Geschiedenis

|
|
De hooglanders in de Lage Landen blijft een boeiend thema in de geschiedenis van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, ook gezien vanuit het Britse historische perspectief.
Door de eeuwen heen begaven zich Schotse Hooglanders naar een bestaan buiten Schotland.
Een groot, ongeteld aantal kwam naar Nederland.
Zij verlieten een noordelijk klimaat, onvruchtbare gronden en veelal een nijpend gebrek aan levensonderhoud en zochten een bestaan waar de rivieren en de zee, de levende natuur en de Laaglanders samen een overvloedige, cultuurrijke rijkdom wisten te scheppen.
Een vrij klein gedeelte van deze Hooglanders waren gezien hun naam afstammelingen van de clan waar Freskin (freskyn, Fresekin) de stamvader was.
Deze man leefde in de 12e eeuw.
Vermoed wordt dat hij afstamde uit een Fries of Vlaams geslacht, het geen verklaard mag worden uit het feit dat na de onderwerping van de inheemse bewoners door Willem de Veroveraar (Hasting, 1066) volgelingen van deze Franse Scandinaviër zich vestigen als feodale leenheren, zelfs tot in Schotland.
Hij bouwde in Moray de burcht Duffus en zijn nageslacht bouwde een aantal versterkingen in Cainthness en Sutherland.
Hiervan werd Skelbo het eerst genoemd (12e eeuw) en tot slotte Dunrobin en Forse (15e eeuw).
Het gebied was lang een deel van het door Vikingers onderworpen land ( sinds ca. AD 800).

Skelbo Castle
Deze versterkingen dienden de koning van Schotland als ondersteuning in de reeds in 1066 begonnen verovering van de Britse eilanden.
De graven van Sutherland uit het geslacht Freskin waren stamvaders van een aantal families, die tezamen in clanverband een zekere macht bezaten als leenheren temidden van de inheemse bevolking, waarvan de Picten en later de uit Ierland afkomstige Scoten en tenslotte de Vikingers (Noren) een deel uitmaakten.
De naam van deze clan werd ontleend aan het onderworpen gebied van de Vikingers "Sudreland", dat wil zeggen het zuidelijke deel van "Cataibh" (canthness), Southernland.
Beweerd wordt dat in de naam Caithness (Catti-ness) een verband ligt met de Germaanse katten die in de Romeinse tijd naar Schotland waren overgestoken.
Merkwaardig is ook het verhaal, dat de wilde kat in het wapen van de graven van Sutherland niet ontleend is aan deze Germaanse stam, maar wel aan het feit dat ooit een stamhoofd en voorvader van deze graven door een aantal wilde katten werd overvallen.
Merkwaardig is ook, dat dit voorval plaatsvond bij Skelbo en tijdens de landing van deze krijgsman en zijn volgelingen uit zee: en dat de inheemse (wilde) katten het onderspit dolven.
Wat heel duidelijk blijkt uit deze gegevens is, dat de clan Sutherland en ook de overige bevolking in Schotland afstamt van een aantal verschillende volksstammen.
Het is ook niet duidelijk of de Picten die al voor de Romeinen werden genoemd tot het Keltische volk behoorden, of dat zij een afzonderlijk volk waren dat zich met de Keltische Ieren of Scoten heeft vermengd.
Wel wordt aangenomen dat de Kelten het meest omvangrijke deel van de Hooglanders vertegenwoordigen.
Hoewel het grootste deel van Schotland door bergen en heuvelland wordt gekenmerkt zijn er ook uitgestrekte laaglanden, niet alleen in het zuiden maar ook in het noorden.
Ook bestaat een groot deel van Schotland uit eilanden.
Het verschil tussen hoogland en laagland is vooral gekenmerkt door de vruchtbaarheid van de grond. De hooglanden leenden zich slechts voor de jacht en de veeteelt.
De laaglanden waren geschikt voor akkerbouw. |
|
Het is merkwaardig dat Freskin en zijn afstammelingen zich eerst vestigden in de zeer vruchtbare laagvlakte van Moray, terwijl de graven van Sutherland zich vestigden in of aan de zoom van de zeer onherbergzame hooglanden van Sutherland, waar slechts sporadisch akkerbouw mogelijk was.
De Sutherlands of Duffus en Skelbo wisten zich op rijkere grond in Moray en op de rijkere vlakte langs de zee bij Dornoch in Sutherland.
De graven die sinds ca. 1400 en mogelijk al eerder op Dunrobin verbleven, bevonden zich daar veel minder gezegend met landbouwgrond.
Hier was slechts een smalle strook grond "machair", een kalkrijke zandgrond van beperkte oppervlakte en ongeschikt voor graan.
Het ligt dan ook voor de hand dat Dunrobin vooral een strategische betekenis had, terwijl Duffus en Skelbo zowel agrarisch als strategisch gelegen waren.
De Sutherlands of Forse vestigden zich verder naar het noorden in Caithness en in het overgangsgebied van hoogland en laagland.
Ook had deze familie landerijen in Sutherland, die echter agrarisch van weinig betekenis waren.
Talrijke takken van deze drie grootgrondbezittende families wisten zich te handhaven op een groot aantal "homesteads".
Veelal als pachters en als "drovers"(veedrijvers). Kudden werden uit de hooglanden naar het zuiden gedreven, een tocht die weken , zelfs maanden tijd vergden.
Het grondgebruik was gekoppeld aan het feodale stelsel.
De graven stonden aan het hoofd van dit stelsel en waren zelf leenheren van de Kroon.
Dit was wat in Nederland als een "zwaardleen" bekend was.
Het land werd beleend in ruil voor krijgsdienst.
De pachters fungeerden als boeren, jagers, vissers en als gewapende macht ten dienste van de Kroon en vaak in het eigen belang van de "chiefs" en de "chieftains" van de clan.
Het ligt voor de hand, dat er heel wat gevochten werd over landerijen, reële en vermeende rechten.
Er werd gevochten tussen Schotten onderling en tussen Schotten en Engelsen.
Vetes werden moeizaam bijgelegd, waarbij een huwelijk soms de enige kans was op vrede tussen de op wraak beluste partijen.
Jagen en vechten waren bij uitstek belangrijke bezigheden in het bestaan van de clans.
Dit was ook duidelijk het geval in de lange geschiedenis van Clan Sutherland.
Al in de 17e eeuw werd op initiatief van de clan Mackay een heel regiment uit het clangebied naar Noorwegen gezonden.
Het regiment Strathnaver werd naar Vlaanderen gezonden (17e-18e eeuw).
De hooglanders maakten van de nood een deugd. "Mercenaries" stonden toen in beter aanzien dan nu.
Er werd door de Schotten verdiend aan de veelvuldige oorlogen in Europa, hoewel heel wat mensen hun verdiensten met de dood bekochten.
Schotten vochten voor de Republiek der Verenigde Nederlanden, vermoedelijk omdat de nijvere Nederlanders zich letterlijk heel verdienstelijk maakten met hoogproductief grondgebruik, handel, zeevaart en visserij.
De Nederlanders hadden geen tijd om oorlog te voeren en was veel meer gediend bij vrede.
Het werven van huurtroepen uit Schotland voor de Nederlandse landverdediging was veel voordeliger dan geen kaas meer maken en zelf de vijand te lijf te gaan!
Dit verklaart dat naarmate de bevolkingsdruk op het grondverbruik in Schotland begon toe te nemen en de vraag naar levensmiddelen groter werd dan het aanbod, ook het aanbod van huurtroepen uit Schotland in Nederland vermoedelijk steeds ruimer werd.
Hier staat echter wel naast dat het aanbod van huurtroepen in Nederland werd afgeremd ten gevolge van de toenemende vraag naar koloniale Britse troepen in het zich ontwikkelde "British Empire", her enorme gebied waar de zon nooit onderging en toen een groot deel van de wereld door Engeland geregeerd werd.
Hooglanders kwamen al in het begin van de Tachtigjarige oorlog naar de Lage landen.
De naam Sutherland verschijnt in die tijd al in Noord- en Zuid-Nederland.
De Schotse regimenten (Scots Brigade) waren in Nederlandse krijgsdienst van 1752 tot 1783.
(J. Ferguson)
Natuurlijk waren er Schotten in de Lage Landen die hier met vreedzame bedoelingen kwamen.
Toch is het vermoedelijk een feit, dat de meeste Schotten min of meer uit noodzaak gedreven als huurlingen de Schotse Hooglanden verwisselden voor de Lage Landen om hier een beter bestaan te vinden.
Naar boven |