7
oktober 1949:
Ontstaan DDR met geldige grondwet.
1950:
Regering,
Walter Ulbricht.
1953:
Overlijden Stalin.
17 juni 1953:
Volksopstand.
1954:
Chroesjtsjov neemt leiding SU over.
1955:
Toetreden tot Warschaupact.
17 december
1956 - 1966:
Pasjes Akkoord.
Januari - augustus 1968:
Praagse lente.
1971:
Regering,
Erich Honecker
1973:
Economische crisis.
1989:
Einde DDR, na val Berlijnse muur in November.
Het communisme...
Het Marxisme wordt vaak gekoppeld aan het communisme. Het communisme is een woord afkomstig uit het Latijn. Het woord betekent gemeenschappelijk. Het communisme is een maatschappelijk en politiek stelsel waarbij de productiemiddelen gemeenschappelijk eigendom zijn. Dat houdt dus in dat alle productiemiddelen van ieder lid van “de bevolking” zijn. De staat heeft de leiding over deze productiemiddelen. Deze zullen worden benut via het principe van de planeconomie. Waar we later op terug zullen komen. Niet alleen de productiemiddelen zijn van iedereen, maar ook de producten zijn van iedereen. Iedereen kan hierover beschikken naar zijn behoefte. Dit is de algemene theorie van het communisme Het communisme is gebruikt door een aantal verschillende politieke stromingen. Zoals we hierboven al kunnen lezen is de theorie van het communisme ook gebruikt bij het marxisme.
Voordat er in de DDR echter sprake was van echt communisme was er eerst sprake van een communistische volksdemocratie. Dit houdt in dat er, in theorie, in de DDR een democratische regering was. Er was een tweede kamer en een regering. Ook waren er verschillende politieke partijen vertegenwoordigd. Deze partijen waren echter onderdeel van de SED of ze waren zo klein door invloed van de SED dat ze geen noemenswaardige betekenis hadden voor de politieke situatie in de DDR. In werkelijkheid was alle macht in handen van de SED. Kenmerken van de communistische democratie zijn:
Daarnaast komt er een totalitaire staat voor in de DDR en de SU.
|
Een totalitaire staat is een dictatoriaal geregeerde staat, die gebaseerd is op een gebureaucratiseerd staatsapparaat dat in alle maatschappelijke en persoonlijke aspecten van het leven binnendringt. Autonomie voor afzonderlijke maatschappelijke entiteiten als wetenschap, kunst of religie erkent de totalitaire staat niet, net zo min als de privé-sfeer van het individu. Het kenmerk van de totalitaire staat is dat deze alle aspecten van het staatsgezag monopoliseert. Een kleine groep van topfunctionarissen, gewoonlijk vertegenwoordigers van een autoritaire, regerende eenheidspartij houden het monopolie in handen. Aan het hoofd van de staat, staat een oligarchische leiderskring of een dictator met uitgebreide volmachten. Het gehele politieke, culturele, economische en sociale leven wordt door de staat door middel van gelijkschakeling gereglementeerd en zo controleerbaar gemaakt. Kritiek en legale oppositie worden op deze manier als staatsvijandig of staatsondermijnend uitgeschakeld. Het gehele systeem en zijn afzonderlijke organisaties worden onderworpen aan de partij-ideologie. Een staatsveiligheidsdienst of politieke politie heeft verstrekkende bevoegdheden, hoeft geen rekening te houden met erkende fatsoensnormen of de persoonlijke integriteit van het individu, en deinst niet terug voor terreurmaatregelen. In het geval van de DDR is dit de Stasi. |
Om de totalitaire staat in stand te houden is een autoritair systeem nodig. In een autoritair systeem wordt geprobeerd mensen te beïnvloeden in alles wat ze doen en denken. In een autoritair systeem is er geen ruimte voor een eigen mening en individuen. Er is een groep. Deze groep luistert naar de leider en volgt, zonder er over na te denken, de bevelen op. In deze maatschappij is er sprake van een wij en zij groep. Er is niets tussen deze groepen. Je hoort bij de ene groep of de andere. Het kan niet voorkomen dat je tussen de twee groepen in zit. Tevens denken mensen in een autoritair systeem zelf niet rationeel na, maar laten zich leiden door emoties. Daarnaast kennen mensen die in een autoritair systeem leven geen verantwoordelijkheidsgevoel. Xe deden immers wat hun werd opgedragen. Om ervoor te zorgen dat menen lid worden van de groep en meegaan in het autoritaire systeem wordt gebruikt gemaakt van de volgende methoden:
Gelijkschakeling. Dit is het afleren van denken en keuzes maken. Hierbij geef je mensen maar 1 oplossing, 1 soort informatie enz. Daardoor hoeven de mensen zelf niet meer na te denken. Ze gaan dan doen wat de leider zegt.
Sociale controle. Hierbij geef je mensen de indruk dat je ze constant in de gaten houdt. Dit heeft tot doel om ervoor te zorgen dat de mensen de gelijkschakeling in stand houden. Wanneer mensen het gevoel hebben dat ze constant in de gaten worden gehouden zullen ze doen wat er gevraagd wordt. Zo proberen ze te voorkomen dat ze gestraft worden.
Intimidatie. Dit is dreiging uitoefenen op mensen. Dit gebeurt bij mensen die ondanks de sociale controle toch nog hun eigen mening willen uiten. Hierdoor hoopt de leiding van het autoritaire systeem dat deze mensen toch nog tot de groep gaan horen.
Geweld. Dit wordt gebruikt bij mensen die na al deze dingen nog hun eigen mening willen uiten. Dit is dus het laatste middel om mensen lid te maken van de groep.
Bij het communisme hoort vaak een Planeconomie als economisch systeem. Een planeconomie is een vorm waarop de economische samenleving is ingedeeld. De planeconomie vind je vooral bij een communistische staatsvorm. Tevens wordt de planeconomie ook geassocieerd met het marxistische denken.
Bij een planeconomie worden alle besluiten die te maken hebben met de economie gemaakt door één centrale instelling. Over het algemeen is deze instelling de overheid. Deze instelling beslist onder andere wat, waar, hoe, door wie, in welke hoeveelheden en wanneer geproduceerd zal worden. Kort gezegd alles wat in een vrije markteconomie “vanzelf”gebeurt, moet is een planeconomie in een opdracht gezet worden. Dat vanzelf gebeurd in een vrije markt onder invloed van de wet van vraag en aanbod. Waarbij de verhouding tussen vraag en aanbod de economie voor een groot deel beïnvloed.
Deze opdrachten werden samengevat in een zogenaamd vijfjarenplan. In deze vijfjarenplannen wordt globaal de doeleinden uitgewerkt. In de plannen worden de structurele veranderingen uitgewerkt. Deze vijfjarenplannen werden verder uitgewerkt in zeer gedetailleerde jaarplannen. In deze jaarplannen staan alle activiteiten van economische eenheden beschreven en worden ze op elkaar afgestemd. Een jaarplan kwam tot stand door constant overleg tussen de hogere legionen en de lagere legionen. De lagere legionen worden gevormd door de mensen die het plan moesten gaan uitvoeren. Het maken van een plan nam erg veel tijd in beslag doordat er constant werd overlegd en wijzigingen werden voorgesteld.
Het uitvoeren van de plannen zorgde nog eens voor moeilijkheden. Dit kwam onder andere doordat de aanvoer van grondstoffen stagneerde of omdat de vraag naar de eindproducten niet goed was geschat. Problemen kunnen vaak niet goed en snel worden opgelost omdat overal eerst overleg over moest plaatsvinden. Kortom, het hele systeem van de totale centrale planning leidt tot een economie die erg inflexibel. Vaak is er dan al snel sprake van een schaduwplanning naast de officiële planning. De schaduwplanning is gebaseerd op de reële mogelijkheden die de afzonderlijke bedrijven hebben.
Nu deze begrippen duidelijk zijn kunnen we beginnen met de geschiedenis van de DDR. Voordat we echter beginnen met de chronologische geschiedenis zullen we eerst de staatsinrichting, de politieke partijen en de grondwet van de DDR uiteenzetten.