Vogelpagina
|
Ga naar: |
De site van Vogelbescherming
Nederland
:
Veel informatie vind je via de vogelaar pagina
Dwerggors
Begin februari ben ik een dagje wezen wezen vogelen met Rient Niks. We kiezen altijd een bestemming uit naar gelang interessante meldingen en het weer zich aandienen. Dit keer kozen we voor de Zuid-Hollandse kust. Bij Katwijk was opnieuw de dwerggors (Emberiza pusilla) gesignaleerd. Een dwaalgast die inmiddels zo regelmatig 'verdwaald' dat hij niet meer beoordeeld wordt.
Het is natuurlijk altijd afwachten of het beestje zich laat zien juist op het moment dat jij bedacht hebt te gaan kijken. We melden ons op een onooglijk terreintje, deels braak liggend, deels weiland. Eerdere waarnemers hadden het vogeltje zien zitten in de inmiddels beruchte vlierstruik en aan het tallud. In de gids had ik inmiddels gelezen dat de gors vaak op de grond fourageert.
Na het terrein afgestruind te hebben keerden we terug naar het talud. Tot da toe hadden we nog geen enkele kleine vogel als vink of mees gesignleerd. Tot er opeens een groepje van 10 vinkachtigen aan komt vliegen. Boven het tallud maakt zich een vogel uit de formatie los en dwarrelt naar beneden: het was de gors waar we naar zochten. Hij had ons gevonden! Hij liet zich enkele minuten goed bekijken van een afstand van een meter of vijf. Niet schuw, wel oplettend. Het is een prachtig beestje met een mooie kastanjebruine wang en de witte, korte baard daaronder. (de foto is gemaakt door Rients Niks).

Steppekievit
17-3-2007 in de Bennekomse Hooivelden (inderdaad vlakbij Rhenen; in het gebied dat we hier het Binnenveld noemen) een zeldzame dwaalgast: een steppekievit (Vanellus gregarius). Prachtig beest, slanker in de cluht en hoger op de poten dan de ons bekende kievit. Op deze foto (van Erik de Waard) zit het beest rustig maar toen ik hem zag werd hij constant opgejaagd door zijn verre familieleden.

Buffelkopeend
30-12-2006: In Barendrecht bevindt zich een Buffelkopeend (Bucephala albeola). Of hij door de commissie erkend wordt, is nog niet zeker...

Groene reiger in Amsterdam
De soortenlijst van in Nederland waargenomen vogels kan worden uitgebreid met een nieuwe soort (indien goed gekeurd natuurlijk). Sinds 28 april zit er in Amsterdam (De Nieuwe Meer, het Jaagpad) een groene reiger (Butorides Virescens). Het is een kleinere reigersoort die voorkomt in de V.S. en is nooit eerder in Nederland gesignaleerd. Wel waren er incindetele waarnemingen in Groot Brittanie.
Op 9 mei 2006 ben ik wezen kijken. Het beest laat zich goed bekijken en is erg actief met vissen vangen. Zie het filmpje dat ik maakte.
Bekijk mijn waarnemingen

Uit het leven van Franciscus
Nadat hij met zijn
vrienden nog geen tien stappen verder was gelopen, zag Franciscus ook tussen
het weinige gras onder de bomen kraaien en duiven ijverig zoeken naar eten.
En terwijl zijn vrienden bleven staan, liep Franciscus naar de vogels toe.
Vol verbazing zagen de vrienden dat alle vogels bleven zitten terwijl
Franciscus er gewoon tussendoor liep. Franciscus was zelf ook verbaasd...
Zelfs als de zoom van zijn kleed de vogels raakte, vlogen ze niet weg. En
ineens wist Franciscus: 'Ze houden van me, omdat ze weten dat ik van hén
houd. Zij en ik zijn uit Gods hand!' En zo was het ook. Franciscus was geen
mens om bang voor te zijn. Franciscus was een mens die wist dat hij alleen
maar een kind was van God, dat in Gods scheping mocht wonen en wandelen en
leven. Franciscus was geen mens die iets wilde hébben. Hij was een mens met
eerbied voor alles wat bestaat. Franciscus hield van de vogels omdat ze net
als hijzelf deel waren van de schepping.
En toen Franciscus dat begreep, werd hij blij. Hij voelde zich gelukkig,
omdat God de vogels liet weten dat ze niet bang moesten zijn. En dat
betekende, dat God hem had gezien, dat God de vogels en Franciscus in één
hand hield. Vol vreugde vroeg hij de vogels naar hem te luisteren omdat hij
ze van God wou vertellen. En alle vogels werden stil. Ze vergaten dat ze
naar eten zochten, en hielden op te kwetteren en met hun pootjes in de grond
te krabben. Ze werden stil. Ze verstonden niet wat Franciscus zei, want
vogels kunnen niet praten en de taal van de mensen niet verstaan. Maar ze
voelden waar Franciscus het over had en dat hij van de vogels hield en dat
God van Franciscus hield en Franciscus van God en alles wat Hij had gemaakt.
Ook de vogels...
'Mijn zusters, vogels,' zei Franciscus, 'jullie moeten wel erg veel van
jullie Schepper houden, want Hij heeft jullie veren gegeven om jullie warm
te houden en vleugels om te vliegen! Jullie hoeven niet te werken zoals de
mensen Jullie hoeven niet te zaaien om te oogsten. Overal in de schepping
vinden jullie iets te eten en in de bladeren van Gods bomen zitten jullie te
fluiten. Hoog in zijn hoge lucht kunnen jullie vliegen en zingen, zoals de
leeuweriken doen. En in de takken van Gods bomen kunnen jullie nesten bouwen
en slapen en bescherming vinden.' Zolang Franciscus sprak bleven de vogels
stil. 'Vlieg maar weg,' zei Franciscus toen en maakte een kruisteken. En
alle vogels vlogen weg. Maar Franciscus bleef staan en dacht na. 'Alles
hoort bij elkaar,' dacht Franciscus. 'Alles wat God geschapen heeft, hoort
bij elkaar.' En van die dag af hield Franciscus nog meer van onze aarde.
Als onderdeel van mijn hobby verzamel ik gedichten over vogels.

Leven
Wat doen jullie daar op de aarde? Wij leven,
wij rijden op fietsen de straten door.
Wij kijken de vogels die langs komen zweven
zuchtende na. Zij roepen ons, hoor!
Wij luisteren naar ze, een en al oor.
Wij zitten aan tafel, wij praten en eten,
wij schrijven de dromen van ’s nachts in de dag.
Wij zouden zo graag van de hemel wat weten,
de hoge hemel, maar iets als het mag.
Wij leggen de voeten straks bij elkaar,
dan worden wij aarde en langzaam vergeten,
dan vliegen de vogels op uit ons haar.
J.W. Schulte Northolt

Kerktorens in Waterland
Bidden is een
trede lager
kruipen als het bloed
zegt dat het niet gaat
Bidden is de andere wang
aanbieden als een mond die
de rechter heeft geraakt
Bidden is duizend schreden
er bij doen als de wind
meeslepend wordt en uit de hoogte
Bidden is op hoge poten
als reigers met opgetrokken veren
tussen de waterlanders
zeggen dat het gaat.
Tom Naastepad
Uit: Het zevende jaar.

De leeuwerik
De stilte was volmaakt, want
werd verstoord
door het getwieter van een leeuwerik,
die zich zowat onttrok aan onze blik,
maar des te beter door ons werd gehoord.
Wat gaat er om in zo’n klein propje bloed
met veren, spieren en een stemgeluid,
dat het zijn vreugde zo uitbundig uit
en van zichzelf zo hoog de lucht in moet?
Ik voel me bij zo’n vogel vergeleken
een zak cement, een volgestouwd dressoir,
dat zich het liefst onthoudt van commentaar
als de natuur zich op de mens komt wreken.
Want wij gaan wel per luchtvaartmaatschappij
de horizon tienduizend mijl voorbij,
maar vliegen zoals je geboren bent
is iets dat je alleen als vogel kent.
Nico Scheepmaker
Uit: De gedichten
Trekvogels
De vogels gaan ons naar de verten voor.
Hun vluhcten leren mensen dat het leven
een zoektocht is naar wat zichzefl wil geven
als huis en haard en grond, de eeuwen door.
Als vogels trekken wij hier door de tijd.
Wij gaan en komen, overschrijden grenzen
Slaan vleugels uit, bezield door hoge wensen,
Verlangend naar een glimp van duurzaamheid.
Net als de mus zoekt naar geborgenhied,
Zo zoeken wij naar schuilplaatsen voor leven
Naar murne die ons schutten en omgeven:
Een stem, een woord van onvergankelijkheid.
U ben t die stem, dat woord, dat on sgeleidt,
De open hemel, waar de ruimten wenken.
U bent in ons, méér dan wij kunenn denken.
Trekvogels zijn wij - maar aan U gewijd.
Alfred C. Bronswijk
(Dit lied kan gezongen worden op de melodie van gezang 173, Liedboek voor de kerken.
Voor een dogmaticus
God heeft niet enkel grauwe mussen
zich rondend om het dagelijks brood:
Er fluit en vliegt nog zoveel tussen
de morgenschemering, 't avondrood
God heeft niet enkel rechte tuinen,
een heg - omzoomd, begrensd gebied:
God heeft woestijnen, steppen, duinen,
en overal Zijn vogellied!
Elisabeth Cheixaou (uit haar dichtbundel “Het maanschip”)

Waar onverwachts het pad zich buigt
Geruischloos knielde ik op den grond
Goudbruin, waarlangs in ademing,
En toen ik fel en feller zocht
Ida Gerhardt (1905-1997)

Een mus is niets, een bolletje van veren.
Een vlegel om op kruimels te trakteren
Hij heeft zijn toekomst roekeloos vergooid
Aan 't schieten van de mus wijd ik geen woord.
Patty Scholten (1946)
Guilaume van der Graft:
AFSCHEID VAN DE VOGELS.
Wie werkelijk gelooft is als een vogel.
De paradijsboom die de wereld is
staat voor de naderende duisternis,
de vogels zingen godlof-in-den-hoge.
Zij zijn er zeker van dat morgenvroeg
de zon weer schijnen zal, de zon weer schijnen,
alles weer met de wereld in het reine;
een dag, een handvol leven is genoeg.
De vogels leven zonder aarzeling.
Kon ik mij zo volkomen overgeven
aan wat mijn roeping is, toekomst of niet.
Want ik geloof toch in de God van ‘t leven
Die sterfelijk over de aarde ging?
Maar ik ben altijd kleiner dan mijn lied.
Aart van der Leeuw
Vogels
Zij gunnen mij gaarne 't geheim hunner tale,
De roodborst zijn snoeren van bloedkoralen,
De merel heur zang als betinkte bokalen,
En vinken hun klink-slag op eedle metalen.
De duif doet de zoetheid van 't troostende kirren
Zacht druipen om voorhoofd en lippen als mirre,
De nachtegaal roert door haar smachten tot tranen,
En hel schalt de wekgroep der vlammende hanen.
Ik heb slechts die tonen in ritmen te schikken,
Dit blinkende kwarts tot briljanten te bikken;
Maar ach, hij is stémloos die mij moet vertolken,
De sperwer, de sterke, die vonk in de wolken.
Uit de bundel: Herscheppingen
Kees Stip

Aalscholvers denken allemaal:
"Kun je nog scholven, scholf dan aal."
Doch door de golven diep bedolven
wil weinig aal zich laten scholven
Zo scholft zo'n beest zich uit de naad
terwijl het woord niet eens bestaat
Simon Knepper
Klein vogeltje zwierezwaait hoog in de lucht
Men hoort er zijn fluitertje schallen
Een vleugeltje links en een vleugeltje rechts
Om niet op zijn bekje te vallen.
Ivo de Wijs

De fuut
(Waarom zou vader fuut zijn jongen dragen?
Kijk, zoiets moet je aan de kenners vragen!)
De eerste kenner wijst op het gevaar
Van onverhoeds omhoogkomende snoeken
Beducht voor die moordlustige bezoeken
Zegt hij, beschermt de fuut zijn kinderschaar
De tweede kenner schudt het hoofd - en zucht
Het hemelruim zit juist vol kinderrovers!
De ouders fuut fungeren als klaar-overs
Uit doodsangst voor een aanval uit de lucht
De derde kenner houdt een resoluut
College over warmtecirculatie
De vierde heeft een Freud-interpretatie
Maar niemand vraagt het aan de kleine fuut
Toch zou die kleine fuut een heel secuur
En hoogst verstandig antwoord kunnen geven
Wie weet er voor een kind een mooier leven
Dan op zijn vaders rug door de natuur!
Uit Vroege Vogels Vlinders
Nico Scheepmaker
Roodborstje
Soms tikt een gedicht op het raam
Ik sta op en laat hem erin
Een enkele keer heeft dat geen zin
Ik voed hem en geef hem een naam
Maar soms denk ik: ach laat maar staan
Al regent het nog zo hard
Vandaag ben ik boe en geen bard
Hij mag naar een ander toe gaan.
Dat doet hij dan ook na een tijd
Hij vliegt mijn gezichtsveld uit
En meteen daarop heb ik spijt:
Geen lente en geen nieuw geluid
Zo ging al zo dikwijls de Mei
van Gorter mijn neus voorbij.
Uit "De gedichten"
Annie M. G. Schmidt

Dag zwanen
En dan de zwanen nog, wat zeg je van de zwanen
't is niet bepaald een Topic of the Day
Maar ach ik loop een beetje langs de lanen
En zie er twee
Achthonderd dichters hebben al gezegd
Dat ze zo roerloos op de waterspiegel drijven
En dat ze statig zijn, jazeker, en terecht.
Ik hoef dat dus niet nog eens op te schrijven
Maar wat mij altijd opvalt in zo'n zwaan
Hij heeft het allemaal allang bekeken
Noch Billy Graham noch McCarthy gaat hem aan
Hij wil er dan ook met geen woorden over spreken.
Hij twijfelt niet wat hij moet doen in z'n gezin
Hij weet het allemaal vanzelf, daar in dat water
En hij zegt nooit tot zijn hooghartige vriendin:
Het ligt aan jou, je moet eens naar de psychiater.
Dat is dus zeer benijdenswaardig, en we moeten
Meer over zwanen praten en vooral een keer
naar het plantsoen gaan en ze heel eerbiedig groeten.
Dag zwanen. Kom daar gaan we dan maar weer.
Uit "Tot hier toe"
Theo van Baaren
Zwanen
Ik heb de zwanen vaak benijd.
Niet om hun dobberen op de vijver,
maar om de onvermoeide ijver
waarmee men ze gedichten wijdt
Uit "Hoe-korter-hoe liever"
Henk van Zijp
Ik wou dat ik een vogel was
Ik wou dat ik een vogel was,
en heel goed vliegen kon.
Een stukkie op me ruggetje
heerlijk in de zon.
Heel hoog daar in de hemel,
daar waar de wolken zijn.
Dan met een rotgang naar benee,
dat lijkt me echte gijn.
Ik scheer dan met mijn buikie,
bijna langs de grond.
En vlieg dan nog een beetje,
daarzo in het rond.
Ik schiet dan als een vuurpijl,
met een bloedgang weer omhoog.
Het zou een vaartje wezen,
wat er zeker niet omloog.
Ik zou dit zeker doen,
zeker keer op keer.
En als ik dan ging slapen,
had ik me daggie weer.
Uit "De eerste eieren komen weer"
Guido Gezelle
Gierzwaluwen
"Zie, zie, zie,
zie! zie! zie!
zie!! zie!! zie!!
zie!!!"
tieren de
zwaluwen,
twee-driemaal
drie,
zwierende en
gierende:
"Niemand, die...
die
bieden de
stiet ons zal!
Wie, wie? Wie??
Wie???"
Piepende en
kriepende
zwak en ge-
zwind;
haaiende en
draaiende,
rap als de
wind;
wiegende en
vliegende,
vlug op de
vlerk,
spoeien en
roeien ze
ringsom de
kerk.
Lege nu
zweven ze, en
geven ze
bucht;
hoge nu
hemelt hun'
vlerke, in de
lucht;
amper nog
hore ik . . . en,
die 'k niet en
zie,
lijvelijk
zingen ze:
"Wie??? Wie??? Wie?
wie . . . "
Uit "Guido Gezelle's Dichtwerken"
Mei
In Mei
Legt ieder vogeltje zijn ei,
Behalve de kwartel en de griet,
Die leggen in de meimaand niet.
Guido Gezelle
Mei
Met den eersten van de Mei
Hebben de vogels een nest of een ei.
Pauw
Weest geen pauw in uw gewaad,
Geen papegaai in uwen praat,
Geen ooievaar, wanneer gij eet,
Geen gans, als gij daar henen treedt.
Vlaamse rijmspreuk
Henk Merts

Nijlganzen
Twee Nijlganzen met bruine vlekken rond de ogen,
omdat hun tranen maar niet wilden drogen.
Men vroeg hen waarom zij zo weenden
Ach zeiden zij, volgens Jonsson zijn wij eenden.
Niet verwant met smienten of met slobberbekken,
ook niet met "brandjes" met die mooie lange nekken.
Nee oom Bergeend staat ons meer te na
en onze tante blijkt een rasechte "Casaraca".
Hans Dorrestijn
Eendjes voeren
De laatste tijd had mams een manie
van maar naar het park te gaan.
Elke middag trok mijn mammie
mij m'n warmste kleertjes aan.
Want, zei mammie, in de winter
geven wij de eendjes brood.
Anders gaan die lieve eendjes
allemaal van honger dood.
Onderweg liep zij steeds vlugger,
ik hield haar maar met moeite bij.
Ik kwam in het park buiten adem,
maar mama was opgelucht en blij.
Ze gaf mij het plastic zakje,
waar het eendebrood in zat.
En dan liep ik naar het wak toe,
terwijl mammie op het bankje zat.
Terwijl ik de eendjes brood moest voeren,
praatte zij met een meneer.
Die meneer was blijkbaar grappig
en hij was er telkens weer,
net als de zwaan en bij het voeren
stond dat beest altijd vooraan.
Vaak begon hij kwaad te blazen,
ook al had ik niks gedaan.
Eénmaal heeft de zwaan gebeten,
m'n handje deed toen wel erg zeer.
Ik hoorde mams juist schaterlachen
om die grappige meneer.
Toen moest ik nog veel harder huilen,
rnammie had geen oog voor mij.
Terwijl ik naar het bankje holde,
maakte mams haar handen vrij.
Die meneer heet nou Oom Stefan
en we wonen in zijn huis.
Soms voel ik me heel verdrietig,
maar we blijven 's middags thuis.
Zondagsmiddags komt m'n pappie
die wil met mij naar het park toegaan.
En dan durf ik niet te zeggen,
dat ik bang ben voor de zwaan.
Hans Warren
De ooievaar
Nu geen kind meer in de ooievaar gelooft
zijn ze verdwenen de fabeldieren.
Als ze nog eens verschijnen
slapen ze op t.v.-antennes
en eten ze een blikje uit de hand.
Een ooievaar heeft altijd iets onwerkelijks gehad,
hij is te netjes,
te heraldisch afgetekend.
Zie je ze in Marokko
weer bij tientallen, dan leef je inderdaad
in een sprookje.
Uit "Verzamelde gedichten 1941 - 1981"
Vlaams: Het liedje van de vinkenier
Wat is het, dat het meest bekoort
wat is het dat hij 't liefste hoort
't is het liedje van een vinke
Wat is er mooier dan het lied
het helder zuivere Sus-ke-wiet
uit 't bekske van een vinke.
René de Clerq (1877-1932)
Een vinkske
Een vinkske! Een vinkske! Daar zit het, zwijg.
Een levend dingske, op een dooden twijg
Het borstje bibbert, het keelke zwelt.
Het bekske slibbert, van 't klankgeweld
't zijn versjes, zeere onvaatbaar kort,
in eenen keer, der-uit gestort
Tzit-tzit-tzit-dap-dapper, de wingihee!
tzit-tzit-tzit-rap-rapper, de hele ree!
Tzit-tzit-tzit, een ander! Nog één, nog één.
Tzit-tzit-tzit, wie kan-der, de voeten scheên?!
Tzit-tzit-tzit, 't gesnebber wordt dom en dol,
tzit . . . halt! Ik heb er mijn ooren vol.
Riny Assink
een vogelaar
een vogelaar, zit altijd daar
waar vogels zijn en leven
de lenzen in z'n kijker klaar
te zien wat zij hem geven
de rust, emotie, pracht en praal
het wijdse van de lucht
een borstje rood, een merel vaal
de stad daarom ontvlucht
een vogelaar, zit altijd daar
zijn vlucht te doen ervaren
het turen blijft, hij is nooit klaar
een droom te doen bewaren
Uit "de Kentering"
E-Mail:
Martin Snaterse
Copyright © 2 maart 2000 - Martin Snaterse
Alle rechten voorbehouden
Webmaster: Martin Snaterse - m.snaterse@hccnet.nl
Klik op de banner en steun de akker- en weidevogels.