1949:
Begin regering Adenauer.
18 april 1951:
Oprichting EGKS.
1955:
- Hallstein-doctrine
- EEG
- BRD lid van de NAVO
13 augustus 1961
Bouw Berlijnse Muur.
1962:
Spiegel affaire.
1963:
- Regering Erhard
- Elyseé verdrag
- Pasjes akkoord
1966:
Regering Kiesinger.
1969:
Regering Brandt,
Neue Ostpolitik
1970:
- Baader-Meinhoff
groep/RAF opgericht.
- Oder-Neisse linie
erkend.
1973:
- Oliecrisis
- Regering Schmidt
- Guillaume affaire
1982:
Regering Kohl
1988:
Europese Economische markt
9 november 1989:
Val Berlijnse Muur
De Sociale Markteconomie.
Het voorgaande optimisme en komende economisch herstel is mede te verklaren aan het economische stelsel wat West-Duitsland vanaf 1948 voerde.
De Duitse economische ordening wordt aangeduid met het begrip sociale markteconomie (Soziale Marktwirtschaft). De oud-minister van Economische Zaken Ludwig Erhard. introduceerde in 1948 een nieuwe economische ordening: de sociale markteconomie. Het achterliggende idee is dat de markt pas dán zijn werk goed doet, als de overheid zorgt voor voldoende concurrentie en bovendien oog heeft voor rechtvaardige en sociale oplossingen. In de Duitse grondwet is vastgelegd dat de markt aan sociale grenzen is gebonden. Het belangrijkste punt van deze economie is dat de staat zich zo min mogelijk zal bemoeien met het stelsel van de markt (vraag en aanbod), echter zal zij er wel voor zorgen dat iedereen een redelijk bestaan kan opbouwen, wat dan weer staat voor het sociale aspect.
De Soziale Marktwirtschaft bevatte ondermeer de volgende punten aan wetgeving:

In de jaren vijftig steeg het bruto
binnenlands product (BBP) met gemiddeld 8 procent per jaar. De architect
van dit Wirtschaftswunder was de toenmalige minister van Economische
Zaken Ludwig Erhard. Hij liet de markt zo veel mogelijk haar werk doen,
maar hij bouwde ook een systeem van sociale voorzieningen op, de
zogenaamde sociale markteconomie. Andere factoren die bijdroegen aan het
succes waren de goede arbeidsmoraal en het grote aantal arbeidskrachten
dat door de stroom vluchtelingen uit het oosten beschikbaar was. Ook
werd er goed samengewerkt door de werkgevers en werknemers. Er werd
weinig gestaakt en de vakbonden stelden gematigde looneisen.
Vanaf dat 1948 maakte de Duitse economie dus een periode van ongekende
groei door, mede ondersteund door de Marshallhulp.
De hulp was goed voor in totaal 1,4 miljard dollar tussen 1948 en 1952.
De overheid diende alleen de randvoorwaarden voor de economie te
creëren.
Na 1950 kreeg de Duitse economie vanwege de Korea-crisis opnieuw een sterke stijging. Het Bruto Binnenlands Product (BBP) steeg van 1951 tot 1959 met gemiddeld 8% per jaar. De werkloosheid was aanvankelijk nog zeer hoog, maar nam snel af en bereikte rond 1960 zelfs extreem lage waarden (minder dan 1% van de beroepsbevolking).
In 1951 kwam de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal tot stand. Daarin kwamen Frankrijk, Italië, de Benelux-landen en West-Duitsland een gezamenlijk beleid voor de politiek gevoelige en economisch belangrijke kolen- en staalsector overeen. Tevens werd er gestreefd naar een verbreding van de economische samenwerking.
Met de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap in 1957 (ondertekening van het Verdrag van Rome) kreeg de integratie van West-Duitsland in Europa een belangrijke impuls.