Oorsprong van de Wereld

Dit geschrift is zonder titel overgeleverd. Vanwege de inhoud wordt het algemeen aangeduid met Oorsprong van de Wereld. In de opening blijkt een verteller aan het woord te zijn die wil bewijzen dat er aan de chaos een episode is voorafgegaan.

Uit Pistis vloeit Sophia voort. Met Sophia is hier waarschijnlijk het vrouwelijke deel van Pistis bedoeld. Sophia gaat, zonder haar mannelijke paargenote over tot scheppen. Hierdoor ontstaat de duisternis, het 'onbegrensde chaos'. In dit chaos manifesteren zich de lagere goden, maar ook afgunst en de materie. Pistis Sophia blaast leven in de chaos, zodat vormen kunnen ontstaan. Een heerser over die vormen verschijnt in de gestalte van Jaldabaoth. Deze weet echter niets van af, wat zich voor zijn manifestatie heeft afgespeeld. Hij noemt zich de 'enige' god, die er bestaat en gaat ook tot scheppen over.

Sophia probeert haar fout te herstellen, met het scheppen van de mens. Maar hierin wordt ze behoorlijk door Jaldabaoth en de door hem geschapen androgyne wezens tegengewerkt.

Tekst


Oorsprong van de Wereld

Omdat allen – de goden van de wereld en de mensen – beweren dat er niets voor de chaos bestond, zal ik daarentegen aantonen dat zij allen in dwaling verkeren, omdat ze de oorsprong aan de chaos en haar wortels niet kennen. Ziehier het bewijs:

Iedereen is het er over eens dat de chaos een soort van duisternis is. Maar in feite is het iets dat ontstaan is uit de schaduw en men heeft dit ‘duisterns’ genoemd. De schaduw komt echter voort uit een werkelijkheid die van aanvang af bestond. Het is dus duidelijk dat ze (de eerste werkelijkheid) er al was, voordat de chaos ontstond en dat deze laatste volgde op de eerste werkelijkheid.
Laat ons daarom tot de waarheid van de feiten komen en in het bijzonder tot die van de eerste werkelijkheid, waaruit de schaduw ontstond. Op deze wijze zal de waarheid duidelijk aangetoond worden.

Toen de natuur de onsterfelijke zich uit het grenzeloze tot volheid had gevormd, vloeide een verschijning uit Pistis voort, die Sophia genoemd wordt. Zij beproefde haar wil om een werkelijkheid te creëren, die op het eerste bestaande Licht zou lijken. En onmiddellijk verscheen haar wens als een hemels beeld van ondenkbare grootte, dat zich bevindt tussen de onsterfelijken en degenen die na hen naar het hemelse voorbeeld ontstonden. Het is een gordijn dat de mensheid scheidt van de hemelse sferen.
De eon van de waarheid heeft echter geen schaduw in zijn innerlijk, omdat het mateloze Licht hem geheel vult. Zijn buitenkant echter is schaduw, welke men ‘duisternis’ heeft genoemd. Van daaruit verscheen een macht als heerser over die duisternis. De daarna ontstane machten noemden de schaduw ‘de onbegrensde chaos’. Daaruit ontsproten allerlei [soorten] van godheden […] tezamen met de ganse plaats. [Zo is de schaduw dan] ook van een latere orde dan de eerste werkelijkheid is. Het was <in> de afgrond dat [ze] (de schaduw) verscheen, (in feite) afkomstig van Pistis, waar we zoëven over spraken.

Daarop bemerkte de schaduw dat er een sterkere macht was dan zij. Ze werd jaloers en daar zij van zichzelf zwanger geworden was, baarde ze tegelijkertijd afgunst. En van die dag af was er een beginsel van afgunst in alle eonen en hun werelden. Iedere afgunst echter is als een misgeboorte, omdat er geen pneuma in aanwezig is. Deze kwam nu, evenals de schaduw, in een grote waterige substantie terecht. Daarop werd de uit de schaduw ontstaande haat in een deel van de chaos geworpen. Vanaf die dag werd de waterige substantie manifest. En dat wat er in gezonken was vloeide weg, omdat het in de chaos zichtbaar is. Zoals men bij het baren van een kind al het overtollige weggooit, zo werd de materie, die uit de schaduw was ontstaan in een deel (van de chaos) geworpen en zij kwam niet meer uit de chaos te voorschijn. De materie was in de chaos, omdat ze er een deel van geworden was.

Toen deze dingen waren gebeurd, kwam Pistis en verscheen over de materie van de chaos – die als een misgeboorte was voortgebracht, omdat er geen pneuma in aanwezig was. Tengevolge daarvan is dit alles een grenzeloze duisternis en een bodemloos water.
Toen Pistis nu zag wat de gevolgen van haar misstap waren, werd ze verontrust. Die verontrusting deed ‘vreesachtigheid’ ontstaan, die in de chaos vloeide. Zij wendde zich nu daarheen om in het gezicht te [blazen] (van de vreesachtigheid) in de afgrond, die beneden alle hemelen is.
Toen Pistis Sophia nu wenste dat wat zonder pneuma was, een beeldende vorm aan zou nemen en over de materie en al diens machten zou gaan heersen, verscheen er uit het water allereerst een archont, die de gestalte van een leeuw had en androgyn was en een grote macht in zich had, maar niet wist hoe hij ontstaan was. Toen Pistis Sophia zag hoe hij zich in de diepte van het water bewoog, zei ze tot hem: ‘Jongeling, vestig je over deze oorden!’- wat de betekenis is van “Jaldabaoth’.
Vanaf die dag openbaarde zich het grondbeginsel van het woord, dat tot de goden en de engelen en de mensen is gekomen. En dat wat door het woord ontstond, voltooide de goden en de engelen en de mensen.

De archont Jaldabaoth nu was onkundig van de macht van Pistis. Hij had haar gezicht niet gezien, doch alleen de weerspiegeling daarvan, die in het water tot hem had gesproken. En naar deze stem noemde hij zichzelf ‘Jaldabaoht’. De volkomenen echter noemden hem ‘Ariël’, omdat hij de gestalte van een leeuw had.
Nadat hij op deze wijze was ontstaan en de macht over de materie had verkregen, keerde Pistis Sophia naar haar licht terug.

Toen de archont zijn grootheid zag – en hij zag alleen zichzelf; hij zag geen ander, behalve water en duisternis – dacht hij dat hij alleen was. Zijn [gedachte] voltooide zich door zijn woord (en) verscheen als een geest, die zich in het water heen en weer bewoog. Toen deze geest was verschenen, scheidde de archont de waterige substantie in één deel en zonderde de droge substantie af in een ander deel. En uit de materie schiep hij voor zichzelf een woonplaats, die hij ’hemel’ noemde. En uit de materie schiep hij voor zichzelf een voetenbankje, dat hij ‘aarde’ noemde.

Daarna had de archont – overeenkomstig zijn natuur – een gedachte en bracht, door middel van het woord, een androgyne gestalte voort.
Die opende zijn mond en kirde naar hem.
Toen zijn ogen waren geopend,
keek hij naar zijn vader
en zei tegen hem ý;
en zijn vader noemde hem ‘Yao’.
Toen schiep hij de tweede zoon.
Hij kirde naar hem.
En hij opende zijn ogen en zei tegen zijn vader ‘e’
en zijn vader noemde hem ‘Eloai’.
Daarna schiep hij de derde zoon.
Hij kirde naar hem.
Hij opende zijn ogen en zei tot zijn vader ‘as’
en zijn vader noemde hem ‘Astaphaios’.
Dit zijn de drie zonen van de vader.

Zeven verschenen er in totaal in de chaos als androgyne wezens.
Ze hebben hun mannelijke en hun vrouwelijke naam.
De vrouwelijke naam van Jaldabaoth
is Pronoia Sambathas,
dat is de (voorzienigheid van de ) zevenheid.
Voor zijn zoon nu, die Yao werd genoemd,
is zijn vrouwelijke naam Heerschappij;
Sabaoth’s vrouwelijke naam is Koningschap;
Elaios’ vrouwelijke naam is Afgunst;
Oraios’ vrouwelijke naam is Rijkdom;
En Astaphaios’ vrouwelijke naam is Sophia.
Dit zijn de zeven machten van de [zeven] hemelen van de chaos.

Zij kwamen voort als androgyne wezens in overeenstemming met de onsterfelijke voorbeelden die voor hen bestonden en overeenkomstig de wil van Pistis, zodat het beeld van wat vanaf het begin af had bestaan tot het einde toe zou regeren.
Je kunt de betekenis en de mannelijke kracht van deze namen vinden in ‘Het aartsengelschap van Mozes de profeet’. De vrouwelijke namen vindt men echter in ‘Het eerste boek van Norea’.
Daar nu de archigenètor, Jaldabaoth, grote macht verkregen had, schiep hij door middel van het woord voor elk van zijn zeven zonen prachtige hemelen als woonoord en in iedere hemel grote heerlijkheden, zevenvoudig voortreffelijk, (en) tronen en woonoorden en tempels en triomfwagens en geestelijke maagden. En zoals boven in het onzichtbare rijk met al haar heerlijkheden, had ieder in zijn hemel goddelijke legermachten, heren, engelen en aartsengelen, ontelbare talloze, om (hen) te dienen.
Berichten daarover kan je nauwgezet terugvinden in ‘De eerste Logos van Norea’.
Zo werd alles voltooid van deze hemel tot aan boven de zesde hemel, die van Sophia.

Toen echter werden de hemel en de aarde in grote beroering gebracht door de ‘schokker’, een kracht die beneden hen allen was. En de zes hemelen schudden heftig. Maar de machten van de chaos wisten wie het was, die de hemelen beneden hen had vernietigd. Toen ook Pistis de breuk die uit de verstoring was ontstaan kende, zond zij haar adem, bond die vast en verbande die naar de Tartaros. Vanaf deze dag had de hemel zich, samen met haar aarde, gevestigd door de Sophia van Jaldabaoth, die onder hen allen is.

Toen aldus de hemelen en hun machten, met hun gehele inrichting, zich op deze wijze hadden gevestigd, verhoogde de archigenètor zich en ontving hij de lofprijzingen van het gehele leger van engelen; alle goden en engelen prezen hem. En hij verheugde zich in zijn haart en blufte voortdurend en sprak:
‘Ik heb niemand nodig.’
Hij sprak:
‘Ik ben god en er bestaat geen ander buiten mij.’
Maar toen hij dat zei, zondigde hij tegen alle onsterfelijke, die hem toegelaten en beschermd hadden.
Toen Pistis nu die goddeloosheid van de grote archont zag, werd zij toornig. Onzichtbaar sprak ze tot hem: ‘Je dwaalt Samaël’ – wat betekent blinde god. ‘Een onsterfelijke Licht-mens, die zich in jullie boetseerwerk zal openbaren, is jou voorafgegaan. Hij zal je vertrappen op de manier waarop pottenbakkersklei gestampt word en je zal met wie bij jou horen afdalen naar je moeder, de afgrond. Want met de voleinding van jullie werken zal het ganse tekort, dat door de waarheid in het daglicht is getreden, worden opgelost. Het zal ophouden te zijn en worden tot dat, wat niet geworden is’.
Toen Pistis dit gezegd had, openbaarde ze het beeld van haar grootte in de wateren en keerde toen terug omhoog naar haar Licht.

Toen Sabaoth nu, de zoon van Jaldabaoth, de stem van Pistis hoorde, prees hij haar en veroordeelde [hij] de vader [en zijn moeder]. En, op grond van het woord van Pistis, prees hij haar, omdat zij hem onderwezen had over de onsterfelijke Mens en diens licht. Daarop strekte Pistis Sophia haar vinger en overgoot hem met licht van haar licht, dit ter veroordeling van zijn vader. Toen Sabaoth nu dit licht ontvangen had, kreeg hij een grote macht over alle krachten van de chaos. Sinds die dag wordt hij dan ook ‘Heer van de machten’ genoemd.
Hij haatte zijn vader, de duisternis, en zijn moeder, de afgrond. Hij verfoeide zijn zuster, de gedachte van de archigenètor, zij die heen en weer in het water bewoog. En vanwege zijn licht waren alle machten van de chaos jaloers op hem. En omdat ze verstoord waren, richtten ze in de zeven hemelen een grote oorlog aan.

Maar toen Pistis Sophia deze oorlog aanschouwde, zond ze uit haar licht zeven aartsengelen naar Sabaoth. Deze namen hem op en voerden hem mee n aar de zevende hemel, en zij bleven bij hem als dienaren. Ook zond ze hem nog drie andere aartsengelen en gaf hem het koningschap over allen, zodat zijn macht boven die van de twaalf goden van de chaos zou uitstijgen.
Toen Sabaoth nu door zijn berouw de plaats van rust ontvangen had, gaf Pistis hem bovendien haar dochter Zoè, uitgerust met een grote macht, zo dat ze hem kon onderrichten over alles wat in de achtste hemel is. Daar hij macht was, schiep hij eerst een woonplaats voor zichzelf. Het is een enorme en voortreffelijke (plaats), zeven maal groter dan alle die zich [in de] zeven hemelen bevinden.
En voor zijn woonplaats schiep hij een grote troon die was geplaatste op een triomfwagen die vier gezichten had en ‘cherubijn’ werd genaamd. Deze cherubijn nu had acht gestalten voor ieder van de vier hoeken – leeuwvormen en stiervormen en mens-vormen en adelaar- vormen – zodat al deze vormen er samen vierenzestig zijn. En zeven aartsengelen stonden voor hem. Hij is de achtste, met macht bekleed. Dat is dus in totaal tweeënzeventig. Want van deze troon ontvingen de tweeënzeventig goden een vorm, zij ontvingen een vorm opdat zij konden regeren over de tweeënzeventig talen van de naties. En op die troon schiep hij nog andere slangvormige engelen, ‘Serafijnen’ genoemd, die hem voortdurend bejubelen.
Daarna schiep hij een gemeenschap vol engelen, duizenden, tienduizenden talloze – zoals de gemeenschap die in de achtste hemel is – en een eerstgeborene, Israël genaamd, - dat is ‘de mens die god ziet’ en ook een andere, ‘Jezus Christus’ genaamd, die op de Verlosser boven in de achtste hemel lijkt, en die aan zijn rechterzijde op een heerlijke troon zit. En aan zijn linkerzijde zit op een troon de maagd van de Heilige Geest, die hem prijst. En zeven maagden staan voor haar, en bejubelen hem met hun dertig andere lieren en harpen en trompetten. En al de engelenscharen bejubelen en prijzen hem.
Hij nu zit echter op een troon van licht <verborgen door> een grote wolk die hem bedekt. En er was niemand met hem in de wolk, behalve Sophia <de dochter van> Pistis, die hem onderwees over alles wat in de achtste hemel bestaat, zodat hiervan het beeld geschapen kon worden en het koninkrijk voor hem kon duren tot aan de voleinding van de hemelen van de chaos met hun machten.

Nu scheidde Pistis Sophia hem van de duisternis. Zij ontbood hem aan haar rechterzijde. Maar zij liet de archigenètor aan haar linkerzijde. Sinds die dag wordt rechts ‘gerechtigheid’ en links ‘ongerechtigheid’ genoemd. Vanwege dit alles nu ontvingen zij allen een koninkrijk in de gemeenschap van gerechtigheid en ongerechtigheid <waar zij allen op gegrondvest zijn>. Toen nu de archigenètor van de chaos zijn zoon, Sabaoth, zag en de heerlijkheid waarin hij zich bevond en bemerkte dat hij groter was dan al de machten van de chaos, werd hij jaloers op hem. En omdat hij vertoornd was, verwekte hij Dood van zijn eigen dood. Deze werd boven de zesde hemel gesteld en Sabaoth werd van die plek weggerukt. En aldus werd het getal van de zes machten van de chaos voltooid. Omdat Dood echter androgyn was, vermengde hij zich volgens zijn aard en verwekte zeven androgyne zonen.

Dit zijn de namen van de mannelijke:
Jaloezie,
Gramschap,
Wenen,
Zuchten,
Lijden,
Klagen,
Bitter schreien.
Dit zijn de namen van de vrouwelijke:
Toorn,
Smart,
Lust,
Smachten,
Vervloeking,
Bitterheid,
Twist.

Zij hadden gemeenschap met elkaar en ieder verwekte zeven demonen, zodat zij (samen) negenenveertig androgyne demonen vormen.
Hun namen en hun betekenis zijn te vinden in ‘Het Boek van Solomon’.

Maar daar tegenover schiep Zoè, die met Sabaoth was, zeven androgyne goede machten.
Dit zijn de namen van de mannelijke:
Afgunstloze,
Gezegende,
Vreugde,
Waarachtigheid,
Begeerteloze,
Geliefde,
Betrouwbare.
Voor de vrouwelijke evenwel zijn hun namen:
Vrede,
Blijdschap,
Vreugde,
Gelukzaligheid,
Waarheid,
Liefde,
Geloof.
En veel goede en onschuldige geesten zijn van hen afkomstig. Hun invloed en betekenis zult u vinden in ‘De Vorm van het Lot van de hemelen die zich onder de Twaalf bevinden’.

Maar toen de archigenètor de beeltenis van Pistis in het water zag, werd hij bedroefd; en wel in het bijzonder toen hij haar stem hoorde, (die klonk) als de eerste stem die hem uit het water had geroepen. En toen hij wist dat zij het was die hem een naam gegeven had, zuchtte hij. Hij schaamde zich voor zijn overtreding. En toen hij tot de kennis van de waarheid kwam dat een onsterfelijk Mens van Licht al voor hem bestond, was hij erg ontdaan dat hij eerst tot alle goden en hun engelen had gezegd: ‘Ik ben god en er bestaat buiten mij geen ander.’ Hij was bevreesd geworden dat zij zouden weten dat er al wel een ander vóór hem bestond en (dat zij) hem dan zouden veroordelen.
Maar als een dwaas verachtte hij zo’n veroordeling en handelde roekeloos en zei: ‘Als er iemand voor mij is, laat hij zich dan openbaren, zodat wij zijn licht kunnen aanschouwen.’
En zie, onmiddellijk daarop kwam een licht uit de achtheid van boven dat alle hemelen van de aarde doorwandelde.
Toen de archigenètor zag dat het licht in zijn schijnsel prachtig was, was hij verbaasd en schaamde zich diep. En in het licht dat verscheen openbaarde zich een menselijke gestalte van grote pracht, en niemand zag dit, behalve de archigenètor en Pronoia, die met hem was. Diens licht verscheen echter wel aan alle machten van de hemelen, die daarover in grote beroering geraakten.

Toen Pronoia nu de Engel zag, werd ze verliefd op hem. Maar deze haatte haar, omdat ze in de duisternis was. Ze wilde hem toch omhelzen, maar was daartoe niet in staat. En toen ze haar liefde niet kon bevredigen, stortte zij haar licht(beeld) over de aarde uit.
Vanaf die dag werd deze Engel ‘Licht-Adam’ genoemd, wat betekent ‘de verlichte mens van bloed’. En de aarde, waar het (licht) zich over uitstrekt, ‘de heilige Adamas’, wat betekent ‘de heilige aarde Adamantine’.
En vanaf die dag vereerden alle machten het bloed van de maagd. En de aarde werd gezuiverd door het bloed van de maagd.
Nog meer echter werd het water gezuiverd door de beeltenis van Pistis Sophia, die aan de archigenètor in de wateren was verschenen, of beter gezegd: ‘door de wateren’, omdat het heilige water alles levend maakt, zuivert het ook.

Uit dit eerste bloed verscheen Eros, een androgyn wezen. Zijn mannelijke natuur is Himeros, omdat hij vuur uit het licht is. Zijn vrouwelijke natuur, die bij hem is, een ziel van bloed, is afkomstig uit de natuur van Pronoia. Hij is prachtig in zijn schoonheid en is beminnelijker dan alle schepselen van de chaos.
Toen nu alle goden en hun engelen Eros zagen, raakten ze verliefd op hem. Maar toen hij zich onder hen openbaarde, zette hij ze in brand. Want zoals vele lampen worden ontstoken door één enkele lamp en het enkele licht daarin achterblijft – terwijl de lamp dus niet gedoofd is -, zo was Eros verstrooid in alle schepselen van de chaos, zonder zelf uit te doven.
En zoals Eros nu verschenen was uit het midden tussen licht en duisternis en de seksuele vereniging van Eros zich temidden van de engelen en de mensen voltrok, zo ook ontsproot de eerste wellust uit de aarde.
De vrouw volgde de aarde
en bruiloft volgde de vrouw
en geboorte volgde op bruiloft
en ontbinding volgde op geboorte.

Na Eros ontsproot de wijnstok, uit het bloed dat over de aarde was uitgestort. Daarom verwerft wie wijn drinkt de lust tot seksuele vereniging. Na de wijnstok ontsproten een vijgenboom en een granaatappelboom uit de aarde samen met de overige bomen, elk volgens zijn soort, waarbij zij het zaad in zich dragen dat afkomstig is uit het zaad van de machten en hun engelen.

Toen schiep de gerechtigheid het Paradijs. Het is prachtig en licht buiten de omloop van de maan en de omloop van de zon in het weelderige land dat in het oosten is temidden van de stenen. En verlangen bevindt zich in het midden van de mooie hoge bomen. En de boom van onsterfelijk leven, zoals deze was geopenbaard door de wil van God, is in het noorden van het Paradijs, om de zielen van de heiligen onsterfelijk te maken, (dat zijn) zij die zullen komen uit de gemodelleerde vormen van gebrek, in de voleinding van de eon. De kleur van de boom van het leven is nu als de zon en haar takken zijn prachtig. Haar bladeren lijken op die van een cipres. Haar vruchten zijn als trossen witte druiven. Haar hoogte reikt tot de hemel.
En aan haar zijde (bevindt zich) de boom der kennis, die de kracht van God bezit. Haar glans is als de uitbundig schijnende maan. En haar takken zijn prachtig. Haar bladeren zijn als vijgenbladeren. Haar vruchten zijn als de goede grote dadels. En (ook) deze boom bevindt zich aan de noordzijde van het paradijs om de zielen uit de verdoving van de demonen te wekken zodat (als) ze tot de boom des levens kunnen komen en haar vruchten eten de machten en hun engelen veroordelen.
Over de uitwerking van deze boom is in ‘Het Heilige Boek’ geschreven:
‘Gij zijt de boom der kennis,
die in het Paradijs staat,
van welke de eerste man at
en die zijn bewustzijn opende,
zodat hij verliefd werd op zijn vrouwelijke evenbeeld,
en andere vreemde gedaanten veroordeelde,
en hen verafschuwde.’

Daarna ontsproot de olijfboom, die kwam om koningen en hogepriesters van de gerechtigheid, die in de laatste dagen zullen verschijnen, te zuiveren. De olijfboom openbaarde zich in het licht van de eerste Adam omwille van de zalving die zij zullen ontvangen.
En de eerste Psyche beminde Eros, die met haar was, en goot haar bloed op hem en op de aarde. En uit dat bloed ontsproot op aarde de eerste roos uit de doornstruik tot een bron van vreugde voor het licht dat in het braambos zou verschijnen.
Daarna ontsproten prachtige, heerlijk geurende bloemen uit de aarde, elk volgens zijn soort, van elk van de maagden van de dochters van Pronoia. Toen zij (ook) verliefd geworden waren op Eros, overgoten zij hem en de aarde met hun bloed.
Daarna ontsproot ieder kruid uit de aarde, elk volgens zijn soort en met het zaad van de machten en hun engelen in zich. Daarna schiepen de machten uit de wateren alle soorten van dieren en reptielen en vogels, verscheidene soorten, en met het zaad van de machten en hun engelen in zich.

Nadat hij (de Licht-Adam) zich voor dit alles op de eerste dag had geopenbaard, verbleef hij (nog) omstreeks twee dagen op de aarde. Hij liet de lagere Pronoia in de (zesde) hemel achter en begon naar zijn Licht op te stijgen. En onmiddellijk kwam m er duisternis over de hele wereld.

Toen Sophia echter, die in de lagere hemel was, een macht van Pistis wenste te ontvangen, schiep ze grote lichtkronen en ook alle sterren en plaatste deze in de hemel, om de aarde te beschijnen. En zij voltooide op deze wijze de astrologische tijd-tekens en seizoenen en jaren en maanden en dagen en nachten en ogenblikken en al het overige. En zo werd alles in de hemel geordend.

Toen de Licht-Adam zijn Licht wilde binnengaan – dat wil zeggen in de achtste hemel – was hij daartoe niet meer in staat, omdat het tekort zich met zijn Licht had vermengd. Toen schiep hij voor zichzelf een grote eon en in deze eon schiep hij weer zes eonen en hun werelden, zes in getal, die echter zevenvoudig schitterender waren dan de hemelen van de chaos en hun werelden. Want al deze eonen en hun werelden bevinden zich in de oneindigheid die zich tussen de achtste hemel en de chaos daaronder uitstrekt en gerekend wordt tot de wereld die bij het tekort behoort.
Als je daarvan de samenstelling wilt weten, zal je het geschreven vinden in ‘De Zevende Kosmos van de profeet Hiëralaias’.

Voordat echter de Licht-Adam zich uit de chaos had teruggetrokken, hadden de machten hem gezien en deze bespotten de archigenètor, omdat deze gelogen had toen hij zei: ‘Ik ben god en er is geen ander buiten mij’. Toen ze tot hem kwamen, zeiden ze: ‘Is dat niet de god, die ons werk vernietigd heeft?’ Hij antwoordde en zei: ‘Ja. Als jullie willen dat hij onze werkelijkheid niet verder zal vernietigen: kom, laat ons dan een mens uit de aarde scheppen, naar het beeld van ons lichaam en naar de gelijkenis van hem (de Licht-Adam), zodat deze (mens) ons kan dienen. Zodat hij als hij (de Licht-Adam) zijn evenbeeld zal zien erop verliefd zal worden. Want dan zal hij ons niet meer vernietigen, en wij zullen ons wat uit het licht werd voortgebracht tot dienaar maken voor de ganse tijd van deze eon.’

Dit alles gebeurde in overeenstemming met de voorzienigheid van Pistis, zodat de mens zich naar zijn evenbeeld zou openbaren en hen (de machten) vanwege hun gemodelleerde vorm zou veroordelen. En hun vorm werd een omheining voor het licht.
Daarna ontvingen de machten de kennis om de mens te scheppen. Sophia Zoè, die met Sabaoth is, was hen voor en zij lachte om hun besluit. Want zij zijn blind: in onwetendheid schiepen zij hem tegen zichzelf in. En zij weten niet wat ermee aan te vangen.
Zij was hen voor en heeft haar eigen mens het eerste geschapen zodat die de door hen (de machten) gemodelleerde vorm kon onderwijzen hoe hij hen kon veroordelen en ook hoe hij zo aan hen kon ontsnappen.

De geboorte van deze onderwijzeres geschiedde nu op deze wijze: toen Sophia een lichtdruppel plengde, bleef deze op het water drijven. Onmiddellijk verscheen de mens, die androgyn was.
Deze druppel vormde zich eerst tot een vrouwelijk lichaam. Daarop vormde zich in het lichaam de gestalte van de moeder, die verschenen is. En zij voltooide dit (alles) in twaalf maanden. Toen werd een androgyn mens geboren, zoals de Grieken die aanduiden met ‘hermaphrodiet’. De Hebreeën echter noemen de moeder ‘Levens-Eva’, dat is de onderwijzeres van het leven. Maar haar zoon is het schepsel dat Heer is. Daarna noemden de machten hem ‘het beest’ om daarmee hun vormen te misleiden. De betekenis van ‘het beest’ is ‘de onderwijzer’. Omdat zij vonden dat hij wijzer was dan allen.
(Levens-) Eva nu is de eerste maagd, degene die zonder echtgenoot haar eerste nageslacht voortgebracht heeft. Zij is het die haar eigen vroedvrouw was.
Daarom wordt er over haar verteld dat zij gezegd zou hebben:
‘Ik ben de leden van mijn moeder,
en ik ben de moeder.
Ik ben de vrouw,
en ik ben de maagd.
Ik ben die zwanger is.
Ik ben de vroedvrouw.
Ik ben de troosteres der weeën.
Mijn man is het die mij voortbracht
en ik ben zijn moeder,
en hij is mijn vader en mijn heer.
Hij is mijn kracht.
Dat wat hij wenst, spreekt hij uit.
Ik ben nog in mijn wordingsproces
Maar ik heb een mens als heer gebaard.’

Deze dingen werden nu door de wil van Sabaoth en zijn Christus geopenbaard aan de zielen die in de vormen van de machten zouden komen. Van deze heeft de heilige stem gezegd: ‘Vermenigvuldig en gedijt om te heersen over alle schepselen’. Want dat waren zij die, overeenkomstig hun lot, door de archigenètor gevangen genomen waren en zo waren opgesloten in de gevangenis van de gemodelleerde vormen, tot aan de voleinding der eon.
Op dat tijdstip echter verkondigde de archigenètor aan hen die bij hem waren zijn voornemen betreffende de mensen. En ieder van hen stortte zijn zaad in het midden van de navel der aarde.
Vanaf die dag hebben de zeven heersers een mens gevormd: zijn lichaam is als hun lichaam, maar zijn beeltenis is gelijk aan de Mens die aan hen was verschenen. Zijn vorm kwam tot stand door samenvoeging van delen van ieder van hen. Hun overste schiep het brein en het ruggenmerg.
Daarna verscheen hij als die hem vooraf ging. Hij werd een psychische mens en werd Adam, dat is ‘vader’, genoemd, in overeenstemming met de naam van wie hem vooraf ging.

Toen zij Adam vervolmaakt hadden, legden ze hem in een vat, want hij had de vorm van een misgeboorte, omdat er geen geest in (hem) aanwezig was. De opperarchont was namelijk bevreesd, gedachtig de woorden van Pistis, dat de ware Mens in zijn vorm zou treden en erover zou gaan heersen.
Daarom liet hij zijn vorm zonder ziel veertig dagen liggen, trok zich terug en liet hem alleen achter.

Op de veertigste dag echter zond Sophia-Zoè haar adem naar Adam, in wie(dus nog) geen ziel was. Hij begon zich op aarde te bewegen, maar hij kon nog niet opstaan.
Toen de zeven archonten terugkwamen en hem zo zagen, waren ze hevig ontsteld. Zij kwamen bij hem, grepen hem en spraken tot de adem die in hem was: ‘Wie ben jij? En vanwaar ben je hierheen gekomen?’ Zij antwoordde en sprak: ‘Ik ben door de macht van de Mens gekomen, omwille van de vernietiging van jullie werk’.
<…> Toen zij dit hoorden, prezen ze hem, omdat hij rust gaf aan hun vrees en zorgen, die in hen waren. En zij noemden die dag ‘de rust’, omdat zij rustten van hun arbeid.
En toen ze zagen dat Adam niet kon opstaan, verheugden ze zich, namen hem mee en plaatsten hem in het paradijs en keerden daarna in hun hemelen terug.

Na deze rustdag zond Sophia haar dochter Zoè, die Eva genoemd wordt, als onderwijzeres, om Adam, in wie geen ziel was, op te wekken, zodat zijn nakomelingen vaten vol licht zouden worden.
Toen Eva haar mannelijke tegenbeeld zag liggen, kreeg ze medelijden met hem en zei: ‘Adam, leef! Rijs op van de aarde!’ Onmiddellijk werd haar woord daad. En toen Adam opstond, opende hij tegelijkertijd zijn ogen. Toen hij haar zag, sprak hij: ‘Je zult de moeder des levens worden genoemd, want jij bent het die mij het leven hebt gegeven.’

Daarop liet men de machten weten dat hun vorm leefde en was opgestaan. Ze geraakten in grote beroering en zonden zeven aartsengelen om te kijken wat er gebeurd was.
Zij kwamen bij Adam en toen zij Eva met hem zagen spreken, zeiden ze tegen elkaar: ‘Wie is dat vrouwelijke licht? Voorwaar, zij lijkt op de beeltenis, die ons in het licht is verschenen. Kom; laten we haar grijpen en ons zaad in haar storten, zodat zij, als ze bevlekt is, niet meer naar haar licht kan opstijgen. Sterker nog: de uit haar geborenen zullen ons dan onderdanig worden.
Aan Adam moeten we niet vertellen dat hij er geen van ons is. We zullen hem in een sluimertoestand brengen en zullen hem in zijn slaap influisteren dat zij uit zijn zijde is ontstaan. Daarmee zal de vrouw (hem) dan onderdanig zijn en zal hij heer over haar zijn.’

Eva, een kracht, lachte echter om hun voornemen. Zij betoverde hun ogen en liet haar evenbeeld heimelijk bij Adam achter.
Ze trad in de boom der kennis en verbleef daar. Zij vervolgden haar echter maar zij liet hen zien dat zij in de boom was gegaan, boom geworden was. Toen geraakten ze in grote angst, en vluchtten, de blinden.

Later, toen ze uit hun verblinding loskwamen, gingen ze [naar Adam]. En toen zij de beeltenis van die vrouw naast hem zagen, geraakten ze in grote beroering, omdat ze dachten dat het de echte Eva was. En ze handelden roekeloos, naderden haar, grepen haar beet en stortten hun zaad in haar.
Zij deden dit op een schurkachtige wijze, door haar niet alleen op de natuurlijke manieren te bezoedelen, maar ook op perverse manieren. Ze schonden het zegel van haar eerste stem, die daarvoor met hen gesproken had; ‘Wat is het dat reeds voor jou bestaat?’ Dit met de bedoeling hen te bezoedelen van wie gezegd wordt dat zij tot de voleinding <existeren>, zij die voortgekomen zijn uit de Ware Mens, door middel van het woord.
En zij vergisten zich, omdat ze niet wisten, dat ze hun eigen lichaam hadden bevlekt. Het was slechts de afbeelding die de machten en hun engelen op allerlei manieren hadden bezoedeld.
Zij (Eva) werd nu door de eerste archont zwanger van Abel en door de zeven machten en hun engelen van de overige zonen die ze baarde.

Nu gebeurde dit alles in overeenstemming met de voorzienigheid van d archigenètor, zodat de eerste moeder in haarzelf elk soort zaad kon voortbrengen, dat vermengd is met de bestemming der wereld en haar verschijningen en in de aardse gerechtigheid kon worden ingevoegd.
Omwille van (de aardse) Eva ontstond er een plan, dat de door de machten geschapen vormen tot omheiningen voor het licht zouden worden, waarin dit (licht) hen zou veroordelen door middel van hun eigen vormen.
De eerste Adam van het Licht nu is geestelijk. Hij verscheen op de eerste dag. De tweede Adam is begiftigd met een ziel. Hij verscheen op de zesde dag, die ‘Aphrodite’ is genoemd. De derde Adam echter is van de aarde, dat is de man van de wet. Hij verscheen op de achtste dag, […] rust van het tekort, welke ‘zondag’ wordt genoemd.
Het nageslacht van de aardse Adam werd talrijk en volkomen. Zij ontwikkelde in zichzelf iedere kennis van de Ziele-Adam. Maar (toch) waren allen in onwetendheid.

Laat me echter doorgaan.
Toen de archonten nu zagen, dat Adam, en die bij hem was, in onwetendheid dwaalden, zoals de dieren, verheugden ze zich.
<…> Omdat zij echter wisten dat de Onsterfelijke Mens hen (Adam en Eva) niet aan hun lot zou overlaten en zij bovendien ook nog die, welke boom geworden was, moesten vrezen, geraakten ze in grote beroering. Zij spraken: ’Is dit wellicht de ware mens, die ons verblind heeft en die ons heeft onderwezen over de bevlekte vrouw, die op hem (de ware Mens) gelijkt, om ons op die manier te overwinnen?’
Daarop beraadden de zeven zich en gingen bevreesd naar Adam – en Eva – toe en spraken tot hem: ‘Alle bomen die zich in het paradijs bevinden en waarvan je de vruchten kunt eten, zijn voor jou geschapen. Maar pas op! Eet niet van de boom der kennis (gnosis). Want als je daarvan eet, zal je sterven’. En nadat zij hen in grote vrees hadden achtergelaten, keerden ze tot hun machten terug.

Toen kwam hij die wijzer is dan allen, hij die ‘het beest’ wordt genoemd. Toen hij de beeltenis van haar moeder Eva zag, zei hij tot haar: ‘Wat zei god tegen jou? Eet niet van de boom der kennis?’Zij zei: ‘Hij heeft niet alleen gezegd “eet niet van”, maar (ook) “Raak hem niet aan, opdat je niet zal sterven”’. Toen sprak hij tot haar: ‘Vrees niet! Je zult de dood niet sterven. Het is omdat hij weet dat, als je ervan eet, je bewustzijn wordt opgewekt en je zult zijn als de goden, omdat je dan het onderscheid kent dat tussen de boze en de goede mensen bestaat. Hij heeft dit namelijk gezegd omdat hij afgunstig is en niet wil dat je van de boom eet’.
Evan nu vertouwde op het woord van de onderwijzer. Ze keek naar de boom, ze zag dat hij mooi en hoog was. Ze kreeg hem lief, ze nam zijn vrucht, at, en gaf haar gemaal, die (er) ook (van) at. Toen werd hun bewustzijn geopend: toen ze namelijk gegeten hadden, verlichtte hen het licht der gnosis. Toen bekleedden ze zich met schaamte (want) ze wisten dat ze naakt waren met betrekking tot de gnosis. Toen ze nuchter waren geworden, zagen ze dat ze bloot waren en ze werden verliefd op elkaar. Toen ze zagen dat zij die hen gemaakt hadden diervormig waren, verafschuwden ze hen: ze waren zeer bewust.

Toen de archonten nu beseften dat zij hun gebod hadden overtreden, kwamen ze met aardbevingen en grote bedreigingen naar Adam en Eva in het paradijs om het resultaat van de hulp in ogenschouw te nemen. Adam en Eva raakten echter in beroering en verborgen zich onder de bomen in het paradijs. De archonten wisten toen niet waar ze waren. Zij spraken: ‘Adam, waar ben je?’ Hij sprak: ‘Ik ben hier. Uit vrees voor u heb ik me hier met schaamte verstopt’. En zij spraken tot hem in onwetendheid: ‘Wie heeft je over die schaamte, warmee je je bekleedde, verteld als je niet van deze boom gegeten hebt?’ Hij sprak: ‘De vrouw die u mij gegeven heeft, zij is het die mij heeft gegeven en ik at’. Toen vroegen ze aan de laatste: ‘Wat heb je gedaan?’ Zij antwoordde en zei: ‘Het is de onderwijzer die me ertoe heeft aangezet en ik at’.
Daarop gingen de archonten naar de onderwijzer. Maar hun ogen werden door hem verblind en ze konden hem dus niets aandoen. Zij vervloekten hem nu, omdat ze machteloos waren.
Daarna gingen ze naar de vrouw en vervloekten haar en haar kinderen. Na de vrouw vervloekten ze ook Adam en door hem ook de aarde en diens vruchten. En alle dingen die ze geschapen hadden vervloekten ze.
(Enige vorm van ) zegen hebben zij niet. Het is onmogelijk dat ‘goed’ voortgebracht kan worden uit ‘kwaad’.

Vanaf die dag wisten de machten dat er werkelijk iets sterkers tegenover hen stond; zij erkenden dat dit zich niet aan hun geboden had gehouden. En ze brachten een grote afgunst in de wereld, enkel en alleen vanwege de onsterfelijke mens.
Nu de archonten zagen dat hun Adam een andere kennis had verworven, wilden ze hem op de proef stellen. Zij verzamelden alle huisdieren en wilde beesten van de aarde en de vogelen van de hemel. Zij brachten deze bij Adam om te zien hoe hij hen zou noemen. Toen hij ze zag, gaf hij een naam aan hun schepselen. Zij waren ontstemd dat Adam over alles kennis had verworven. Zij verzamelden zich en hielden beraad en zeiden: ‘Kijk, Adam is een van ons geworden, omdat hij het onderscheid tussen licht en duisternis kent. Nu is hij nog alleen verleid door de boom der kennis, maar straks zal hij ook van de boom des levens eten en dan zal hij de onsterfelijkheid ontvangen en heer over ons worden en hij zal [ons] dan verachten en onze hele heerlijkheid geringschatten. En uiteindelijk zal hij ons en onze kosmos dan veroordelen. Kom! Laat ons hem uit het paradijs gooien, naar onder op de aarde, waaruit hij ontstaan is; zodat hij niet langer in staat zal zijn de dingen beter te weten dan wij’. En ze wierpen Adam en zijn vrouw uit het paradijs.

Maar wat ze gedaan hadden, bevredigde hen nog niet geheel, want ze waren nog (steeds) bevreesd. Ze gingen naar de boom des levens, die ze met grote afschrikkingen omgaven: vurige levende wezens, cherubijnen genaamd. En temidden van hen plaatsen ze een brandend zwaard dat doorlopend met een grote afschrikking ronddraait, opdat geen aards wezen deze plaats ooit zou betreden.
Omdat de archonten jaloers op Adam geworden waren, wilden ze daarna de levenstijd (van Adam en Eva) verminderen. Mar daartoe waren ze niet in staat door het lot, dat vanaf het begin was vastgesteld. Voor ieder was (namelijk) een levenstijd bepaald op éénduizend jaar, overeenkomende met de levensloop der verlichten. Maar omdat de archonten niet in staat waren zulks te doen, nam de levenstijd van eenieder die kwaad deed met tien jaar af. En al deze tijd bedraagt 930 jaar en wel in smart en in zwakte en in boze beroering. En vanaf die dag voltrok zich het leven op deze manier; tot aan de voleinding der eon.

Toen Sophia Zoè nu zag dat de archonten der duisternis haar evenbeelden vervloekt hadden, werd ze toornig. En nadat ze met al haar macht uit de eerste hemel (van bovenaf gerekend) was afgedaald, verdreef ze de archonten uit [hun] hemelen en wierp hen in de zondige [kosmos], zodat ze daar, op de aarde, zouden verblijven als kwade demonen.
[En zij schiep iets] dat in hun wereld de duizend jaren van het paradijs zou doorbrengen: een bezield levend wezen, feniks genaamd. Het doodt zichzelf en brengt zichzelf tot leven tot de voleinding van de eon, als getuige van het oordeel over hen; daar zij onjuist met Adam en zijn geslacht handelden.
Er zijn drie mensen(typen) en hun geslachten in de wereld, tot aan het einde van de wereld: het spirituele van de eon, het bezielde en het aardse.
Dat is als de drie gedaanten van de feniks uit het paradijs: de eerste is onsterfelijk, de tweede leeft duizend jaar, en van de derde is in het Heilige Boek geschreven dat hij verteerd wordt.
Er bestaan eveneens drie soorten van doop: de eerste is geestelijk, de tweede is door vuur en de derde is door water.
Zoals de feniks verschijnt als een getuige voor de engelen, zo zijn ook de waterslangen in Egypte getuigen geweest van wat naar beneden kwam tijdens de doop van een waar mens.
De twee stieren in Egypte hebben de zon en de maan als een mysterie, dat als een getuigenis voor Sabaoth is. Namelijk dat Sophia over hen het universum ontving; vanaf de dag dat zij de zon en de maan schiep en haar hemel verzegelde tot aan de voleinding van de eon.
De worm nu, die uit de feniks is voortgebracht, is eveneens een mens. Daarover is geschreven: ‘De rechtvaardige zal ontspruiten als een feniks’. En de feniks verschijnt eerst levend, sterft dan, en rijst weer op, als een teken van hem die zal verschijnen aan het eind van [de eon].
Deze grote tekens [verschenen] alleen in Egypte en niet in andere landen; beduidende dat het als het paradijs van god is.

Laat ons nu weer op de heersers terugkomen waarover we gesproken hebben, zodat we een verklaring van hen kunnen geven.
Toen de zeven archonten nu uit hun hemelen op de aarde geworpen waren, schiepen zij voor zichzelf engelen – dat zijn vele demonen – om hen te dienen. Doch deze leerden de mensen veel dwaasheden: magie, tovenarij, godsdienst, bloedvergieten, altaren, tempels, offers en dankstonden voor alle demonen der aarde, waarbij ze het lot als hun medewerkster hebben; (het lot) dat in overeenstemming met de goden der ongerechtigheid en gerechtigheid, was geschapen.
En toen de kosmos aldus in verwarring was gebracht, kwam deze op een dwaalspoor: want alle mensen op aarde dienden de demonen vanaf de schepping tot aan de voleinding – de engelen der gerechtigheid enerzijds en de mensen der ongerechtigheid (anderzijds) – dus geraakte de kosmos in verwarring, onwetendheid en bedwelming. Allen volgden een dwaalspoor, tot aan de verschijning van de Ware Mens.

Laat dit voor zover genoeg zijn. We willen nu komen tot onze wereld, waarmee we het verhaal over haar hoedanigheid en haar inrichting op nauwgezette wijze zullen voltooien.
Dan zal het duidelijk worden hoe het geloof in het onzichtbare rijk dat bestaat vanaf de schepping to aan de voleinding der eon werd geopenbaard.

Ik kom nu tot de hoofdpunten [betreffende] de onsterfelijke mens. Ik zal over al de zijnen spreken en (over) waarom zij hier in deze oorden zijn.
Mensenstammen, ontstaan uit Adam, werden gevormd. Ingevolge de materie zijn de archonten heer over de kosmos, die reeds vol geworden was. Dat betekent: zij hebben hen in onwetendheid gelaten.
Wat is daarvan de reden? Deze: sinds de onsterfelijke Vader weet dat een tekort uit de waarheid in de eonen en hun wereld is ontstaan, heeft hij, omdat hij de archonten hun kracht wilde ontnemen door middel van hun eigen creaties, jullie evenbeelden in de wereld van het verderf gezonden; namelijk de zalige onschuldige kleine geesten. Zij zijn de gnosis niet vreemd.
Want de totale gnosis is aanwezig in een engel, die voor hen openbaar is. Hij is in het gezelschap van de vader niet zonder macht; en deze gaf hem de gnosis. Zodra zij nu in de wereld van de vernietiging verschijnen, onthullen zij onmiddellijk het voorbeeld van de Onvergankelijkheid, als een veroordeling van de archonten en hun krachten.
Zodra de zaligen in de gemodelleerde vormen van de machten verschenen, werden deze jaloers op hen. En door die jaloezie vermengden de machten hun zaad met hen, om hen te bevlekken. Maar daartoe waren zij niet in staat.
Toen nu de zaligen zich in een verlichte vorm openbarden, verschenen ze op afzonderlijke wijze. En ieder van hen verscheen op aarde en openbaarde zijn gnosis aan de zichtbare gemeenschap die tot aanzijn is gekomen in de vormen van het verderf. Men heeft ontdekt dat zij (de gemeenschap) ieder zaad in zich had, omdat het [vermengd] was met het zaad der machten.

Daarom heeft de Verlosser [ieder afzonderlijk] uit hen allen gevormd en de geesten van deze [manifesteren zich] als uitverkorenen en zaligen, (elk) verschillend in (hun) uitverkiezing. En vele anderen, die zonder koning zijn, zijn meer uitverkoren dan anderen die hen voorafgingen.
Daarom bestaan er vier rassen. Drie behoren tot de koningen van de achtste hemel, maar het vierde ras is volkomen en koningsloos en is hoger dan alle andere. Die zal het heilige oord des Vaders binnentreden en rusten in een rust, in een eeuwige, onuitsprekelijke heerlijkheid en in een oneindige vreugde.
Want zij zijn als onsterfelijken nu reeds koningen in het sterfelijke. Zij zullen over de goden der chaos en hun machten oordelen.
Want de Logos, die verhevener is dan ieder ander, werd alleen voor dit doel gezonden: dat hij dat zou verkondigen wat niet bekend was. Hij sprak: ’Er is niets verborgen, dat niet openbaar is en wat niet bekend is zal bekend worden!’
En deze werden gezonden om het verborgene te openbaren en de zeven machten der chaos en hun goddeloosheid aan de kaak te stellen. Alzo werden zij ter dood veroordeeld.

Als evenwel alle volkomenen
zich in de gemodelleerde vormen
van de archonten bekend zullen maken
en de waarheid, die haar gelijke niet heeft,
zullen openbaren,
zullen zij alle wijsheden der goden
tot schaamte brengen.
En hun lot
zal als een veroordeling worden bevonden.
En hun macht zal worden gedoofd.
Hun heerschappij zal worden vernietigd.
Hun vooruitzicht [en hun] heerlijkheden
zullen [leeg] worden.
Voor de voleinding [van de eon] zal het gehele oord
wankelen door een grote aardbeving.
Dan zullen de archonten treuren
[en schreien over] hun dood.
De engelen zullen hun mensen betreuren en
de demonen zullen hun tijden bewenen
en hun mensen zullen klagen
en schreien om hun dood.
Dan zal de eon beginnen
en zij zullen in beroering raken.
Hun koningen zullen dronken worden
van het brandend zwaard en elkaar bevechten,
zodat de aarde dronken wordt van het bloed
dat zal worden vergoten.
En de zeeën zullen door de oorlogen
worden vertroebeld.
Dan zal de zon verduisteren en
de maan haar licht verliezen.
De sterren der hemelen zullen hun loop veranderen
en een grote donder zal komen uit een grote macht,
die boven de krachten van de chaos is:
de plaats, waar het firmament van de vrouw is.
Omdat zij de eerste werkelijkheid heeft geschapen
zal ze het wijze vuur van het inzicht afleggen
en zich kleden met dwaze toorn.
Dan zal ze (Sophia) de goden verdrijven uit de chaos
en (samen met) de archigenètor,
die ze geschapen heeft,
in de afgrond werpen.
Ze zullen uitgewist worden
Door hun ongerechtigheid.
Dan zullen ze als vuurspuwende bergen worden
en elkaar opvreten,
tot ze door de archigenètor worden vernietigd.
En als hij hen heeft vernietigd,
zal hij zich tot zichzelf wenden
en zichzelf vernietigen,
totdat hij ophoudt te bestaan.
En hun hemelen zullen de een na de ander
uit elkaar vallen
en hun machten zullen door vuur worden verteerd.
Hun eonen zullen ten onder gaan.
En zijn hemel zal openvallen
en in tweeën breken.
Zijn [kosmos zal echter op de aarde] neervallen
en wel zo dat deze ze niet kan dragen
en zo zullen ze in de afgrond storten
en de afgrond zal ten onder gaan.
Het licht zal de duisternis [bedekken]
en deze uitwissen.
Ze zal worden als dat wat niet geworden is.
En het product dat de duisternis is gevolgd
zal zich oplossen
En het tekort zal bij haar wortel worden uitgetrokken
en beneden in de duisternis (worden geworpen).
En het Licht zal terugkeren tot zijn wortel.

En de heerlijkheid der Onverwekte
zal zich openbaren
en alle eonen vervullen;
als de profetie en het verhaal van hen,
die koningen zijn,
openbaar wordt en voleindigd is
door hen die ‘volkomenen’ worden genoemd.
Zij echter die niet volkomen geworden zij
in de Onverwekte Vader,
zullen hun heerlijkheden ontvangen
in hun eonen en
in de onsterfelijke koninkrijken.
Zij zullen echter nooit
het ‘rijk zonder koning’ binnengaan.
Want iedereen moet gaan
naar de plaats vanwaar hij is gekomen.
Zo zal door zijn handelwijze
en zijn kennis
eenieder zijn wezen openbaren.