ISABELLA HENRIËTTE VAN EEGHEN

Terug naar "biografieŽn"

Amsterdam 3 februari 1913 - Amsterdam 26 november 1996

Isabella Henriëtte van Eeghen werd op 3 februari 1913 geboren te Amsterdam. Zij stamt uit een doopsgezinde familie die sinds het midden van de negentiende eeuw een groot aantal initiatieven heeft genomen ten behoeve van de stad Amsterdam. De Van Eeghens stonden aan de wieg van het Vondelpark en het Concertgebouw en droegen bij aan de inrichting van de Waag op de Nieuwmarkt tot Historisch Museum. De verzameling Jan Luyken in het Amsterdams Historisch Museum is eveneens bijeengebracht en geschonken door een Van Eeghen.

Isa Van Eeghen heeft haar hele leven gewoond en gewerkt in Amsterdam. Haar lagere-schooltijd bracht zij door op de Vrij-school. Daarna volgde de Middelbare Meisjes School. Zij wist al op jonge leeftijd dat ze geschiedenis wilde studeren en om dat te verwezenlijken, is zij direct na haar middelbare school zich gaan voorbereiden op het staatsexamen gymnasium alfa. Het diploma behaalde zij in één jaar en in 1931 begon zij op de Universiteit van Amsterdam aan haar geschiedenisstudie bij professor Jan Romein. Deze rondde zij in 1937 af, waarna ze begon te werken aan haar dissertatie, die de titel kreeg Vrouwenkloosters en Begijnhof in Amsterdam; van de 14de tot het eind der 16e eeuw en die in 1941 uitkwam. Het was een gezaghebbend werk dat het resultaat weergaf van eigen archiefonderzoek, maar dat niet was geschreven met de bedoeling grote lijnen te onderkennen of het onderwerp in een bredere samenhang te behandelen. Deze werkwijze die zij tentoonspreidde in haar eerste grote wetenschappelijke werk bleef zij trouw tot in haar laatste publicaties.1

Na haar dissertatie wilde ze doorgaan met archiefonderzoek en werd zij volontair op het Gemeentearchief van Amsterdam. Zij ging zich voorbereiden op het examen voor hoger archiefambtenaar. In het kader van dit examen inventariseerde zij de archieven van de besturen gevormd door de Waalse Gemeente in Amsterdam tot 1943. Toen zij in 1943 haar archiefdiploma had behaald, wilde ze graag op het archief blijven werken, maar er was geen vacature en zij bleef volontair. Het jaar daarop kwam een administratieve functie vrij en die heeft ze gedurende een jaar vervuld. Pas in 1945 kon zij aan het reguliere archiefwerk beginnen toen zij werd benoemd als commies-chartermeester. In 1946 verscheen haar inventaris van de archieven betreffende de Latijnse School, het Atheneum en gezelschappen van studenten aan het Atheneum te Amsterdam. In dat jaar was zij bestuurslid geworden van het Genootschap Amstelodamum en zij leverde een continue stroom van artikelen voor het maandblad en het jaarboek van het genootschap. Als logisch gevolg hiervan trad zij ook spoedig op als redactrice van de uitgaven van het genootschap.

In 1951 werd zij benoemd tot adjunct-archivaris. Die functie heeft zij uitgeoefend tot haar pensionering in 1978. Archivaris heeft ze nooit willen worden. De beslommeringen die een dergelijke functie met zich meebrengt, zouden haar te veel van haar eigenlijke werk, het inventariseren en publiceren, afhouden. En geïnventariseerd en gepubliceerd heeft ze. Toen in 1978 een bibliografie van haar geschriften werd samengesteld, bevatte die meer dan 600 nummers en daarboven nog eens meer dan 250 boekbesprekingen.2

In de jaren vijftig en zestig verscheen aan de lopende band een twintigtal inventarissen van haar hand, veelal van familiearchieven, zoals van de families, Backer, Bicker, Brants, Moens, Heshuysen en Hooft, maar ook van de gilden en de directies van de Moscovische handel en de Oostersche handel en rederijen. Bij de verwerving van die archieven speelde ze een belangrijke rol. Dankzij haar zijn de laatste restanten van de archieven van de oude Amsterdamse regentenfamilies opgespoord en overgebracht naar het gemeentearchief, waar ze nu voor een ieder toegankelijk zijn. Hoe ze te werk ging bij het opsporen en verkrijgen van familiearchieven vertelt zij in 1960 op een studiedag van de Vereniging van Archivarissen in Nederland. Daar gaat zij ook in op de archieftechnische kant van het inventariseren van dergelijke archieven en op de inhoudelijke aspecten ervan.3

Hoewel historica van professie, heeft zij veel gedaan op kunsthistorisch gebied. Exemplarisch hiervoor is wellicht dat het allereerste artikel dat van haar bekend is, handelde over een schildering op een huis uit 1534.4 Haar eerste artikel over Rembrandt dateert van 1948.5 Met al die publicaties van kleinere en grotere archiefvondsten konden andere onderzoekers hun voordeel doen. Door het goede voorbeeld te geven onderstreepte ze keer op keer het belang van deugdelijk bronnenonderzoek in de archieven, dat aan de basis van ieder historisch onderzoek hoort te staan. De grote waarde van archiefonderzoek kwam treffend naar voren toen zij, tijdens de Rembrandttentoonstelling van 1956, ongeveer maandelijks kwam met een nieuwe vondst, waardoor in de tentoonstellingscatalogus anonieme portretten een naam kregen, voorstellingen een verhaal en data scherper werden gesteld. Mede hierdoor is archiefonderzoek een vanzelfsprekend aspect van het kunsthistorisch onderzoek geworden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat haar in 1958 de Bucheliusprijs werd toegekend, een prijs voor bronnenpublicaties op kunsthistorisch terrein.

Zij was één van de eerste historici die belangstelling had voor de fotografie. Daardoor kon de unieke collectie negatieven van Jacob Olie (1834-1905) reeds in de jaren zestig voor de Amsterdamse gemeenschap worden verworven. In een reeks van artikelen en het boek Amsterdam in de tweede helft der negentiende eeuw gezien door Jacob Olie Jacobsz.6 heeft zij het belang van deze kunstenaar aangetoond.

Grote belangstelling had zij voor de tekenaars Jurriaan en Christiaan Andriessen. Zij was het die de in geheimtaal annoterende tekenaar had geïdentificeerd als Christiaan Andriessen, de zoon van de meer bekende Jurriaan Andriessen. In 1983 wijdde zij aan Christiaan een boek: 'In mijn journaal gezet' Amsterdam 1805-1808. Het getekende dagboek van Christiaan Andriessen.7 Door haar toedoen bevindt zich thans het grootste gedeelte van de dagboekaantekeningen in de historisch-topografische atlas van Amsterdam.

Haar meest recente publicatie op kunsthistorisch gebied verscheen naar aanleiding van de tentoonstelling 'Kunst voor de Beeldenstorm' in het Rijksmuseum (1987). Het betreft een baanbrekend artikel over één van de vroegste Amsterdamse kunstschilders Cornelis Anthonisz., de schilder van de beroemde vogelvlucht uit 1538.8

Door haar wijze van werken, die uitstekend door de heer Van Riel is verwoord in zijn reeds eerder aangehaalde biografie (zie noot 1), heeft Isa van Eeghen nooit echte nationale of internationale faam verkregen. Haar Rembrandtpublicatie An Amsterdam burgomaster's daughter by Rembrandt in Buckingham Palace is één van de weinige werken die in een zeer kleine oplage in het Engels is verschenen en was eigenlijk alleen bestemd voor de aanbieding aan de koningin van Engeland, die op 25 maart 1958 de hoofdstad bezocht.

De meeste bekendheid in het buitenland viel ten deel aan haar magnum opus De Amsterdamse boekhandel 1680-1725, verschenen tussen 1960 en 1978 in vijf kloeke delen, uitgegeven door de Stichting H.J. Duyvisfonds. Dit fonds is verbonden aan het Gemeentearchief Amsterdam en min of meer voor deze uitgave in het leven geroepen. De Amsterdamse boekhandel is een standaardwerk dat veel wordt geraadpleegd. Uitgangspunt was een brievenboek van de Franse, in Amsterdam gevestigde boekverkoper Jean Louis de Lorme uit de jaren 1707-1708, dat zij aantrof in het archief van de Waalse Gemeente. De gedetailleerde gegevens blijven ook in deze delen het hoofdbestanddeel vormen, maar het geheel heeft toch een algemenere strekking. Waarschijnlijk komt dit mede door het onderwerp zelf. Bij het schrijven over boekhandelaren en uitgevers kom je al snel in internationaal vaarwater. Maar het komt ook door de auteur. Hoewel het niet uit de titel blijkt, trekt zij in het laatste deel de lijn door tot 1795. In dit deel geeft zij ook een chronologisch overzicht en een beschrijvend bronnen- en literatuuroverzicht. Het geheel is voorzien van uitgebreide indices en Engelse samenvattingen. Insiders zagen allang voor het einde van de uitgave het eminente belang ervan in en na de publicatie van deel III werd haar in 1965 de Menno Herzbergerprijs verleend. Deze prijs wordt uitgereikt aan personen die zich verdienstelijk hebben gemaakt voor de geschiedenis van het boek.

Hoewel zij het liefst bezig was met archiefonderzoek, heeft zij ook tijd vrijgemaakt om zitting te kunnen nemen in verschillende besturen zoals van de Backer Stichting, het Amsterdams Historisch Museum, Stichting Van Loon, de Historische verzameling van de Universiteit van Amsterdam en de Nederlandsche Leeuw. De meeste energie heeft zij echter gestoken in het Genootschap Amstelodamum. Voor haar verdienste voor dit genootschap ontving zij in 1971 de zilveren penning van de stad Amsterdam.

Vanuit het archief heeft zij haar hele leven gewijd aan de geschiedschrijving van Amsterdam in de ruimste zin. Voor alle geschiedliefhebbers van Amsterdam was zij de verpersoonlijking van het Amsterdamse gemeentearchief. Het was niet alleen de kennis die zij had van de stad die haar zo bijzonder waardevol maakte voor het archief. Het was veel meer. Zij droeg die kennis ook uit. Bijna iedere archiefvondst werd verwerkt tot een artikel of in een studie opgenomen. Daarenboven heeft zij ertoe bijgedragen dat vele archieven en collecties die nog bij particulieren berustten, aan het archief in bewaring werden gegeven of geschonken. Voor haar verdienste ontving zij bij haar afscheid in 1978 de koninklijke onderscheiding van officier in de Orde van Oranje Nassau.

Ook zijzelf heeft menigmaal stukken aan het archief geschonken, met name aan de historisch-topografische atlas. Dit gebeurde veelal als er prenten of tekeningen van Amsterdam op een veiling verschenen die van belang waren voor het archief, maar waarvoor de middelen ontbraken om ze aan te kopen. Zij kocht ze dan voor het archief. Zij droeg er ook zorg voor dat de Verzameling Van Eeghen, die door haar vader was aangelegd en later door haar zelf werd aangevuld, bij het archief werd ondergebracht. De collectie Van Eeghen is een van de laatste grote particuliere historisch-topografische kunstverzamelingen die nog integraal bewaard is gebleven. In 1988 hield het archief een tentoonstelling gewijd aan deze verzameling. Bij de tentoonstelling 'De Verzameling Van Eeghen' verscheen een gelijknamige catalogus, waarin zij een prachtig hoofdstuk schreef over haar vader, mr. Chr.P. van Eeghen.9 Ter gelegenheid van deze tentoonstelling ontving zij de zilveren museummedaille van de stad Amsterdam.

Zij heeft veel betekend voor de stad Amsterdam en het gemeentearchief. Wij zullen haar missen als vraagbaak, maar vooral als persoon. Zij leefde intens mee met haar naaste omgeving en dat gold zowel voor haar familie als voor de medewerkers van het archief met wie ze vrijwel dagelijks verkeerde.

WILHELMINA CHR. PIETERSE

NOTEN

1. Zie mr. H. van Riel, 'Dr. Isabella Henriëtte van Eeghen, persoon en wetenschappelijke betekenis', in Jaarboek Amstelodamum 70 (1978), p. 9-16.

2. Zie M.B. Lohman-de Roever, 'Bibliografie van de geschriften van dr. Isabella Henriëtte van Eeghen', in Jaarboek Amstelodamum 70 (1978), p. 409-453.

3. Dr. I.H. van Eeghen,' ‘Amsterdamse familiearchieven', in Nederlands Archievenblad 64 (1960), p. 160-164.

4. I.H. van Eeghen,'Een Kettersche schilderij in 1534', in Oud-Holland 57 (1940), p. 108.

5. Dr. I.H. van Eeghen, 'De anatomische lessen van Rembrandt', in Maandblad Amstelodamum 35 (1948), p. 34-36.

6. Amsterdam in de tweede helft der negentiende eeuw gezien door Jacob Olie Jacobsz; een keuze uit zijn fotografieën. Inleiding door I.H. van Eeghen; uitgegeven door het Genootschap 'Amstelodamum' ter gelegenheid van het zestigjarig bestaan. Amsterdam 1960.

7. Dr. I.H. van Eeghen, 'In mijn journaal gezet' Amsterdam 1805-1808. Het getekende dagboek van Christiaan Andriessen. Uitgave ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap. Amsterdam 1983.

8. Dr. I.H. van Eeghen, 'Cornelis Anthonisz en zijn omgeving', in Jaarboek Amstelodamum 79 (1987), p. 12-55.

9. B. Bakker, E. Fleurbaay en A.W. Gerlagh, De Verzameling Van Eeghen: Amsterdamse tekeningen 1600-1950. Stichting H.J. Duyvisfonds nr. 16, Zwolle 1988.