De grondwet uit 1949 vertoonde enkele wezenlijke verschillen met de grondwet uit de tijd van de Republiek van Weimar. De nieuwe grondwet hield rekening met de zwakke constructie van de grondwet van de Weimar-republiek. Daarbij ging het voornamelijk om de 'weerbaarheid' van de democratie:
- De rijkspresident had tijdens de Weimar-periode veel macht. Hij kon de noodtoestand uitroepen en het parlement naar huis sturen. Bovendien mocht de president zelf wetten opstellen. In de nieuwe grondwet werd deze macht van de president ingeperkt om machtsmisbruik te voorkomen. Het werd een overwegend representatieve functie.
- Een ander verschil, samenhangend met het eerste, was de toegenomen macht van de bondskanselier, het gekozen hoofd, in de nieuwe grondwet. De bondskanselier bepaalde voortaan de hoofdlijnen van het regeringsbeleid.
- In de nieuwe grondwet was ook de zogenaamde 'constructieve motie van wantrouwen' vastgelegd. Deze motie hield in dat het Duitse parlement de zittende bondskanselier pas ten val kon brengen wanneer het met absolute meerderheid een nieuwe kanselier koos.
- De macht in Duitsland mocht voortaan niet meer bij een beperkte hoeveelheid personen of bij de Duitse nationale overheid liggen. De oplossing werd gevonden in een sterke federale structuur: de macht werd verdeeld tussen de centrale regering en de Duitse deelstaten (federalisme). In de Republiek van Weimar was ook sprake geweest van een federale structuur, maar in de nieuwe grondwet was deze structuur sterker en evenwichtiger verankerd. Zo hoopte men met de nieuwe grondwet een goede spreiding van de macht te bewerkstelligen.
In de Duitse
grondwet is de staatsopbouw van de Bondsrepubliek
vastgelegd. Duitsland is een bondsstaat, dat wil
zeggen dat de politieke macht verdeeld is tussen de
centrale regering in Bonn en de zestien Duitse
deelstaten. Aan de Duitse deelstaten wordt een grote
mate van autonomie (zelfbestuur) toegekend, waarbij
aangetekend moet worden dat het bondsrecht vóór het
deelstaatrecht gaat.
Niet in de grondwet, maar in een aparte kieswet werd
de kiesdrempel van vijf procent vastgelegd. In de
Republiek van Weimar hadden veel kleine partijen de
politiek bepaald. Om politieke versplintering tegen
te gaan werd de kiesdrempel van vijf procent
ingesteld. Een politieke partij moest voortaan over
minstens vijf procent van de uitgebrachte stemmen
beschikken om in de bondsdag te kunnen komen. Op
deze manier hoopte men een stabiele democratie te
krijgen.

