Op dinsdagavond 1 maart 2005 was er in het Wijkcentrum Jeruzalemkerk te Zwolle eerst de jaarvergadering met o.a. het probleem van niet opgevulde vacatures. Daarna hield de heer J. van de Wetering een lezing naar aanleiding van zijn boek
Hoe schrijf ik geschiedenis, handleiding voor het schrijven van een familie- of streekgeschiedenis. De aanleiding voor het schrijven van dit boek en het vorige (
Vergeten levens) was dat er van veel mensenlevens niet meer over is dan een of een paar kaarten in de bakken van het voormalige gemeente-archief.
Als je aan een mensenleven recht wilt doen, dan zijn er vier niveaus van informatie:
- hoofdonderwerp
- primaire bronnen
- secundaire bronnen
- achtergrondinformatie
Belangrijk zijn bijvoorbeeld de
belastingregisters: de tariefgroep geeft de sociale klasse aan. Als iemand er niet in te vinden is, dan is hij onder een bepaalde grens en is wellicht in de kerkboeken (armenzorg) te vinden. In de archieven van de armenzorg zijn vaste 'klanten' en personen die regelmatig een maand oversloegen (die zaten dus 'op de wip').
Ook belangrijk zijn de
veestaten; er was een verzekering voor vee. Het aantal koeien bepaalt de status: 3 tot 10 koeien betekende een kleine tot modale boer. Van belang is ook hoe dit aantal verandert.
Het is met het verleden net zo als met het gevonden lijk in een krantenstukje over de dood van
Gekke Hendrikje: het lichaam verkeerde in een
vergaande staat van ontbinding. Een andere vergelijking met het verleden is een legpuzzel die overhoop is gegooid en waarvan minstens de helft verdwenen is. Je kunt dus nooit het hele beeld terugkrijgen.
Een geschiedschrijver lijkt ook op een archeoloog die brokstukken van een vaas vindt: je kunt er voor kiezen om stukjes bij te schilderen en de vaas zo goed mogelijk te reconstrueren. Zo ook met geschiedschrijven: je probeert verdwenen informatie aan te vullen met wat plausibel is.
Nu volgen twee voorbeelden van "integrale geschiedschrijving": de reconstructie van iemand of een gebeurtenis in samenhang met de gehele samenleving.
Burgemeester Van Leer van Wilsum
Uit o.a. verslagen van raadsvergaderingen, kerkboeken, correspondentie, enz. zijn veel gegevens te halen.
Peter Hendrik van Leer kwam met 18 jaar, vóór de Franse tijd naar Wilsum. Er waren toen vier schepenen die om de beurt burgemeester waren. Op school was de catechismus belangrijker dan lezen en schrijven.
Door de komst van de Fransen veranderde er veel. Van Leer kende Frans en behoorde daardoor meteen al tot de notabelen. Hij werd burgemeester, bijgestaan door een soort wethouders en een gekozen gemeenteraad. Hij was behalve burgemeester ook onderwijzer, koster en hij inde belasting: een soort ambtenaar van alle zaken. Hij was een modern man die meeging in nieuwe ideeën.
Hij moest regelmatig rapporteren over de toestand van de gemeente: dit leverde een schat aan informatie op. Hij beschreef bijvoorbeeld uitvoerig de kleding: eerst was er traditionele klederdracht, deze verdween later, het eerst bij de mannen die zich in de grote stad minderwaardig voelden.
Van Leer maakte een ontwikkeling door, keek als een antropoloog naar en vereenzelvigde zich met de bevolking.
Later kwam er armoede, er waren o.a. berichten over aardappelvelden die door muizen vernield werden.
Ook in het onderwijs veranderde er veel door de Fransen: er kwamen vier klassen met examens. Beschreven werd bijvoorbeeld de invoering van het metrieke stelsel. Vol trots schreef hij over zijn zoon die ook onderwijs gaf, maar die zoon maakte ook ruzie o.a. door drank en maakte de predikant uit voor 'buiskolen' (een scheldwoord voor iemand met een groot rond hoofd). Die predikant zat veel in de kroeg, had een verhouding met zijn dienstmeid en moest later weg.
De functies onderwijzer en koster hoorden toen bij elkaar. Van Leer was ook nog voorzanger in de kerk. Maar toen hij zijn been brak en toen tijdelijk geen voorzanger kon zijn, schreef hij: "ik geef niet om dat werk". Dit stond gelijk met
vloeken in de kerk en werd uit die functie ontheven.
Grote brand in Grafhorst
Oude kranten zijn een belangrijke bron van informatie, ook hoe een ramp werd ervaren door de bevolking. Belangrijk was de
Kamper Courant; deze had weinig abonnees maar lag wel in koffiehuizen en werd daardoor toch veel gelezen.
In het jaar 1849 waren er eerst berichten over o.a. schaatswedstrijden op de IJssel en over drie vissers uit Durgerdam die twee weken op een ijsschots in de Zuiderzee ronddreven voor ze in Vollenhove gered werden.
Voorafgaand aan de brand was er al een bericht over brandgevaar door de vele hooibergen. De brand vond plaats op 5 mei. In de krant begon een bericht over een dergelijke grote ramp altijd met 'Landgenoten'. Het was zaterdag, de vrouwen waren aan het schuren en wassen voor de zondag, de arbeiders waren op het veld. Veel mannen waren naar Kampen.
De brand ontstond waarschijnlijk in een hooiberg; door felle oostenwind waren de daken uitgedroogd. Blusmiddelen moesten uit Kampen komen. Binnen drie uur werd bijna iedereen van de ca. 300 inwoners dakloos. In de krant werd het op een emotionele manier beschreven: de mannen die van Kampen terug renden in angst voor vrouw en kinderen, de radeloosheid van de mensen die hun bezit na zuinig sparen verloren zagen gaan en nog zoveel mogelijk probeerden te redden. Er kwam één persoon om het leven. Opmerkelijk is dat de krant eerst schreef over hoeveel vee er omgekomen was en pas daarna over het overlijden van een bedelaar, maar toen was dat
niet opmerkelijk.
Een verschil met het heden is, dat in die tijd de schuldvraag en wie het moest betalen, ontbraken. Men accepteerde het als een soort lot en overal kwam hulp vandaan.
Later dat jaar stonden er in de krant nog meer rampen: een boot met ramptoeristen sloeg om en de cholera kwam.