Decreet van het Vlaams Parlement van 19 juli 2002 houdende de privaatrechtelijke culturele archiefwerking
TITEL I - ALGEMENE BEPALINGEN
Art. 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Art. 2. In dit decreet wordt verstaan onder:
1° cultureel erfgoed: het beleidsveld binnen het beleidsdomein Cultuur, Jeugd,
Sport en Media dat alle materiële en immateriële betekenisdragers uit het
verleden omvat, die binnen een cultureel referentiekader gemeenschappelijke
betekenissen krijgen;
2° archiefwerking: een onderdeel van het beleidsveld cultureel erfgoed waarbij
een culturele werking wordt ontplooid op basis van documenten die passen in de
traditie van archivistiek, uitgebreid met de werking van de culturele
documentatiecentra en van de culturele bewaarbibliotheken;
3° archief- en documentatiecentra: de bewaarinstellingen, de
samenwerkingsverbanden van bewaarinstellingen, de culturele documentatiecentra
en andere onderzoeksplatformen met als hoofdfunctie archiefwerking;
4° privaatrechtelijke archiefwerking: de archiefwerking die niet gegrondvest kan
worden in decreten houdende de bestuurlijke werking van de diverse overheden;
5° project: een activiteit die zowel qua opzet of doelstelling als in de tijd
kan worden afgebakend, met als doel de culturele en archivistische ontsluiting
van een archief;
6° culturele ontsluiting: het voor een breed publiek zichtbaar maken, het
toegankelijk maken van de betekenissen van het culturele erfgoed voor de
gemeenschap en het voortdurend actualiseren van die betekenissen;
7° archivistische ontsluiting: de technische en wetenschappelijke ontsluiting
volgens de methodes, vastgelegd in de archivistiek;
8° administratie: de administratieve dienst, bevoegd voor het culturele erfgoed;
9° Archiefbank Vlaanderen: een geautomatiseerd register van het Vlaams privaat
archivalisch erfgoed, teneinde dit te vrijwaren en de publieksgerichte en
wetenschappelijke valorisatie ervan te optimaliseren, waarin zowel private
archieven bewaard in stads- en gemeentearchieven als bestanden aanwezig in
privaatrechtelijke instellingen worden vermeld, evenals de gegevens van
archiefcollecties in privé-bezit, voorzover de personen en instanties die er
eigenaar van zijn, deze wensen te laten registreren bij de Archiefbank
Vlaanderen. De Archiefbank Vlaanderen is eigendom van de Vlaamse gemeenschap. De
databanken die in dit kader worden opgemaakt, zijn openbaar.
TITEL II - DOELSTELLINGEN
Art. 3. Dit decreet heeft tot doel de archiefwerking te stimuleren in al haar
aspecten, het publieke draagvlak voor het culturele erfgoed te verhogen om de
bewaring en de ontsluiting van dit culturele erfgoed te realiseren, en de
gemeenschapsvormende mogelijkheden ervan te benutten.
Hiertoe werkt het decreet een subsidiëring uit van de privaatrechtelijke
archief- en documentatiecentra, van de projectmatige archiefwerking en van het
steunpunt voor de archiefwerking.
TITEL III - DE PRIVAATRECHTELIJKE CULTURELE ARCHIEFWERKING
HOOFDSTUK I - ARCHIEF- EN DOCUMENTATIECENTRA OP BASIS VAN
MAATSCHAPPELIJK-FILOSOFISCHE STROMINGEN
AFDELING 1 - ALGEMENE VOORWAARDEN
Art. 4. Onder archief- en documentatiecentrum op basis van
maatschappelijk-filosofische stromingen wordt in dit decreet verstaan een
instelling die tot doel heeft het historische erfgoed van de grote
maatschappelijk-filosofische stromingen die Vlaanderen vanaf de tweede helft van
de 18e eeuw mee gestalte hebben gegeven, met name de katholieke, de
socialistische, de liberale en de Vlaams-nationale, te behouden en te ontsluiten
ten behoeve van studie en onderzoek.
Art. 5. De archief- en documentatiecentra op basis van
maatschappelijk-filosofische stromingen die gesubsidieerd worden volgens het
decreet van 27 juni 1985 houdende erkenning en subsidiëring van de
privaatrechtelijke Nederlandstalige Archief- en Documentatiecentra, behouden hun
erkenning.
Per stroming, zoals bedoeld in artikel 4, kan er slechts één archief- en
documentatiecentrum worden erkend.
AFDELING 2 - SUBSIDIËRING
Art. 6. Om voor subsidiëring in aanmerking te komen, moet elk erkend archief- en
documentatiecentrum, per beleidsperiode van vijf jaar, waarvan de eerste ingaat
op 1 januari 2002, voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° rechtspersoonlijkheid met een niet-commercieel karakter hebben;
2° de maatschappelijke zetel hebben in het Nederlandse taalgebied of in het
tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
3° zich de bewaring, het beheer en de dynamische ontsluiting tot doel stellen
van het historische erfgoed van een van de in artikel 4 genoemde stromingen, het
wetenschappelijk onderzoek hierover stimuleren en beoefenen, en fungeren als
dienstverlenend centrum ten aanzien van de schenkers, bewaargevers, overheden,
onderzoekers, media en het publiek;
4° een beleidsplan indienen bij de Vlaamse regering voor de volgende
beleidsperiode;
5° jaarlijks een werkingsverslag en een financieel verslag indienen bij de
Vlaamse regering, evenals een jaarplan en begroting; de rapportering gebeurt per
kalenderjaar;
6° in samenwerking met de andere archief- en documentatiecentra op basis van
maatschappelijk-filosofische stromingen zorgen voor de ontwikkeling en het
beheer van de 'Archiefbank Vlaanderen';
7° in de werking rekening houden met de principes van de integrale
kwaliteitszorg;
8° akkoord gaan om op verzoek van de administratie alle nuttige en noodzakelijke
gegevens met betrekking tot de werking in de gevraagde vorm te verstrekken.
Art. 7. Voor de personeels-, basis- en werkingssubsidie wordt jaarlijks een
krediet ingeschreven in de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor de
privaatrechtelijke archieven van minimum 2.225.000 euro waarvan 60 % gelijk
verdeeld wordt onder de vier erkende archief- en documentatiecentra en waarvan
40 % verdeeld wordt volgens de in het tweede lid vermelde verdeelsleutel.
De variabele subsidie wordt toegekend volgens de volgende verdeelsleutel:
- KADOC (Katholiek Documentatie- en Onderzoekscentrum): 45 %;
- Amsab-Instituut voor Sociale Geschiedenis: 30 %;
- Liberaal Archief (Archief-, documentatie- en onderzoekscentrum van het
Liberalisme): 12,5 %;
- ADVN (Archief en Documentatiecentrum voor het Vlaams nationalisme): 12,5 %.
Er wordt jaarlijks een supplementair krediet ingeschreven in de
uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor de ontwikkeling en het beheer
van de 'Archiefbank Vlaanderen', zoals bedoeld in artikel 6, 6°, van 250.000
euro. Dit krediet wordt onder de vier erkende archief- en documentatiecentra
gelijk verdeeld.
Art. 8. § 1. De in artikel 7, eerste lid, vastgelegde kredieten worden aangevuld
met een specifiek krediet voor het uitvoeren van het Vlaamse Intersectorale
Akkoord 2000-2005 en voor het opvangen van de gevolgen van dit akkoord op de
concrete personeelsformaties van de vier centra.
De verdeelsleutel, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van dit decreet is niet van
toepassing op dit specifieke krediet.
§ 2. Het statuut van alle medewerkers in het Derde Arbeidscircuit, hierna
DAC'ers genoemd, die effectief in dienst zijn op 31 december 2001, en van de
openstaande betrekkingen, bij de archief- en documentatiecentra, zoals vermeld
in artikel 4, worden op 1 januari 2002 geregulariseerd.
§ 3. Gedurende de eerste zes maanden na de eerste regularisatie van de DAC'ers
wordt aan de werkgevers een forfaitair voorschot uitbetaald van 12.400 euro, in
afwachting van de bepaling van de loonschaal voor elke betrokken functie. De
loonschaal wordt bepaald op basis van het loon dat de Vlaamse Dienst voor
Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) in december 2001 aan de gewezen
DAC'er uitbetaalde, tenzij er voor de betreffende werknemers een loonschaal
opgenomen is in de Collectieve Arbeidsovereenkomst die van toepassing is.
§ 4. Nadat de totale jaarlijkse subsidie voor de geregulariseerde DAC'ers van
elk archief- en documentatiecentrum is bepaald, wordt die subsidie als een
jaarlijkse enveloppensubsidie toegekend aan het archief- en documentatiecentrum.
Bij afvloeiing van één of meer geregulariseerde DAC'ers, door ontslag door de
werkgever of van de werknemer, pensionering of overlijden, kan het archief- en
documentatiecentrum autonoom beslissen over de gewenste vervanging. De
organisatie moet jaarlijks aantonen dat de subsidie verder wordt besteed aan
tewerkstelling.
Art. 9. De Vlaamse regering bepaalt de regels voor het opstellen van het
beleidsplan en de procedure voor het indienen van het werkingsverslag, het
financiÙle verslag, het jaarplan en de begroting.
De Vlaamse regering neemt de gepaste maatregelen om uitvoering te geven aan
artikel 8, paragraaf 1, zodat de gevolgen van het akkoord op de concrete
personeelsformaties van de vier centra opgevangen kunnen worden.
HOOFDSTUK II - ARCHIEF- EN DOCUMENTATIECENTRA OP BASIS VAN CULTURELE THEMA'S
Art. 10. § 1. De Vlaamse regering bepaalt per beleidsperiode de lijst van
culturele thema's waarvoor de archief- en documentatiecentra van landelijk
belang een aanvraag voor subsidiëring kunnen indienen.
De subsidies worden verleend binnen de financiële mogelijkheden van de begroting
van de Vlaamse Gemeenschap.
§ 2. Om in aanmerking te komen voor deze subsidies worden de aanvragen van de
archief- en documentatiecentra getoetst aan de volgende criteria:
1° het maatschappelijk draagvlak, namelijk de doelstellingen, de doelgroepen, de
netwerking en het partnerschap van het thematische archief- en
documentatiecentrum;
2° de mate waarin de archiefwerking het thema dekt;
3° het belang van het patrimonium in kwantitatieve en kwalitatieve termen;
4° de plaats die het archief- en documentatiecentrum inneemt in het archiefveld;
5° de visie van het archief- en documentatiecentrum zelf over zijn eigen rol in
het archiefveld;
6° het professionele karakter van het archief- en documentatiecentrum: het
organogram, de infrastructuur, het personeel en de financiële middelen;
7° het vijfjarige beleidsplan.
§ 3. Per thema kan de Vlaamse regering slechts aan één archief- en
documentatiecentrum voor de beleidsperiode een subsidie toekennen.
§ 4. De eerste beleidsperiode loopt van 1 januari 2003 tot 31 december 2007.
§ 5. De inhoudelijke beoordeling en kwaliteitsbeoordeling van de aanvraag
gebeurt door een adviescommissie. Zij stelt een gemotiveerde rangorde op, nadat
de administratie de helderheid, transparantie en realiteitswaarde van de
financiële ramingen in de aanvraag heeft onderzocht.
§ 6. De vaststelling van de subsidie gebeurt door de Vlaamse regering, op
voorstel van de administratie en rekening houdend met de inhoudelijke
beoordeling en kwaliteitsbeoordeling van de adviescommissie, bedoeld in
paragraaf 5.
§ 7. De Vlaamse regering bepaalt de samenstelling van de adviescommissie,
bedoeld in paragraaf 5, de procedure voor het indienen van de aanvraag en de
procedure voor de beoordeling van het dossier.
HOOFDSTUK III - PROJECTEN VOOR PRIVAATRECHTELIJKE ARCHIEVEN
Art. 11. Elke rechtspersoon met een niet-commercieel karakter kan een aanvraag
tot subsidiëring indienen bij de Vlaamse regering, met uitzondering van de
privaatrechtelijke archief- en documentatiecentra die worden gesubsidieerd op
basis van hoofdstuk 1 en II van titel III, voor:
1° projecten voor culturele ontsluiting;
2° projecten voor archivistische ontsluiting door middel van informatie- en
communicatietechnologie.
Daartoe legt de Vlaamse regering jaarlijks ten minste een krediet van 500.000
euro vast.
Art. 12. § 1. Aan projecten voor culturele ontsluiting kunnen subsidies worden
toegekend op basis van de volgende criteria:
1° de mate waarin het project een bijdrage kan leveren aan de versterking en
verbreding van de archiefsector in Vlaanderen;
2° de mate waarin het project de essentie van de doelstelling en de werking van
de aanvrager weerspiegelt en vertaalt voor het publiek;
3° de kwalitatieve meerwaarde van het publieksgerichte project als
voorbeeldwerking;
4° de mate waarin een breed publiek wordt aangesproken;
5° het professionele karakter van het project, onder meer de wetenschappelijke
en de technische onderbouw;
6° de diversiteit van de actoren die bij de aanvraag betrokken zijn;
7° de mate van samenwerking met andere culturele actoren zoals openbare
bibliotheken en cultuurcentra;
8° de diversiteit aan inkomstenbronnen.
De eerste vier criteria zijn doorslaggevend bij de beoordeling van de
subsidieaanvraag.
§ 2. Het subsidiebedrag kan variëren tussen 5.000 en 50.000 euro.
Art. 13. Voor projecten voor archivistische ontsluiting door middel van
informatie- en communicatietechnologie kunnen subsidies worden toegekend op
basis van de volgende criteria:
1° de aangetoonde prioriteit van de inspanning;
2° de mate waarin het project een bijdrage kan leveren aan de versterking en
verbreding van de archiefsector in Vlaanderen;
3° het professionele karakter van het project, onder meer de wetenschappelijke
en de technische onderbouw;
4° de diversiteit van de actoren die bij de aanvraag betrokken zijn.
De subsidie bedraagt maximaal 2.500 euro. Die subsidie wordt uitsluitend voor
een tegemoetkoming in de kosten voor informatie- en communicatietechnologie
gebruikt.
Elke instelling mag jaarlijks één aanvraag tot subsidiring indienen.
Art. 14. De inhoudelijke beoordeling en kwaliteitsbeoordeling van de aanvraag
gebeurt door de adviescommissie, bedoeld in artikel 10, paragraaf 5. Zij maakt
een gemotiveerde rangorde op, nadat de administratie de helderheid,
transparantie en realiteitswaarde van de financiële ramingen in de aanvraag
heeft onderzocht.
De vaststelling van de subsidie gebeurt door de Vlaamse regering, op voorstel
van de administratie en rekening houdend met de inhoudelijke beoordeling en
kwaliteitsbeoordeling van de adviescommissie.
Art. 15. De Vlaamse regering bepaalt de procedure voor het indienen van de
aanvraag, evenals de regels met betrekking tot het opstellen van het dossier.
HOOFDSTUK IV - HET STEUNPUNT VOOR DE ARCHIEFWERKING-
Art. 16. § 1. De Vlaamse regering wordt gemachtigd om onder de hierna vermelde
voorwaarden mee te werken aan de oprichting van een steunpunt voor de
archiefwerking.
§ 2. Het steunpunt is een organisatie met rechtspersoonlijkheid met een
niet-commercieel karakter, die de archiefwerking ondersteunt, ontwikkelt en
zichtbaar maakt door middel van haar kerntaken: praktijkondersteuning,
praktijkontwikkeling en communicatie en beeldvorming.
Het steunpunt is tevens belast met het toezicht op de ontwikkeling en het beheer
van de 'Archiefbank Vlaanderen'. Het steunpunt sluit hiervoor een
beheersovereenkomst met de archief- en documentatiecentra, zoals bedoeld in
hoofdstuk 1 van titel III van dit decreet, en met de Vlaamse overheid.
Het steunpunt voor de archiefwerking realiseert zijn kerntaken in samenspraak
met andere steunpunten, inzonderheid met de steunpunten in het veld van het
culturele erfgoed.
§ 3. Ter uitvoering van de in paragraaf 2 vermelde kerntaken sluit de Vlaamse
regering met het steunpunt per beleidsperiode een beheersovereenkomst waarin de
samenstelling, de werking en specifieke opdrachten, het toezicht, de middelen en
de procedures voor het aanvragen en uitkeren van de subsidie gespecificeerd
worden.
Het steunpunt concretiseert de beheersovereenkomst in een beleidsplan, dat wordt
opgesteld voor een periode van vijf jaar, met een tussentijdse evaluatie
halverwege de looptijd van het beleidsplan.
Art. 17. De subsidies worden verleend binnen de financiële mogelijkheden van de
begroting van de Vlaamse Gemeenschap.
TITEL IV - ALGEMENE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE UITKERING VAN DE SUBSIDIES
EN DE EVALUATIE VAN DE WERKING
HOOFDSTUK I - STRUCTURELE SUBSIDIËRING
Art. 18. De Vlaamse regering subsidieert via jaarlijkse subsidie-enveloppen de
archief- en documentatiecentra, zoals bepaald in hoofdstuk I en II van titel III
van dit decreet, en een steunpunt voor de archiefwerking, zoals bepaald in
hoofdstuk IV van titel III van dit decreet, telkens voor een periode van vijf
jaar.
De subsidie-enveloppe bevat de financiële middelen voor de ondersteuning van de
jaarlijkse personeels-, basis- en werkingskosten van de organisatie.
Art. 19. Onder voorbehoud dat de ingediende begroting voor het lopende
begrotingsjaar door de Vlaamse regering wordt goedgekeurd, worden voor het
begrotingsjaar waarvoor ze werden ingeschreven en goedgekeurd, vier
driemaandelijkse voorschotten uitbetaald. Elk voorschot bedraagt 22,5 percent
van de jaarlijkse financiële enveloppe. Het saldo van de subsidie wordt
uitbetaald voor 1 juli van het jaar dat volgt op het gesubsidieerde
werkingsjaar, nadat de Vlaamse regering de uitgaven van het voorbije jaar
goedgekeurd heeft. Bij de berekening van het saldo wordt rekening gehouden met
de uitgekeerde voorschotten. Indien de uitgekeerde voorschotten hoger zijn dan
de subsidie, wordt.het verschil in mindering gebracht van de voorschotten van
het werkingsjaar dat volgt op het jaar waarop de subsidie betrekking heeft.
De verantwoording van de jaarlijkse subsidie gebeurt op basis van het
werkingsverslag, het financiële verslag, het jaarplan en de begroting. Hiertoe
legt het archief- en documentatiecentrum jaarlijks de rekeningen van het vorige
jaar met de nodige bewijsstukken voor, evenals een door de algemene vergadering
goedgekeurde sluitende begroting; uit de afrekening moet blijken dat de
organisatie, rekening houdend met de eigen middelen, met een sluitend of batig
saldo kan werken. Een batig saldo in de resultatenrekening verplicht de
organisatie tot het opbouwen van een financiële reserve. Die reserve moet
gebruikt worden om uitgaven te financieren die bijdragen tot de realisatie van
de doelstellingen van de organisatie.
Om in aanmerking te komen voor de subsidies moeten de archief- en
documentatiecentra bovendien:
1° een boekhouding voeren volgens het genormaliseerde boekhoudkundige stelsel en
die boekhouding zo organiseren dat de financiële controle op het gebruik van de
subsidies mogelijk is. De Vlaamse regering kan een specifiek boekhoudkundig plan
en bijzondere regels betreffende de boekhouding opleggen;
2° aanvaarden dat de administratie de werking en de boekhouding, eventueel ter
plaatse, onderzoekt;
3° hun bestuurders en hun medewerkers verzekeren tegen de burgerlijke
aansprakelijkheid van de organisatie.
Art. 20. Alle subsidiebedragen vermeld in dit decreet worden gekoppeld aan het
prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2
van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6
januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen.
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, paragraaf 2, van het decreet van 6
juli 1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting
1994, wordt het prijsindexcijfer, bepaald in het eerste lid, voor de
werkingsmiddelen beperkt tot 75 % van dit prijsindexcijfer.
De Vlaamse regering kan per beleidsperiode liet bedrag, vermeld in artikel 7,
eerste lid, verhogen.
De Vlaamse regering kan per jaar het bedrag, vermeld in artikel 11, tweede lid,
verhogen.
HOOFDSTUK II - PROJECTSUBSIDIËRING
Art. 21. De projectsubsidies worden in twee schijven uitbetaald. Een eerste
schijf van 80 % van het subsidiebedrag wordt na de ondertekening van het
subsidiebesluit uitbetaald, het saldo van 20 % van het subsidiebedrag wordt
uitbetaald na de goedkeuring door de administratie van het eindverslag, de
financiële bewijssstukken en een eindafrekening van het project met een
overzicht van de uitgaven en inkomsten voor het project. Die documenten moeten
ingediend worden binnen twee maanden na de afloop van het project en uiterlijk
op 30 september van het jaar dat volgt op de toekenning van de subsidie.
HOOFDSTUK III - EVALUATIE VAN DE WERKING
Art. 22. De administratie evalueert elk gesubsidieerd archief- en
documentatiecentrum, zoals bedoeld in hoofdstuk I en II van titel III van dit
decreet, door middel van:
1° een bezoek ter plaatse, uiterlijk voor het einde van het tweede jaar van de
beleidsperiode; zij doet dit op basis van het goedgekeurde beleidsplan en de
ingediende jaarplannen en werkingsverslagen;
2° een controle van de jaarplannen en de begrotingen;
3° een jaarlijkse controle van de werkingsverslagen en financiële verslagen.
De administratie kan te allen tijde ter plaatse toezicht uitoefenen op de
realisatie van een activiteit.
Art. 23. De administratie deelt haar bevindingen, die het gevolg zijn van de
evaluatie, vermeld in artikel 22, eerste lid, 1°, en eventueel van artikel 22,
tweede lid, mee aan de organisatie in de vorm van een verslag met aanbevelingen.
Bij een negatieve evaluatie, die het gevolg is van een administratief optreden,
zoals bedoeld in artikel 22 van dit decreet, moet het archief- en
documentatiecentrum binnen een jaar na ontvangst van het verslag over de
evaluatie bij de administratie een rapport indienen waarin aangetoond wordt dat
het op een passende manier tegemoetkwam aan de opmerkingen.
De Vlaamse regering bepaalt de wijze van sanctionering, de procedure voor de
toepassing ervan en de beroepsmogelijkheid.
TITEL V - SLOTBEPALINGEN
HOOFDSTUK I - OVERGANGSBEPALINGEN
Art. 24. In afwijking van artikel 10, paragraaf 1, bevat de lijst, gedurende de
eerste beleidsperiode, minstens de volgende thema's:
1° de archiefwerking met betrekking tot het literaire erfgoed;
2° de archiefwerking met betrekking tot het muzikale erfgoed;
3° de archiefwerking met betrekking tot het architecturale erfgoed;
4° de archiefwerking met betrekking tot de deportatie en het verzet;
5° de archiefwerking met betrekking tot het kerkelijke erfgoed;
6° de archiefwerking met betrekking tot bedrijven.
De hiernagenoemde Nederlandstalige archieven in Brussel:
- het Archief en Museum van het Vlaamse Leven te Brussel v.z.w. (AMVB);
- het vrijzinnig Studie-,Archief- en Documentatiecentrum "Karel Cuypers" v.z.w.;
- het Documentatie- en Archiefcentrum van de Communistische Beweging v.z.w. (DACOB);
ontvangen, in afwijking van artikel 10, paragraaf 1, en het eerste lid van dit
artikel, voor hun jaarwerking minimum een gelijk subsidiebedrag op basis van
hoofdstuk II van titel III van dit decreet op voorwaarde dat zij een subsidie
hebben gekregen voor hun werking in 2001 in het kader van het reglement voor
initiatieven op het vlak van culturele ontsluiting van archieven,
documentatiecentra en bewaarbibliotheken. Per beleidsperiode kan de Vlaamse
regering het subsidiebedrag bepalen.
Art. 25. In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt voor het werkingsjaar
2002 dit bedrag respectievelijk bepaald op 1.882.000 euro en voor het
werkingsjaar 2003 op 2.082.000 euro.
In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de verhouding tussen de vaste
gelijke subsidie en de variabele subsidie voor het werkingsjaar 2002 vastgelegd
op 46 %-54 % en voor het werkingsjaar 2003 op 54 %-46 %.
HOOFDSTUK II - OPHEFFINGSBEPALINGEN
Art. 26. (niet opgenomen)
(Opgeheven worden:
1° het decreet van 27 juni 1985 houdende erkenning en subsidiëring van de
privaatrechtelijke Nederlandstalige archief- en documentatiecentra;
2° het besluit van de Vlaamse regering van 23 april 1986 betreffende de Raad van
de archief- en documentatiecentra)
Art. 27. Dit decreet wordt aangehaald als: archiefdecreet.
HOOFDSTUK III- INWERKINGTREDING
Art. 28. Dit decreet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002, met
uitzondering van hoofdstuk II, III en IV van titel III en hoofdstuk II van titel
IV, die in werking treden op 1 januari 2003.
--------------------------------------------------------------------------------
- B.S., 1 oktober 2002, p. 44.272
Decreet van 6 december 2001 betreffende de openbare archieven
De Waalse Gewestraad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen
volgt:
Art. 1. In de zin van dit decreet wordt onder archief verstaan : de verzameling
van stukken die, ongeacht datum, vorm of materiÎle drager, voortgebracht en
ontvangen worden door iedere in artikel 2 bedoelde archiefproducerende
instelling in de uitoefening van haar activiteit.
Art. 2. De Regering zorgt ervoor dat het definitief archief van :
1ƒ haar diensten;
2ƒ de ministeriÎle kabinetten;
3ƒ de instellingen van openbaar nut,
in goede staat en orde bewaard, op geschikte wijze beheerd worden en organiseert
de bewaringsplaats ervan.
Met instemming van de Regering kunnen de instellingen van openbaar nut hun eigen
bewaringsplaatsen voor archieven inrichten.
De stukken die, hoewel ze uit een administratief of rechtskundig oogpunt geen
belang meer vertonen, doch een historische waarde behouden als administratieve,
wetenschappelijke of culturele informatiebron waarvoor de bewaring zonder
tijdsbeperking gerechtvaardigd is, worden als definitief archief beschouwd.
Art. 3. De Regering kan privÈ-archief in verband met de geschiedenis van de
onder het Waalse Gewest ressorterende openbare instellingen als schenking of
voor bewaring verkrijgen.
Art. 4. § 1. De archiefstukken die aan de dienst belast met het archief worden
toevertrouwd, worden door en op kosten van de archiefproducerende instelling in
goede staat en orde bewaard.
§ 2. Na het verstrijken van de termijn voor de wettelijke bewaring of het
administratief belang worden de archieven gesorteerd om de stukken te bepalen
die een historische waarde hebben als administratieve, wetenschappelijke of
culturele informatiebron waarvoor de bewaring zonder tijdsbeperking
gerechtvaardigd is.
Het sorteren wordt door de archiefproducerende instelling verricht op grond van
een sorteertabel die eenstemmig door de archiefproducerende instelling en de
dienst belast met het archief is opgemaakt.
In de zin van dit decreet wordt onder sorteertabel de systematische nomenclatuur
van archiefcategorieÎn verstaan met vermelding van bewaringstermijn en
definitieve bestemming.
§ 3. De stukken zonder historische waarde worden vernietigd met voorafgaande
instemming van de dienst belast met het archief.
Art. 5. Voor de archiefstukken met persoonsgegevens, zoals bepaald in artikel 1,
§ 5, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke
levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, kan de betrokken
persoon om doorslaggevende en wettige redenen in verband met zijn bijzondere
toestand, zich tegen de bekendmaking van hem betreffende archieven verzetten
tijdens een periode van dertig jaar na de datum waarop het archief is
voortgebracht.
Tijdens deze periode van dertig jaar moet de betrokken persoon worden
geraadpleegd bij iedere aanvraag om inzage, uitleg of kennisgeving in de vorm
van een afschrift van de in het eerste lid bedoelde archieven tenzij hij
aanvankelijk zijn toestemming heeft gegeven.
Art. 6. In de zin van de in artikel 5 bedoelde wet is de dienst belast met het
archief verantwoordelijk voor de verwerking van de definitieve openbare
archieven en wordt de verantwoordelijke voor de verwerking van het privÈ-archief
aangewezen in de akte van schenking of contract van bewaargeving.
Art. 7. Bij de ontbinding van een instelling van openbaar nut dient het archief
ervan bij de dienst belast met het archief gevoegd te worden bij gebreke van een
verschillende in de ontbindingsakte vastgestelde bestemming.
In geval van fusie, splitsing of overdracht van opdrachten tussen instellingen
van openbaar nut moet de dienst belast met het archief meegedeeld worden waar
het archief van de betrokken instellingen zich bevindt.
Bij een privatisering van een instelling van openbaar nut erven de
rechtverkrijgenden de verplichtingen van de instelling wat betreft het archief
dat vÛÛr de privatisering werd voortgebracht.
In de in het derde lid bepaalde veronderstelling blijven de archiefstukken ter
beschikking van de nieuwe instelling tot ze geen administratief belang meer
hebben.
Art. 8. De openbare archieven zijn onvervreemdbaar en zijn niet voor verjaring
vatbaar.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden
bekendgemaakt.
Namen, 6 december 2001.
De Minister-President,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
De Minister van Economie, K.M.O.'s, Onderzoek en Nieuwe TechnologieÎn,
S. KUBLA
De Minister van Vervoer, Mobiliteit en Energie,
J. DARAS
De Minister van Begroting, Huisvesting, Uitrusting en Openbare Werken,
M. DAERDEN
De Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu,
M. FORET
De Minister van Landbouw en Landelijke Aangelegenheden,
J. HAPPART
De Minister van Binnenlandse Aangelegenheden en Ambtenarenzaken,
Ch. MICHEL
De Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid,
Th. DETIENNE
De Minister van Tewerkstelling en Vorming,
Mevr. M. ARENA
--------------------------------------------------------------------------------
- B.S., 20 december 2001, p. 44.167 - 44.168
Décret du Parlement de la Communauté française du 13 juillet 1994 portant agrément et subvention des centres d'archives privées en Communauté française de Belgique
Définitions
Article 1er. - Au sens du présent décret on entend par :
1° Archives privées : tous documents quels que soient leur date, leur forme et
leur support matériel, produits ou reçus par toute personne physique ou morale,
tout service, tout groupe de personnes et organisme de droit privé, documents
qui présentent ou pourraient présenter un intérêt public notamment par leur
valeur historique, culturelle, politique ou sociale;
2° Centre d'archives privées : une association sans but lucratif au sens de la
loi du 27 juin 1921, qui, en Communauté française, fait preuve d'une activité
réelle en matière de sauvegarde et d'exploitation du patrimoine archivistique
des organisations sociales à savoir partis politiques, syndicats, mutuelles,
coopératives, organisations de promotion socioculturelles des travailleurs,
sociétés ouvrières ainsi que les archives de particuliers qui y sont relatives.
Sont toutefois exclus les services d'archives liés à un musée, une université,
une institution de recherche agréée, une bibliothèque publique ou à un organisme
à but lucratif;
3° Gouvernement : le Gouvernement de la Communauté française.
4° Conseil : le conseil des centres d'archives privées.
De l'agréation
Article 2. - Le Gouvernement agrée, après avis du service d'inspection visé à
l'article 16 et du conseil, les Centres d'archives privées qui répondent aux
conditions suivantes :
1° Recueillir, classer, inventorier et assurer la conservation physique des
archives visées à l'article 1er soit sur place, soit en responsabilité de
manière décentralisée.
2° Rendre ces archives accessibles au public dans le respect des conventions de
don, de dépôt et de gestion qui les concernent et dans les délais légaux de
protection de la vie privée des personnes.
3° Disposer d'un local de conservation et d'une salle de consultation des
archives ouverte au public.
4° Attester d'une existence et d'une activité en la matière depuis au moins cinq
ans à la date d'entrée en vigueur du présent décret.
5° Disposer ou procéder à l'engagement d'une personne responsable de la
conservation et de la consultation qui doit avoir les qualifications visées à
l'article 3.
6° Fournir un aperçu des fonds et collections d'archives conservés ou traités,
leur mode de classement et les instruments de recherche disponibles ainsi que le
relevé des activités scientifiques, pédagogiques, de formation ou des
publications des cinq dernières années.
De la subvention
Article 3. - Dans la limite des moyens budgétaires, le Gouvernement peut
accorder des subventions traitement ou de fonctionnement aux centres d'archives
privées agréés qui répondent aux conditions suivantes :
1° Disposer au minimum d'un responsable scientifique titulaire d'une licence en
histoire délivrée par une université belge ou dont l'équivalence a été
officiellement reconnue en vertu de la législation sur la collation des grades
académiques;
2° Disposer au minimum d'un responsable administratif titulaire d'une licence en
histoire délivrée par une université belge ou dont l'équivalence a été
officiellement reconnue en vertu de la législation sur la collation des grades
académiques, d'un graduat en bibliothéconomie ou d'un brevet de
bibliothécaire-documentaliste délivré par la Communauté française;
3° Les institutions dont le personnel ne possède pas le titre requis mais
justifie d'une expérience de cinq ans dans le secteur concerné peuvent, à titre
transitoire, accéder à la subvention. Pour tout nouvel engagement, elles sont
tenues de souscrire aux règles prescrites.
Article 4. - La subvention traitement comporte le ou les traitements bruts
indexés majorés des allocations de foyer et de résidence, le pécule de vacances
et les allocations de fin d'année tels que appliqués dans les établissements
scientifiques de l'Etat, les cotisations que l'employeur est tenu de verser en
application du régime légal de la sécurité sociale du secteur salarié.
Pour le calcul des subventions de traitement le Gouvernement de la Communauté
française fixe les échelles de traitement et les conditions qui y sont liées. Le
montant brut du traitement à prendre en considération ne peut d'une part, en ce
qui concerne les membres du personnel ayant une fonction de responsable, être
inférieur au traitement minimum d'un attaché et supérieur au traitement maximum
d'un chef de travaux exerçant une fonction dirigeante et d'autre part, en ce qui
concerne le personnel administratif, être inférieur au traitement minimum d'un
commis et supérieur au traitement maximum d'un secrétaire d'administration,
conformément au statut du personnel des établissements scientifiques de l'Etat.
Les échelles de traitement sont liées à l'indice des prix à la consommation
selon les modalités en vigueur pour le personnel de l'Etat.
La subvention de fonctionnement est établie par convention. Elle peut s'élever à
30 p.c. des frais de fonctionnement du centre d'archives privées avec un plafond
défini par arrêté d'application.
Article 5. - L'octroi de la subvention fait l'objet d'une convention entre le
Gouvernement et le centre d'archives privées bénéficiaire d'une durée de trois
ans prenant cours au 1er janvier de l'année qui suit celle de sa signature.
Cette convention est renouvelable pour une même période dans l'année qui précède
son expiration si le centre d'archives privées agréé a rempli les obligations
prévues par ou en vertu du présent décret.
Article 6. - L'octroi d'une subvention en application du présent décret n'exclut
pas du bénéfice de subventions accordées en vertu d'autres législation ou
réglementation auxquelles satisferait le centre d'archives privées agréé.
De la suspension et du retrait de la subvention
Article 7. - Le centre d'archives privées agréé est tenu de rentrer chaque année
un rapport moral, administratif et financier présentant les réalisations et
projets.
Article 8. - Le centre d'archives privées agréé qui bénéficie de subventions en
application du présent décret est soumis aux dispositions des articles 55 à 58
des lois sur la comptabilité de l'Etat coordonnées le 17 juillet 1991 ainsi
qu'aux obligations fixées par le Gouvernement par ou en vertu du présent décret.
Mention de ces obligations est faite dans la convention visée à l'article 5.
Article 9. - La liquidation de la subvention se fait selon les modalités fixées
dans la convention visées à l'article 5.
La liquidation de la subvention peut être suspendue par le Gouvernement si le
centre d'archives privées agréé ne répond pas aux conditions fixées par ou en
vertu du présent décret.
La suspension ne peut être prononcée qu'après que le centre d'archives privées
agréé ait été mis en demeure, par lettre recommandée à la poste, de se mettre en
conformité aux dispositions prévues par ou en vertu du présent décret.
Un délai de trois mois doit séparer la mise en demeure susvisée et la décision
de la suspension de la subvention, cette dernière est notifiée par lettre
recommandée à la poste.
Article 10. - Le bénéfice de la subvention est retiré au centre d'archives
privées agréé qui ne démontre pas s'être mis en conformité aux dispositions
prévues par ou en vertu du présent décret dans un délai de six mois prenant
cours le lendemain de l'envoi de la décision de suspension visée à l'article 9.
Le retrait est notifié par le Gouvernement au centre d'archives privées par
lettre recommandée à la poste.
Article 11. - Le retrait de la subvention entraîne le retrait de l'agréation.
Aucune nouvelle agréation du centre d'archives privées ne peut être accordée
avant l'expiration d'un délai de cinq ans à dater de la notification visée à
l'article 10.
Du conseil du centre d'archives et de l'inspection
Article 12. - Il est créé un conseil des centres d'archives privées. Il émettra
d'initiative ou à la demande du Gouvernement des avis et recommandations en
matière de normalisation technique, de conditions de conservation et de
communication des documents. Il garantira la cohérence scientifique des centres
agréés. Il se réunit au moins deux fois par an. Il peut créer en son sein des
commissions techniques.
Il est composé d'un responsable scientifique de chacun des centres d'archives
privées agréés, de deux représentants de la Direction générale de la Culture et
de la Communication, de deux personnalités reconnues pour leurs compétences en
archivistique contemporaine et du ministre qui a la Culture dans ses
attributions ou de son représentant.
Article 13. - Le conseil est présidé par le ministre qui a la Culture dans ses
attributions ou son représentant.
Le conseil adopte son règlement d'ordre intérieur. Sauf s'il a été adopté en
présence du ministre qui a la Culture dans ses attributions, il est soumis à
l'approbation du Gouvernement.
Article 14. - Les membres sont nommés pour une période de quatre ans par le
Gouvernement. Les mandats sont gratuits et renouvelables. Les frais de
fonctionnement sont à charge de la Direction générale de la Culture et de la
Communication du Ministère de la Culture et des Affaires sociales qui en assure
le secrétariat.
Pour la première nomination du conseil, le Gouvernement nomme, au titre de
responsables des centres d'archives privées agréés, six personnalités
scientifiques représentatives de centres d'archives privées existants.
Article 15. - Le Gouvernement détermine, après avis du conseil visé à l'article
12, la normalisation technique, les conditions de conservation et de
communication des documents.
Article 16. - La Direction générale de la Culture et de la Communication assure
l'inspection des centres d'archives privées et veille à l'application du décret.
Article 17. - Le présent décret entre en vigueur au jour de sa publication au
Moniteur belge.
--------------------------------------------------------------------------------
M.B. 19-11-1994, modifié par le décret du 22 décembre1994, M.B. 14 février1995
Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 6 februari
1997 tot wijziging van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van
1 februari 1995 houdende benoeming van de leden van de" Conseil des Centres
d'archives privées en Communauté française de Belgique" (Raad voor de centra
voor private archieven in de Franse Gemeenschap van België)
De Regering van de Franse Gemeenschap.
Gelet op de decreet van 13 juli 1994 houdende erkenning en subsidiëring van de
centra voor private archieven in de Franse Gemeenschap van België, gewijzigd bij
het decreet van 22 december 1994;
Gelet op het besluit van 1 februari 1995 van de Regering van de Franse
Gemeenschap tot benoeming van de leden van de Raad voor de Centra voor private
archieven in de Franse Gemeenschap van België;
Overwegende der erkenning van het centrum voor private archieven, de v.z.w."
Institut liégeois d'Histoire sociale, place Sainte-Véronique 8, te 4000 Luik;
Overwegende dat op basis van artikel 12 van het decreet een wetenschappelijk
verantwoordelijke dient te worden benoemd voor ieder erkend centrum voor private
archieven,
Besluit
Enig artikel. Artikel 1, 1° van het besluit van 1 februari 1995 tot benoeming
van de leden van de raad voor de centra voor private archieven in de Franse
Gemeenschap van België wordt aangevuld zoals volgt :
Mevr. Linda Musin, wetenschappelijk verantwoordelijke van de v.z.w. Institut
liégeois d'Histoire sociale.
Brussel, 6 februari 1997.
Voor de Regering van de Franse Gemeenschap :
De Minister van Cultuur en Permanente Opvoeding,
Ch. PICQUE
--------------------------------------------------------------------------------
- B.S., 25 juni 1997, 16.978
Decreet van het Parlement van de Franse Gemeenschap van 11 juli 2002 betreffende de roerende culturele goederen en het immaterieel patrimonium van de Franse Gemeenschap
HOOFDSTUK I. - Definities en toepassingsgebied
Artikel 1. § 1. Voor de toepassing van dit decreet verstaan we onder:
a) Roerende culturele goederen:
1. de archeologische voorwerpen ouder dan 100 jaar, afkomstig uit opgravingen of
ontdekkingen op land of onder water, uit archeologische vindplaatsen of
verzamelingen;
2. de elementen die als onderdeel van monumenten van artistiek, historisch of
religieus belang, voortkomen uit de verdeling ervan, ouder dan 100 jaar;
3. de doeken, schilderijen en tekeningen, ongeacht de drager en het materiaal
waaruit ze bestaan, ouder dan 50 jaar en geen eigendom van hun auteurs; vallen
evenwel niet onder deze definitie, de meubelen die niet geïntegreerd zijn in
gebouwen en de gebouwen door bestemming zolang deze, met het gebouw van nature,
de band bewaren waardoor ze gebouwen door bestemming worden.
4. de mozaïeken ouder dan 50 jaar en geen eigendom van hun auteurs, andere dan
diegene die vallen onder categorieën 1 en 2; vallen echter niet onder deze
definitie, de meubelen die niet geïntegreerd zijn in gebouwen en de gebouwen
door bestemming zolang deze, met het gebouw van nature, de band bewaren waardoor
ze gebouwen door bestemming worden;
5. de originele etsen, stempels, zeefdrukken en lithografieën en hun respectieve
gietvorm, alsook de originele affiches, ouder dan 50 jaar en geen eigendom van
hun auteurs;
6. de originele producties van de beeldhouwkunst of het beeldhouwwerk en de
kopies die volgens hetzelfde procédé als het origineel zijn bekomen, ouder dan
50 jaar en geen eigendom van hun auteurs, andere dan die van categorie 1; vallen
echter niet onder deze definitie, de meubelen die niet geïntegreerd zijn in
gebouwen en de gebouwen door bestemming zolang deze, met het gebouw van nature,
de band bewaren waardoor ze gebouwen door bestemming worden;
7. de fotografieën en films alsook de negatieven ervan, ouder dan 50 jaar en
geen eigendom van de makers ervan;
8. de wiegendrukken en manuscripten, met inbegrip van de geografische kaarten en
muziekpartituren, al dan niet deel uitmakend van een verzameling, ouder dan 50
jaar en geen eigendom van de auteurs ervan;
9. boeken ouder dan 100 jaar, al dan niet deel uitmakend van een verzameling;
10. geografische kaarten, meer dan 200 jaar geleden gedrukt;
11. allerhande archieven met stukken ouder dan 50 jaar, ongeacht de drager
ervan;
12. a) de verzamelingen en proefexemplaren uit zoölogische, botanische,
mineralogische of anatomische verzamelingen;
b) verzamelingen, ensembles en proefexemplaren met een historisch,
paleontologisch, etnografisch, numismatisch of sigillografisch belang;
13. de vervoermiddelen ouder dan 75 jaar;
14. andere antiquiteiten die vallen buiten de categorieën bedoeld in punten 1
tot 13, ouder dan 50 jaar.
b) Schatten:
1. De roerende culturele goederen die vermeld staan op de lijst die bij dit
decreet is gevoegd, met een waarde gelijk aan of hoger dan de financiële
drempels vermeld in dezelfde bijlage en die staan opgenomen als schatten volgens
de bepalingen van artikel 4 van dit decreet;
2. De voorwerpen die deel uitmaken van de inventarissen van de kerkelijke
instanties en die gecatalogeerd staan als schatten volgens de bepalingen van
artikel 4 van dit decreet;
3. De voorwerpen die deel uitmaken van de verzamelingen van de overheden die
zijn gevestigd in het Franstalig gebied alsmede diegene gevestigd in het
tweetalig gebied van Brussel-Hoofdstad en die, omwille van hun activiteit,
beschouwd moeten worden als zijnde de exclusieve eigendom van de Franse
Gemeenschap en die gecatalogeerd staan als schatten volgens de bepalingen van
artikel 4 van dit decreet;
c) Verzending:
De definitieve of tijdelijke verzending van een roerend cultureel goed, van
België naar een lidstaat van de Europese Unie.
d) Uitvoer
De definitieve of tijdelijke verplaatsing van een roerend cultureel goed buiten
het douanegebied van de Europese Unie
e) Levendige culturele schatten :
De houders van kennis of knowhow die verdwenen is of op het punt staat te
verdwijnen.
f) Meesterwerk van het mondeling en immaterieel patrimonium :
Creatie die berust op de traditie, uitgedrukt door een groep of door individuen
en waarvan erkend wordt dat deze beantwoordt aan de verwachtingen van de
gemeenschap als zijnde uitdrukkingen van de culturele en sociale identiteit van
deze gemeenschap, waarbij de normen en waarden mondeling overgedragen worden via
nabootsing of andere wijzen.
g) Ruimte van het mondeling en immaterieel patrimonium:
Fysieke culturele ruimte waar regelmatig een meesterwerk van het mondeling en
immaterieel patrimonium van de Franse Gemeenschap wordt opgevoerd.
h) De Commissie:
De adviescommissie van het cultureel patrimonium van de Franse Gemeenschap.
§ 2. De in § 1, a), van dit artikel bedoelde anciënniteit van de roerende
culturele goederen wordt nagegaan op de dag dat dit decreet wordt toegepast.
§ 3. Ingeval een roerend cultureel goed, dat beantwoordt aan de
klasseringscriteria vastgelegd door de Regering en dat voldoet aan een van de in
§ 1, a), van dit artikel bedoelde categorieën, buitengewoon opmerkelijk lijkt,
kan de Regering, na advies van de Commissie, een beschermingsprocedure opstarten
en een recht van voorkoop inroepen, zelfs als het goed niet tegemoetkomt aan de
voorgeschreven termijnen.
Art. 2. 1. Dit decreet is van toepassing op de roerende culturele goederen die
zich wettelijk en definitief bevinden in het Franstalig gebied of verbonden zijn
aan een instelling die gevestigd is in het tweetalig gebied van
Brussel-Hoofdstad dewelke, omwille van haar activiteiten, beschouwd dient te
worden als exclusief behorend tot de Franse Gemeenschap, hetzij na overheveling
van een andere gemeenschap, in naleving van § 2, hetzij na wettelijke en
permanente overdracht van een andere lidtstaat van de Europese Gemeenschap,
hetzij door invoering uit een derde land, hetzij herinvoering uit een derde land
na wettelijke verzending uit een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap
naar dit derde land.
2. Een roerend cultureel goed wordt geacht zich in de Franse Gemeenschap te
bevinden, hetzij:
- wanneer het zich bevindt in het Franstalig gebied of in een instelling
gevestigd in het tweetalig gebied, beschouwd als behorend uitsluitend tot de
Franse Gemeenschap, of dat het zich in dit gebied of in deze instelling al dan
niet ononderbroken bevonden heeft gedurende minstens achtenveertig maanden
tijdens de zeven jaar die voorafgaan aan de beslissing om de
klasseringsprocedure op te starten zoals bedoeld in artikel 4, of aan het
verzoek om verzending of uitvoer;
- gedurende de drie jaar na zijn verplaatsing van het Franstalig gebied of een
instelling gevestigd in het tweetalig gebied, beschouwd als behorend uitsluitend
tot de Franse Gemeenschap, naar het Nederlandstalig gebied, naar het Duitstalig
gebied of naar een instelling gevestigd een het tweetalig gebied, dat beschouwd
wordt als niet of niet uitsluitend behorend tot de Franse Gemeenschap.
3. In afwijking van punt 2, tweede streepje, wordt een roerend cultureel goed
dat verplaatst wordt van het Nederlandstalig gebied of van het Duitstalig gebied
of van het tweetalig gebied naar het Franstalig gebied of naar een instelling
gevestigd in het tweetalig gebied, dat beschouwd wordt als behorend uitsluitend
tot de Franse Gemeenschap, in de zin van dit decreet, pas beschouwd als zijnde
gelokaliseerd in de Franse Gemeenschap nà het verstrijken van een termijn van
drie jaar vanaf de datum van de verplaatsing.
4. De houder van de zakelijke rechten van een roerend cultureel goed die de
toepasbaarheid van dit decreet op dit goed wil aanvechten, moet aantonen dat het
niet hoort bij een van de in dit artikel bedoelde categorieën.
Art. 3. Er wordt een adviescommissie van het cultureel patrimonium ingesteld,
hierna de Commissie genoemd.
De Commissie is samengesteld uit twaalf leden, benoemd door de Regering, waarvan
negen leden stemgerechtigd zijn en waaronder :
1° drie leden van het academisch of wetenschappelijk personeel van de
Franstalige universiteiten die de titel van licentiaat Kunstgeschiedenis en
Archeologie uitreiken;
2° zes specialisten over alles in verband met de bescherming van het cultureel
patrimonium, waaronder minstens een specialist bewaring-restauratie, een
conservator van een museum dat gesubsidieerd wordt door de Franse Gemeenschap en
een doctor of licentiaat in de rechten.
Daarnaast zetelen er in de Commissie drie leden met raadgevende stem, met name:
1° de directeur-generaal van Cultuur van de Franse Gemeenschap of zijn
afgevaardigde;
2° de vertegenwoordiger van de minister van Cultuur;
3° een lid van het wetenschappelijk personeel van het Koninklijk Instituut voor
Kunstpatrimonium (KIK).
De niet-aanstelling van laatstgenoemde of diens afwezigheid op de vergaderingen
van de Commissie heeft geen gevolgen voor de wettigheid van diens werking en de
beslissingen die zij neemt.
De Commissie kiest in haar midden een voorzitter. Bij staking van stemmen is de
stem van de voorzitter doorslaggevend.
De Commissie kan eveneens beroep doen op deskundigen alsook op leden van andere
commissies wier adviezen betrekking hebben op vraagstukken inzake het cultureel
patrimonium.
De Commissie bestaat uit evenveel mannen als vrouwen.
De Commissie is verplicht jaarlijks een activiteitenverslag te overhandigen aan
de minister van Cultuur, die dit voorlegt aan het Parlement, en dat minstens
bestaat uit:
- de lijst van de dossiers waarover zij haar advies moest uitbrengen;
- de criteria waarmee rekening gehouden werd bij de opmaak van elk advies;
- de aanwezigheid van haar leden op de vergaderingen.
De Regering bepaalt de vergoeding voor de commissieleden in verhouding tot hun
deelname aan de vergaderingen.
De commissieleden zijn van rechtswege ontslagnemend uit hun mandaat als zij drie
opeenvolgende vergaderingen ongewettigd afwezig zijn.
De Regering legt het huishoudelijk reglement van de Commissie vast.
Naast de opdrachten die haar worden toevertrouwd door of krachtens dit decreet,
brengt de Commissie, op eigen initiatief of op verzoek van de Regering, adviezen
uit over ieder vraagstuk met betrekking tot de bescherming van het cultureel
patrimonium.
HOOFDSTUK II. - Klassering
Art. 4. De Regering gaat, met het oog op hun bescherming, over tot de klassering
van de roerende culturele goederen, waaronder de schatten, die een opmerkelijk
belang vormen voor de Franse Gemeenschap nopens hun historische, archeologische,
etnologische of wetenschappelijke waarde.
De klasseringsprocedure wordt opgestart:
1. op eigen initiatief;
2. op voorstel van de Commissie;
3. op verzoek van de houder van de zakelijke rechten;
4. op verzoek van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op
wiens grondgebied het goed is gelegen;
5. op verzoek van vijfhonderd ondertekenaars die woonachtig zijn in het
Franstalig gebied of in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
Het voorstel of het verzoek om klassering preciseert de klasseringscriteria
waaraan het goed beantwoordt.
Deze motieven moeten voldoen aan de klasseringscriteria vastgelegd door de
Regering.
De lijst met criteria bestaat minstens uit:
1. de staat van bewaring;
2. de zeldzaamheid;
3. de band van het goed met de Geschiedenis of de Kunstgeschiedenis;
4. de esthetiek;
5. de uitzonderlijke kwaliteit inzake concept en uitvoering;
6. de erkenning van het goed door de gemeenschap als expressie van haar
historische, esthetische of culturele identiteit;
7. het belang van het geheel of de verzameling waarvan het goed deel uitmaakt.
De klasseringsprocedure kan opgestart worden als het goed voldoet aan minstens
twee van deze criteria.
Art. 5. De Regering brengt haar beslissing om de klasseringsprocedure op te
starten ter kennis van de houder van de zakelijke rechten via een aangetekend
schrijven. Behalve als de procedure opgestart is op zijn verzoek, beschikken de
houder van de zakelijke rechten en de bezitter over zestig dagen vanaf de
kennisgeving om, via aangetekend schrijven, hun bezwaren te uiten. Wanneer de
Regering niet weet wie de houder van de zakelijke rechten is, geschiedt de
kennisgeving aan de bezitter die verplicht is de Regering mee te delen wie de
houder van de zakelijke rechten is, als hij deze kent.
Art. 6. Bij het verstrijken van de in artikel 5 bedoelde termijn of vanaf de
ontvangst van de bezwaren, naargelang het geval, heeft de Regering, na advies
van de Commissie, zes maanden om te beslissen of het aangewezen is het goed te
klasseren. Bij ontstentenis van beslissing binnen de zes maand, wordt de
klassering van het goed geacht te zijn geweigerd.
De kennisgeving, via aangetekend schrijven, van de beslissing tot klassering
geschiedt binnen de zestig dagen volgend op deze beslissing. Ze wordt verstuurd
naar de houder van de zakelijke rechten en de bezitter van het goed.
Desgevallend moet de houder van de zakelijke rechten de bezitter hiervan op de
hoogte brengen zodra hij de kennisgeving heeft ontvangen en vice versa.
De klassering wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad .
Art. 7. Een geklasseerd goed mag, zonder voorafgaande toelating van de minister
van Cultuur, niet worden verbouwd noch verplaatst met het risico te worden
beschadigd noch worden geïsoleerd van het geheel waarvan het deel uitmaakt,
behalve in de gevallen waar deze isolatie noodzakelijk is voor het behoud ervan.
De Regering legt de procedure voor de toelating vast, op advies van de
Commissie.
Art. 8. De Regering kan, binnen de perken van de begrotingsmiddelen en na advies
van de Commissie, volgens de voorwaarden en de procedure die zij bepaalt,
toelagen verlenen voor het behoud, het onderhoud of de restauratie van een
geklasseerd roerend cultureel goed.
Art. 9. De houder van de zakelijke rechten op een geklasseerd goed moet de
Regering verplicht op de hoogte brengen van iedere wijziging aan de
rechtstoestand van het goed, van iedere fysieke wijziging hieraan, van iedere
wijziging aan de ligging of nog, van de verdwijning ervan.
Art. 10. Elke houder van de zakelijke rechten op een geklasseerd goed moet,
alvorens deze rechten te vervreemden, ongeacht dit kosteloos of tegen vergoeding
gebeurt :
1° de begunstigde van de vervreemding in kennis stellen van de klassering van
het goed en de gevolgen die hieruit voortvloeien;
2° de Regering in kennis stellen van de identiteit en het adres van de
begunstigde van de vervreemding.
De klassering is, in ieder geval, opponeerbaar tegen de begunstigde van de
vervreemding en iedere bezitter van het goed.
Art. 11. De Regering oefent controle uit op de staat of over de voorwaarden
inzake behoud van een geklasseerd goed, en dit volgens de wijzen die zij
bepaalt.
Art. 12. De Regering stelt een bewaarlijst op waarop de goederen vermeld staan
waarvoor een klasseringsprocedure werd opgestart. Het goed blijft ingeschreven
op de bewaarlijst tijdens de hele klasseringsprocedure. Zodra de Regering
beslist heeft over de klassering, wordt het goed van de bewaarlijst geschrapt.
Alle gevolgen verbonden aan de klassering, met uitzondering van artikelen 8 en
17 van dit decreet, zijn eveneens van toepassing op de goederen die zijn
ingeschreven op de bewaarlijst.
Voorts kan de Regering, op eigen initiatief, ieder roerend cultureel goed in de
zin van dit decreet inschrijven op de bewaarlijst tengevolge waarvan de
klasseringsprocedure wordt opgestart en betekend overeenkomstig artikel 5 van
dit decreet.
Art. 13. De Regering lanceert een procedure voor de deklassering van
geklasseerde roerende culturele goederen op grond van criteria en een procedure
die zij vastlegt.
HOOFDSTUK III. - Industriële, wetenschappelijke of commerciële goederen en
archieven van openbaar belang
Art. 14. De Regering kan een recht van voorkoop uitoefenen voor ieder werktuig,
apparaat, machine of instrument dat wordt of werd gebruikt voor de uitoefening
van een industriële of ambachtelijke activiteit, voor wetenschappelijk of
technisch onderzoek wanneer dit goed ouder is dan 30 jaar en, op het ogenblik
van de aangifte, bewaard wordt in een industrieel gebouw, in een werkplaats of
in een onderzoekslaboratorium, met uitzondering van de goederen van het federaal
openbaar of privaat domein of van een ander Gewest of een andere Gemeenschap.
De houder van de zakelijke rechten op een dergelijk goed moet verplicht de
Regering op de hoogte brengen van zijn intentie dit te vernietigen of als
schroot te verkopen.
In de kennisgeving moet melding worden gemaakt van de beschrijving en exacte
ligging van het goed alsook een raming van de waarde ervan.
Het goed mag niet worden gewijzigd, vernietigd of als schroot verkocht vóór het
verstrijken van de termijn van voorkoop voorzien in artikel 21.
Art. 15. De Regering kan een recht van voorkoop uitoefenen op de archieven ouder
dan 30 jaar die informatie bevatten over commerciële, industriële of
ambachtelijke bedrijfsactiviteiten, over sociale, syndicale of politieke
organisaties, over culturele organen of bestaande of ontbonden
onderwijsinrichtingen, over de creatie en de artistieke activiteit, met
uitzondering van de goederen van het federaal openbaar of privaat domein of van
een ander Gewest of een andere Gemeenschap.
De houder van de zakelijke rechten moet verplicht de Regering op de hoogte
brengen van zijn intentie deze te vernietigen of te verkopen.
De archieven mogen niet worden vernietigd of verkocht vóór het verstrijken van
de termijn van voorkoop voorzien in artikel 21.
HOOFDSTUK IV. - Verzending en uitvoer
Art. 16. De schatten van de Franse Gemeenschap moeten een uitvoervergunning of
verzendingsvergunning hebben, al naargelang deze het grondgebied van de Europese
Unie of het nationaal grondgebied verlaten. Deze vergunning is een jaar geldig
vanaf de afgifte ervan en wordt uitgereikt door de Regering of een andere
overheid die zij aanduidt, na advies van de commissie en volgens de wijzen die
de Regering bepaalt.
Art. 17. De geklasseerde roerende culturele goederen kunnen pas een uitvoer- of
verzendingsvergunning krijgen nadat deze gemerkt zijn door een door de Regering
erkende identificatieprocédé.
Art. 18. Elk geklasseerd roerend cultureel goed dat het voorwerp is van een
tijdelijke verzending of uitvoer moet, vóór het vertrek uit en de terugkeer naar
de Franse Gemeenschap, worden beschreven door de Diensten van de Franse
Gemeenschap.
Art. 19. De uitvoer- of verzendingsvergunning kan door de Regering worden
geweigerd, op haar eigen initiatief of op advies van de Commissie, als zou
blijken dat de uitvoer of verzending van het desbetreffend goed een ernstig
nadeel zou kunnen opleveren voor het cultureel patrimonium van de Franse
Gemeenschap.
In dit geval moet de Regering het desbetreffend goed klasseren als de houder van
de zakelijke rechten op dit goed hierom vraagt.
Art. 20. Een schat van de Franse Gemeenschap kan niet het voorwerp zijn van een
definitieve uitvoer of verzending.
HOOFDSTUK V. - Voorkoop
Art. 21. 1. Ingeval een roerend cultureel goed wordt verkocht, kan de Regering
ter plaatse een recht van voorkoop uitoefenen. Bij een openbare verkoop wordt
dit recht uitgeoefend aan de prijs van het laatste bod.
2. Bij de verkoop van een geklasseerd of op de bewaarlijst ingeschreven roerend
cultureel goed kan de houder van de zakelijke rechten op dit goed deze rechten
pas verkopen nadat hij de Franse Gemeenschap de kans heeft gegeven haar
voorkooprecht uit te oefenen. Hiertoe stelt de verkoper of zijn gemachtigde de
Franse Gemeenschap in kennis van de inhoud van de akte die is opgesteld met een
opschortende voorwaarde wanneer het voorkooprecht niet wordt uitgeoefend, alsook
de identiteit van de koper. Deze kennisgeving staat gelijk met het aanbieden tot
de verkoop waarop de Franse Gemeenschap moet reageren, door haar belangstelling
te tonen voor het goed binnen een termijn van een maand, waarna ze haar recht op
voorkoop niet langer kan uitoefenen.
Als de Franse Gemeenschap haar belangstelling heeft getoond binnen de voormelde
termijn en nadien beslist het aanbod te aanvaarden, dient zij haar aanvaarding
ter kennis te brengen van de verkoper of diens gemachtigde binnen de zestig
dagen na de kennisgeving bedoeld in het eerste lid; in dit geval is de verkoop
gesloten tussen de partijen zodra de aanvaarding van de Franse Gemeenschap ter
kennis is gebracht van de verkoper.
Als het aanbod niet is aanvaard binnen voormelde termijn, dan kan de houder van
de zakelijke rechten niet verkopen aan een derde tegen een lagere prijs of aan
betere voorwaarden, zonder de goedkeuring van de Franse Gemeenschapsregering.
De roerende culturele goederen die worden aangeboden aan de Franse Gemeenschap
met het oog op de eventuele uitoefening van het recht op voorkoop, waarvoor
laatstgenoemde geen belangstelling heeft getoond binnen de wettelijke termijn en
die, nadien, uiteindelijk niet verkocht worden door hun eigenaar kunnen, later,
aan dezelfde voorwaarden die aanvankelijk gesteld waren, verkocht worden aan een
andere koper voor zover deze verkoop slechts plaatsvindt binnen een tijdsspanne
van een jaar te rekenen vanaf het aanvankelijk voorstel om het recht op voorkoop
uit te oefenen. Eens deze termijn verstreken, en zelfs als de verkoop doorgaat
aan de voorwaarden van het origineel aanbod, dan moet de verkoper de Franse
Gemeenschap hiervan opnieuw op de hoogte brengen, teneinde haar in staat te
stellen haar recht op voorkoop uit te oefenen.
3. In geval van verkoop gesloten zonder rekening te hebben gehouden met het
voorkooprecht van de Franse Gemeenschap, kan deze laatste eisen om, hetzij in de
rechten te worden gesteld van de koper, hetzij een vergoeding van de verkoper te
bekomen ten belope van de helft van de verkoopprijs.
Ingeval in de rechten wordt getreden, betaalt de Franse Gemeenschap de koper de
aankoopprijs terug die deze betaald heeft, zonder hem verdere verplichtingen of
vergoedingen schuldig te zijn.
De subrogatie en de vergoeding vervallen vanaf het ogenblik dat de Franse
Gemeenschap kennis heeft genomen van ofwel de toekenning in geval van een
openbare verkoop, ofwel van de kennisgeving van de verkoop aan de Franse
Gemeenschap in het geval van een onderhandse verkoop.
4. Het voorkooprecht van de Franse Gemeenschap kan eveneens uitgeoefend worden
in naam van en voor rekening van een andere bestuursoverheid die valt onder het
toepassingsgebied van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van
State.
HOOFDSTUK VI. - Inventaris
Art. 22. De Diensten van de Franse Gemeenschap stellen een lijst met
beschrijvingen en foto's op van de geklasseerde roerende culturele goederen en
van de schatten van de Franse Gemeenschap alsook van alle roerende goederen die
overeenstemmen met de Bijlage van Richtlijn 93/7/EEG en met de financiële
drempels van diezelfde Bijlage en houden deze lijst up-to-date. Bij diefstal is
het mogelijk om via deze inventaris de gerechtelijke instanties documenten te
bezorgen aan de hand waarvan het verdwenen goed geïdentificeerd kan worden en,
in geval van verzending naar een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap, de
teruggave ervan te vragen met toepassing van Richtlijn 93/7/EEG.
Art. 23. De Regering legt de criteria vast waaraan de in artikel 22 bedoelde
inventaris moet voldoen.
Art. 24. De eerste inventaris, welke minstens alle geklasseerde goederen bevat,
dient opgemaakt te worden uiterlijk op 1 december van het derde jaar dat volgt
op de inwerkingtreding van dit decreet.
De volledige inventaris, die alle geklasseerde goederen en alle schatten van de
Franse Gemeenschap bevat, moet opgemaakt zijn uiterlijk tegen 1 december van het
achtste jaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit decreet.
De inventaris wordt regelmatig bijgewerkt en minstens eenmaal om de drie jaar.
Art. 25. De inventaris mag, wat betreft de roerende culturele goederen opgenomen
in de inventarissen gepubliceerd door het Koninklijk Instituut voor het
Kunstpatrimonium onder de titels Fotorepertorium van het meubilair van de
Belgische bedehuizen en Monografieën van het Belgisch Kunstpatrimonium, zich
beperken tot een verwijzing naar deze inventarissen. Zij zullen eveneens mogen
verwijzen naar de bijwerking hiervan of naar andere inventarissen, voor zover
deze hiertoe door de Regering toegelaten werden en de Commissie instaat voor de
aanvullende informatie die nodig opdat overeenstemming wordt bereikt met de in
artikel 22 bedoelde inventaris.
HOOFDSTUK VII. - Immaterieel patrimonium
Art. 26. Na advies van de Commissie kan de minister van Cultuur de titel van
levendige culturele schat van de Franse Gemeenschap uitreiken aan natuurlijke
personen teneinde de verdwenen of bijna verdwenen vaardigheden en knowhow te
beschermen. Deze personen moeten een uitzonderlijke of zeldzame kennis of
knowhow bezitten op het vlak van de technieken inzake bewaring en restauratie
van het cultureel patrimonium of van de traditionale ambacht.
De Regering bepaalt de procedure voor de toekenning, intrekking en schorsing van
de titel van levendige culturele schat van de Franse Gemeenschap.
Art. 27. Na advies van de Commissie kan de minister van Cultuur toelagen
verlenen aan de in artikel 26 bedoelde personen, met als doel hun activiteiten
te promoten of hun kennis en knowhow door te geven aan hun opvolgers. Deze
toelagen kunnen eveneens dienen voor de uitrusting die onontbeerlijk is voor het
uitoefenen van hun activiteiten. In dit geval mogen zij niet meer
vertegenwoordigen dan 60 % van de uitgave. Deze Regering bepaalt het bedrag van
de toelagen alsook de procedure voor de toekenning ervan.
Art. 28. Na advies van de Commissie kan de minister van Cultuur bij een
evenement de titel van meesterwerk van het mondeling en immaterieel patrimonum
van de Franse Gemeenschap verlenen.
De criteria voor de toekenning van de titel van meesterwerk van het mondeling en
immaterieel patrimonium van de Franse Gemeenschap worden bepaald door de
Regering.
De lijst van deze criteria omvat minstens :
1° het traditioneel karakter van de creatie;
2° de uitdrukking door een groep of door individiuen;
3° de erkenning van het evenement door de gemeenschap als beantwoordend aan de
verwachting van deze gemeenschap en als zijnde de uiting van diens culturele en
sociale identiteit;
4° de mondelinge overdracht van de normen en waarden, via imitatie of op andere
wijzen.
De vormen van een meesterwerk van het mondeling en immaterieel patrimonium van
de Franse Gemeenschap omvatten onder meer :
1. de taal,
2. de literatuur,
3. de muziek,
4. de dans,
5. de spelen,
6. de mythologie,
7. de rituelen,
8. de gewoonten,
9. de knowhow van de ambacht, van de architectuur en van andere vaardigheden.
Naast deze voorbeelden worden ook de traditionele communicatie- en
informatievormen in aanmerking genomen.
De Regering bepaalt de procedure voor de toekenning, intrekking en schorsing van
de titel van meesterwerk van het mondeling en immaterieel patrimonium van de
Franse Gemeenschap.
Art. 29. Na advies van de Commissie kan de minister van Cultuur toelagen
verlenen aan de personen die de het in artikel 28 bedoeld evenement organiseren,
met als doel dit gebeuren beter te beschermen. Deze bescherming zal eveneens
geschieden door het vastleggen van hun eigentijdse aanblik op materiële dragers
(in de vorm van geluid, geschrift of iconografie).
De toelagen kunnen eveneens dienen voor de uitrusting die onontbeerlijk is voor
de bescherming. In dit geval mogen zij niet meer vertegenwoordigen dan 60 % van
de uitgave.
Deze Regering bepaalt het bedrag van de toelagen alsook de procedure voor de
toekenning ervan.
Art. 30. Na advies van de Commissie kan de minister van Cultuur een culturele
plaats waar regelmatig een meesterwerk van het mondeling en immaterieel
patrimonium van de Franse Gemeenschap plaatsvindt, de titel geven van ruimte van
het mondeling en immaterieel patrimonium van de Franse Gemeenschap.
De criteria voor de toekening van de titel van ruimte van het mondeling en
immaterieel patrimonium van de Franse Gemeenschap worden vastgelegd door de
Franse Gemeenschap.
De Regering bepaalt de procedure voor de toekenning, intrekking en schorsing van
de titel van ruimte van het mondeling en immaterieel patrimonium van de Franse
Gemeenschap.
Art. 31. Na advies van de Commissie kan de minister van Cultuur toelagen
verlenen aan de personen die het in artikel 28 bedoelde gebeuren creëren, met
als doel het behoud van de in artikel 30 bedoelde culturele ruimte te promoten
en langs daar, onder meer, het behoud van het gebeuren bedoeld in het artikel
over het landschap.
De toelagen kunnen dienen voor de uitrusting die onontbeerlijk is voor het
behoud. In dit geval mogen zij niet meer vertegenwoordigen dan 60 % van de
uitgave.
Deze Regering bepaalt het bedrag van de toelagen alsook de procedure voor de
toekenning ervan.
Art. 32. De Commissie kan de Regering voorstellen bij de UNESCO een kandidatuur
in te dienen van een buitengewoon uitzonderlijk meesterwerk van het mondeling en
immaterieel patrimonium van de Franse Gemeenschap of van een buitengewoon
uitzonderlijke ruimte van het mondeling en immaterieel patrimonium van de Franse
Gemeenschap teneinde te worden erkend door de UNESCO.
De Commissie is belast met het opmaken van het dossier van de kandidatuur
volgens de criteria vastgelegd door de UNESCO.
HOOFDSTUK VIII. - Sancties en slotbepalingen
Art. 33. De roerende culturele goederen die zijn uitgevoerd of verzonden in
schending van dit reglement kunnen het voorwerp zijn van een beslag door de
Regering.
Wanneer ze oordeelt dat er kans is op herhaling, kan de Regering de bevoegde
rechter verzoeken deze strafbare goederen in beslag te nemen.
Art. 34. De Franse Gemeenschapsregering duidt onder haar ambtenaren van haar
bestuur beambten aan belast met het toezicht op de uitvoering van dit decreet en
zijn uitvoeringsbesluiten.
Deze beambten zijn beëdigd en hebben de hoedanigheid van officier van de
gerechtelijke politie.
Art. 35. Artikel 17 treedt pas in werking op de dag dat een identificatieprocédé
door de Regering wordt erkend.
Art. 36. De wet van 7 augustus 1931 op het behoud van de monumenten en
landschappen en de wet van 16 mei 1960 betreffende 's Lands roerend cultureel
patrimonium, worden opgeheven.
Art. 37. Dit decreet treedt in werking op de dag dat het in het Belgisch
Staatsblad verschijnt.
--------------------------------------------------------------------------------
- B.S., 24 september 2002, 43.082 - 43.093