Een raamwerk voor de intelligentietheorie

For English version, see: A Framework Of Intelligence

Hieronder worden een aantal definities gegeven, die als basis zouden kunnen dienen voor de intelligentietheorie.

Intelligentie is algemene (psychologische) probleemoplosvaardigheden. Er zijn vier soorten intelligentie:

Epistemische intelligentie

De denkvaardigheden zijn:

Dit zijn algemene kennis en informatie vaardigheden. Integratie van kennis en informatie tot een succesvolle oplossing of een (voldoende) realistische voorstelling van de situatie. Iemand die minder hoog scoort voor een (analytische) IQ test, kan bijvoorbeeld goed op de hoogte zijn van wat er speelt in zijn omgeving (bijvoorbeeld op het werk) en daar succesvol op inspelen. Dit is geen "praktische intelligentie". Praktisch zijn is het gevolg van ervaring (kennis) en van het toepassen van je (vier) intelligenties. "Emotionele intelligentie" is een aantal vaardigheden die niet algemeen toepasbaar zijn. (Alleen toepasbaar op emotie.) Het is geen intelligentie, want intelligentie is immers een aantal algemeen(!) toepasbare vaardigheden.

Analytische intelligentie

Dit is de IQ-test intelligentie. Er zijn 3 subtypes van analytische intelligentie:

Om deze puzzels vlot op te kunnen lossen moet je verbanden zien. Bijvoorbeeld: "Welk woord kan gevormd worden met de letters "inteegenlliti"? (Oplossing: "intelligentie")

Creatieve intelligentie

Creativiteit is het gemak waarmee iemand 1 of verscheidene voorstellingen van mogelijke verbanden of mogelijke oplossingen kan bedenken. (Brainstormen). Het gaat er daarbij niet om of ze allemaal nuttig/succesvol zijn. Dat is niet het doel van brainstormen. Het doel is een grote diversiteit aan ideeen, voor zover nodig. Na de inval van elk idee, komt de evaluatie en selectie ervan. Analytisch denken is plan A (dan los je het probleem systematisch op), als dat niet lukt, dan plan B: brainstormen. Misschien levert het iets op. Creativiteit is puur gokken.

Faciliterende intelligentie

Faciliterende intelligentie stelt de persoon in staat creatief, analytisch en selectief te zijn. Het is geheugen en concentratievermogen. Geheugen: werkgeheugen, korte termijn geheugen en lange termijn geheugen.

(Hoog)begaafdheid

"Begaafd" : met aanleg voor iets. "Hoogbegaafd" : zeer veel aanleg voor iets. Dat "iets" kan zijn: algemene analytische intelligentie, maar ook een specifieke intelligentie. Bijvoorbeeld verbale intelligentie. Maar iemand kan ook een fotografisch geheugen hebben of extreem creatief zijn, of erg goed zijn in uitleggen (epistemische intelligentie). Er zijn 4 categorieen van IQ-scores vanaf 100 (IQ=100 is het gemiddelde):

Met hoogbegaafdheid wordt ook bedoeld: een algemeen-analytische IQ van 130/132 of hoger, maar ook een hoge epistemische, creatieve en faciliterende intelligentie. In dat geval is iemand met een IQ van 130/132 zonder de extra kwaliteiten, (slechts) een hoogintelligente persoon.

Nog eens over specifieke intelligentie. Stel er zijn 2 personen Jan en Piet met beide een algemene (analytische) IQ van 115. Dan kan het best zo zijn, dat Jan wél natuurkunde kan studeren, en Piet niet, terwijl Piet wél een taal (bijvoorbeeld Frans of Duits) kan studeren, terwijl Jan dat niet kan. Ze hebben dezelfde algemene analytische IQ, maar toch kunnen ze niet hetzelfde studeren: voor Jan geldt namelijk, dat zijn verbale IQ = 95. Hij kan dus geen taal studeren. Piet heeft echter een ruimtelijk IQ van 95 en kan dus geen natuurkunde studeren. Jan is ruimtelijk begaafd (ruimtelijk IQ = 125) en kan dus natuurkunde studeren. Piet is echter verbaal begaafd (verbale IQ = 125) en kan dus een taal studeren. (Het numerieke IQ van zowel Jan als Piet is 125. Beide zijn dus begaafde boekhouders.)

Als twee personen Peter en Kees beide een ruimtelijk en numeriek IQ hebben van (minimaal) 125 en dus natuurkunde kunnen studeren, maar Peter zijn geheugen is beter en is wat creatiever en stelt meer kritische (minder voor de hand liggende) (onderzoeks)vragen, dan is Peter een betere student en onderzoeker dan Kees. (Mits hij goed kan slapen en dus uitgerust is en hard studeert.)

The inertial frame of reference

A Definition of Ethical Behaviour