Paling

 

 

   Stam: Pisces (vissen)
   Orde:  Anguilliformes (alen)
   Familie: Anguillidae (alen)
   Geslacht en soort:  Anguilla anguilla (Europese aal, paling) .


  

 

Kenmerken Lang, slangachtig lichaam met 110-120 wervels. Onderkaak steekt uit. Lange rug- en borstvinnen, die beginnen achter de kieuwen en samenkomen op het eind van de staart. Kleine, ronde ogen. Taai, slijmerige huid. Kleur: rug donker (verscheidene kleuren komen voor: blauw, olijf-groen, rood, bruin en zwart) en onderzijde licht van kleur (wit of gelig).
Biotoop Op de bodem van sloten, plassen, meren en rivieren, tot een hoogte van 1000 m. Mannetjes leven meer in de kustgebieden, vrouwtjes leven meer landinwaarts.
Verspreidingsgebied Noord- en Midden Europa, in de Noord-Atlantische Oceaan, de Witte Zee, de Oostzee, de Noordzee, de Middellandse Zee en de Zwarte Zee.
Maten, gewicht en leeftijd Vrouwtjes tot 120 cm en mannetjes tot 40 cm ; leeftijd vrouwtjes 8 tot 15 jaar in zoet water, mannetjes 4 tot 8 jaar.
Voortplanting

Paren elk jaar in de Sargosso Zee, zetten hun eitjes af en sterven. De uit de eitjes gekomen jongen drijven en zwemmen in het volgende jaar naar de kust. Ze zwemmen de rivier op en blijven hier tot ze geslachtsrijp zijn.

Leefgewoonte

De paling is een bodembewoner. De paling is 's nachts actief. Overdag houdt hij zich schuil.

Voedsel Schaaldieren, waterinsecten , vlokreeften, muggenlarven, aasgarnalen, slakken en kleine vissen

2500 jaar geleden wist men niet waar palingen vandaan kwamen. Er was namelijk nog nooit een geslachtsrijp exemplaar gevangen. De Griekse wijsgeer Aristoteles (384-322 v C.) geloofde dat palingen geboren werden uit regenwormen, die op hun beurt weer gewoon ontstonden uit modder. Begin 1900 ontdekte een Deense bioloog dat het paaigebied van de paling in de Sargassozee lag.
 
Thuis in zoet en zout water

Het leven van de paling begint ergens in de Sargasso Zee, tussen de Bahamas en de Bermuda's, 6000 km hier vandaan. Daar worden eitjes gelegd en komen de larven ter wereld. De larve heeft de vorm van een vis. Na een of twee jaar hebben ze de Europese kust bereikt. Onderweg zijn ze veranderd in glasaaltjes. In de komende 3 tot 8 jaar worden de vrouwtjes, die het zoete water inzwemmen, geslachtsrijp. De mannetjes blijven in de riviermondingen achter en wachten tot de vrouwtjes terugkeren. Als de vrouwtjes in staat zijn terug te keren naar de zee, trekken ze samen met de mannetjes terug naar de paaigronden in het verre westen. Obstakels bij de trektocht hoeven geen probleem te zijn. Omdat de paling kan ademen door de huid, zijn ze in staat om zich over korte stukken over het land voort te bewegen, geholpen door hun slijmachtige huid. Na enige jaren worden paligen zilverpalingen of schieraal als hun rug zwart en hun onderzijde zilverkleurig worden. Ze zijn geslachtsrijp en maken zich klaar voor de grote reis: de ogen worden groter en hun kop breder en puntiger. De kleur verandert van geelgrijs tot olijfgroen of donkerbruin met een zilverwitte buik. De borstvinnen groeien en worden zwart en puntig. Daarna beginnen zij terug te zwemmen naar de Saragasso Zee, waar zij paaien op 400-700 m diepte. Daarna sterven ze.

geboorteplaats van paling

 

`s Nachts op jacht

De paling is vooral s' nachts actief. Hij jaagt hierbij, met zijn, buisvormige goed ontwikkelde neusgaten, hoofdzakelijk op de reuk.Tijdens een nachtduik zul je dus de meeste kans hebben om deze mooie vis tegen te komen. Overdag liggen de palingen verscholen tussen stenen, rotsen en plantenwortels. In de winter zul je ze vrijwel niet tegen komen. De paling kent een winterslaap. Deze rustperiode maakt hij door in de modder. Ook hier komt zijn huidademhaling goed van plas. Palingen kunnen adem halen met hun kieuwen, maar ook via de huid, net als de kikker.

glasaaltje

paling eet garnaal

Geen slang

In zijn voortbeweging lijkt de paling op een slang. Hij is wendbaar en kronkelt met gemak tussen allerlei obstakels op de bodem door. Als het nat genoeg is, kan hij zich ook over land verplaatsen.