Voor het verkrijgen van inzicht in de bedrijfsvoering relevantie naar tijd nodig is. Hiertoe moeten kosten zoveel als nuttig en nodig is, worden toegewezen aan de juiste periode. Dit geldt o.a. voor de kosten die gemaakt worden voor de aanschaf van vaste activa, zoals gebouw, auto en inventaris. Het spreekt voor zich, dat als u dit jaar een auto aanschaft van € 50.000, dit bedrag niet in zijn geheel op de winst van dit jaar mag drukken. U zult dit moeten verdelen over de periodes waarin u de auto gaat gebruiken. Een andere overweging is, dat zaken in de loop der jaren aan slijtage en waardeverminderingen onderhevig zijn. Dit zijn de twee motieven om af te schrijven.
Aanschafwaarde. Dit is het bedrag dat historisch is betaald voor het vaste activum.
Afschrijving. Dit is het bedrag van de waardevermindering die aan een bepaalde periode wordt toegewezen.
Cumulatieve afschrijving. Dit is het totaal aan afschrijvingen sinds de aanschaffing.
Boekwaarde. Dit is de waarde op de balansdatum. in formule: aanschafwaarde -/- cumulatieve afschrijving = boekwaarde.
Restwaarde. Dit is de waarde van waaraf niet verder wordt afgeschreven. Uiteindelijk wordt de boekwaarde dus gelijk aan de restwaarde en zal dan onveranderd op de balans worden weergegeven totdat het vaste activum wordt afgeschaft of verkocht.
In deze cursus worden twee methoden behandeld:
