1949:
Begin regering Adenauer.
18 april 1951:
Oprichting EGKS.
1955:
- Hallstein-doctrine
- EEG
- BRD lid van de NAVO
13 augustus 1961
Bouw Berlijnse Muur.
1962:
Spiegel affaire.
1963:
- Regering Erhard
- Elyseé verdrag
- Pasjes akkoord
1966:
Regering Kiesinger.
1969:
Regering Brandt,
Neue Ostpolitik
1970:
- Baader-Meinhoff
groep/RAF opgericht.
- Oder-Neisse linie
erkend.
1973:
- Oliecrisis
- Regering Schmidt
- Guillaume affaire
1982:
Regering Kohl
1988:
Europese Economische markt
9 november 1989:
Val Berlijnse Muur
Keynesiaans interventionisme (ingrijpen door de overheid in de economie) (1966-1982)
Rond 1965 kwam er een eind aan het Wirtschaftswunder. De gemiddelde groei, begin jaren zestig nog 5 %, zakte naar 2,8 %. De werkloosheid liep op tot bijna een half miljoen (2,1% van de beroepsbevolking). Geleidelijk aan begon de Duitse economie weer in de pas te lopen met de andere Westerse economieën. Vele regeringen in Europa vertrouwden op Keynesiaans beleid: wanneer het niet goed gaat in het land juist meer gaan besteden als overheid, om zo de economie te stimuleren.
De Duitse regering wilde echter geen
actievere rol innemen en toen in 1965 het begrotingstekort opliep werd
er zelfs bezuinigd. Het gevolg was dat de recessie zich nog meer
verscherpte. Daardoor verspeelde Erhard zijn vertrouwen bij de Duitse
bevolking. Dat maakte de weg vrij voor een nationale grote coalitie,
waarin de CDU/CSU en de SPD de regering vormden. Kiesinger werd de
bondskanselier en Karl Schiller minister van Economische Zaken. Schiller
was voorstander van een Keynesiaans georiënteerd beleid. Daarnaast
introduceerde hij de Konzertierte Aktion, waarbij overheid,
werkgevers en werknemers, en de Bundesbank probeerden tot een
gezamenlijk gedragen economische politiek te komen. Hoewel dit streven
weinig succesvol was, bloeide de economie toch weer sterk op.
Na de verkiezingen van 1969 slaagde de SPD erin om zonder de CDU/CSU een
regering te vormen. De economische politiek van deze regering onder
leiding van SPD-bondskanselier Willy Brandt kenmerkte zich doordat deze
zij wel in staat waren overheidsmatig in te grijpen in de economie, dus
door meer te besteden volgens het Keynesiaans model. Daartoe behoorden
in zijn ogen ook investeringen in de infrastructuur,
communicatiemiddelen, het onderwijs en de gezondheidszorg. De
economische groei was in die jaren bovengemiddeld. Tegelijk namen de
slechte voortekenen wel weer toe. De inflatie liep steeds meer op,
aangewakkerd door een loongolf die in 1969 doorbrak.