden heeft gepleegd. Het grote
aantal steken en sneden bij beide slachtoffers lijken mij voor één persoon
bijna onuitvoerbaar. Hebben de verhoren tussen 19 februari en 1 april hem zo
murw gemaakt dat hij alle schuld voor zijn rekening nam? Om welke reden had hij
de jongste zoon van de vlasboer erbij willen betrekken? Of heeft hij hem in
later instantie willen ontzien omdat hij getrouwd was en kinderen had?
De tweede reden
heeft te maken met de afdoening van de zaak. Als hij toch de enige dader
geweest was, dan is het bijna zeker dat hij op een maniakale manier, als
slachter te keer is gegaan, wat een onderzoek naar zijn geestvermogens op zijn minst gerechtvaardigd zou hebben.
Andere gevallen weerspreken de mening dat de magistraten weinig oog voor de
persoon van de dader hadden. Ik denk onder andere aan Cornelis Broeders die
wegens krankzinnigheid geen straf opgelegd kreeg voor de doodslag die hij met
drie jonge vriendjes pleegde in Loon op Zand in hetzelfde jaar. Of de
zeventienjarige schaapherder Antonie van Drunen uit Helvoirt (geen familie!)
die wegens brandstichting een jaar later ter dood werd veroordeeld. Hij kreeg
een omzetting van de straf in twintig jaar wegens het feit dat hij zwakbegaafd
was en aan wanen leed.
Maar Leenderts
wandaad is kennelijk te erg voor woorden, voor hem gelden geen verzachtende
omstandigheden. We kijken over de schouder van de griffier van de rechtbank mee
als hij het volgende met de ganzeveer aan het papier toevertrouwt. " Op
heden den tienden November 1800 vijf en twintig des middags ten twaalf uren,
heb ik ondergetekende Griffier der Regtbank van Eersten Aanleg zitting houdende
te 's Bosch, mij bevindende in een der zalen van het Stadhuis alhier, gezien
dat
1° Petrus Jacobus Rutten, gecondemneerd bij Arrest van het
Hof van Assises in de Provincie Noord Braband van den 21e Juny 1825,
tot de Straffe des doods, en
2° Leendert van Drunen, gecondemneerd bij Arrest als voren
van den 25 Juny 1825, tot de Straffe des doods zijn gebragt geworden op een
schavot, staande op de publieke markt alhier, en aldaar met een strop om den
hals aan een galg zijn opgehangen en gestraft dat er de dood is nagevolgd.
Waarvan dit Proces Verbaal door mij
op dato als boven is opgemaakt.
W.Ummels
gr"
Uit de volgende
tekst blijkt dat de beide gehangenen nog dezelfde dag netjes ter aarde zijn
besteld, want de periode dat de lijken nog bij wijze van afschrikking buiten de
stad ten prooi aan de kraaien in de wind hangen is voorbij. " Idem
(betaald) aan den Heer P.J.van Zuijlen commissaris van politie de somme van
zestien gulden voor verschotten voor en het vervoeren naar de begraafplaats van
de lijken der geëxecuteerden P.J.Rutten en L.van Drunen op 10 November 1825
volgens declaraties en gekwit.ordonn.No 189 sub No 80....¦ 16,-"
Bronnen:
Rijksarchief
Noord Brabant : Provinciaal Archief uit 1825; Gerechtelijke Archieven en
Gevangenisarchieven; Doop-, trouw- en begraafboeken van Almkerk, Willemstad en
Dussen en de Burgerlijke Stand van Almkerk alsmede de memories van successie
van Heusden over 1825.
Streekarchief
Land van Heusden en Altena: Gemeente-archief van Almkerk tussen 1815 en 1825;
Notarieel archief Werkendam 1825
Stadsarchief 's-Hertogenbosch:
stadsrekeningen over 1825 en Burgerlijke Stand
Litteratuur:
Herman Franke:
Van schavot naar krantekolom. Over de ontwikkeling van misdaadverslaggeving in
het Algemeen Handelsblad vanaf 1828 tot 1900. Amsterdam, 1981
Peter Nisse:
"Waar kon men ooit een wreder daad aanschouwen...Noordbrabantse
moordliederen uit de negentiende en twintigste eeuw." in Brabants Heem, 48
(1996), 1, p 1-11
Sibo van Ruller:
Genade voor recht. Gratieverlening aan ter dood veroordeelden in Nederland,
1806-1870. Amsterdam, 1990
Noten: