Een raamwerk voor de intelligentietheorie
For English version, see:
A Framework Of Intelligence
Hieronder worden een aantal definities gegeven, die als basis zouden kunnen dienen voor de intelligentietheorie.
Intelligentie is algemene (psychologische) probleemoplosvaardigheden. Er zijn vier soorten intelligentie:
- Epistemische intelligentie (van 'epistemology' oftewel 'kennisleer')
- Analytische intelligentie
- Creatieve intelligentie
- Faciliterende intelligentie (Deze intelligentie is de basis van de andere 3 intelligenties.)
Epistemische intelligentie
De denkvaardigheden zijn:
- Selectieve overweging ('Welke gegevens moet ik in overweging nemen om het probleem op te lossen?' Oog voor detail.)
- Selectieve deductie/logische afleiding ('Wat zal ik logisch afleiden uit welke gegevens?')
- Selectieve vergelijking ('Wat zal ik met elkaar vergelijken? En op welke (on-)gelijkenis zal ik letten?')
- Herkenning dat er een probleem is. (Sommigen merken minder snel op dat er iets niet in orde is, anderen weer wel ("dissonantie")).
- Probleemomschrijving. (Voordat een probleem opgelost kan worden, moet het eerst helder verwoord worden. Dat is niet altijd makkelijk.)
- Taaktoewijding ("task commitment") (Helemaal opgaan in het proberen op te lossen van een probleem. Mentaal afsluiten van je omgeving.)
- Voortgangsmonitoring (Voortgangscontrole) (Intuitie ervoor of een ingeslagen weg wel tot de oplossing van het probleem leidt.)
- Kritische probleem evaluatie (Weinigen vragen zich oprecht af of hun opvattingen en oplossing wel (volledig) juist zijn. Zelfkritiek.)
Dit zijn algemene kennis en informatie vaardigheden. Integratie van kennis en informatie tot een succesvolle oplossing of een (voldoende) realistische
voorstelling van de situatie. Iemand die minder hoog scoort voor een (analytische) IQ test, kan bijvoorbeeld goed op de hoogte zijn van wat er speelt
in zijn omgeving (bijvoorbeeld op het werk) en daar succesvol op inspelen. Dit is geen "praktische intelligentie". Praktisch zijn is het gevolg van
ervaring (kennis) en van het toepassen van je (vier) intelligenties. "Emotionele intelligentie" is een aantal vaardigheden die niet algemeen toepasbaar zijn.
(Alleen toepasbaar op emotie.) Het is geen intelligentie, want intelligentie is immers een aantal algemeen(!) toepasbare vaardigheden.
Analytische intelligentie
Dit is de IQ-test intelligentie.
Er zijn 3 subtypes van analytische intelligentie:
- Verbale intelligentie (woordpuzzels)
- Numerieke intelligentie (cijferpuzzels)
- Ruimtelijke intelligentie (figurenpuzzels)
Om deze puzzels vlot op te kunnen lossen moet je verbanden zien. Bijvoorbeeld:
"Welk woord kan gevormd worden met de letters "inteegenlliti"? (Oplossing: "intelligentie")
Creatieve intelligentie
Creativiteit is het gemak waarmee iemand 1 of verscheidene voorstellingen van mogelijke verbanden of mogelijke oplossingen
kan bedenken. (Brainstormen). Het gaat er daarbij niet om of ze allemaal nuttig/succesvol zijn. Dat is niet het doel van
brainstormen. Het doel is een grote diversiteit aan ideeen, voor zover nodig. Na de inval van elk idee, komt de evaluatie en selectie ervan.
Analytisch denken is plan A (dan los je het probleem systematisch op), als dat niet lukt, dan plan B: brainstormen. Misschien
levert het iets op. Creativiteit is puur gokken.
Faciliterende intelligentie
Faciliterende intelligentie stelt de persoon in staat creatief, analytisch en selectief te zijn. Het is geheugen en concentratievermogen.
Geheugen: werkgeheugen, korte termijn geheugen en lange termijn geheugen.
(Hoog)begaafdheid
"Begaafd" : met aanleg voor iets. "Hoogbegaafd" : zeer veel aanleg voor iets. Dat "iets" kan zijn: algemene analytische intelligentie, maar
ook een specifieke intelligentie. Bijvoorbeeld verbale intelligentie. Maar iemand kan ook een fotografisch geheugen hebben of extreem
creatief zijn, of erg goed zijn in uitleggen (epistemische intelligentie).
Er zijn 4 categorieen van IQ-scores vanaf 100 (IQ=100 is het gemiddelde):
- 100-109: Gemiddeld (D.w.z. de categorie die het exacte gemiddelde bevat. ) of Redelijk.
- 110-119: Bovengemiddeld of Goed.
- 120- 129: (Meer-)Begaafd of Zeer Goed.
- 130- 139: Hoogbegaafd of Uitmuntend.
- 140- hoger: Geniaal of Uitzonderlijk.
Met hoogbegaafdheid wordt ook bedoeld: een algemeen-analytische IQ van 130/132 of hoger, maar ook een hoge epistemische, creatieve en
faciliterende intelligentie. In dat geval is iemand met een IQ van 130/132 zonder de extra kwaliteiten, (slechts) een hoogintelligente persoon.
Nog eens over specifieke intelligentie. Stel er zijn 2 personen Jan en Piet met beide een algemene (analytische) IQ van 115. Dan kan het best
zo zijn, dat Jan wél natuurkunde kan studeren, en Piet niet, terwijl Piet wél een taal (bijvoorbeeld Frans of Duits) kan studeren,
terwijl Jan dat niet kan. Ze hebben dezelfde algemene analytische IQ, maar toch kunnen ze niet hetzelfde studeren: voor Jan geldt namelijk, dat zijn
verbale IQ = 95. Hij kan dus geen taal studeren. Piet heeft echter een ruimtelijk IQ van 95 en kan dus geen natuurkunde studeren.
Jan is ruimtelijk begaafd (ruimtelijk IQ = 125) en kan dus natuurkunde studeren. Piet is echter verbaal begaafd (verbale IQ = 125) en
kan dus een taal studeren. (Het numerieke IQ van zowel Jan als Piet is 125. Beide zijn dus begaafde boekhouders.)
Als twee personen Peter en Kees beide een ruimtelijk en numeriek IQ hebben van (minimaal) 125 en dus natuurkunde kunnen studeren, maar Peter zijn geheugen
is beter en is wat creatiever en stelt meer kritische (minder voor de hand liggende) (onderzoeks)vragen, dan is Peter een betere student en
onderzoeker dan Kees. (Mits hij goed kan slapen en dus uitgerust is en hard studeert.)
The inertial frame of reference
A Definition of Ethical Behaviour