Volksmuziek is altijd gebruiksmuziek geweest. Dit stamt uit het tijdperk van vóór radio, grammofoon en televisie. Huwelijksfeesten, begrafenisrituelen, oogstfeesten, enz. werden en worden in plaatsen waar mensen nog traditioneel leven opgeluisteerd met muziek, dikwijls gespeeld door zigeuners. Voor hen is het spelen een belangrijke bron van inkomsten. (soms zijn ze tevens smid of paardenhandelaar.) Vaak bestaat een orkestje van 5 of 6 man uit vader, zoon en neven. Er is ooit een vrouwelijke primás geweest (Panna Czinka, overleden in 1772), maar muzikanten zijn zonder uitzondering mannen.
De zigeuners nemen overal waar zij komen de muziek over van de bevolking die ze daar aantreffen, maar spelen die dan wel op hun eigen manier. Vandaar dat er een (soms groot) verschil is tussen de zigeunermuziek van Hongarije, Roemenië en bv. Spanje.
Een kenmerk van zigeunermuziek is het improvisatorische karakter van de muziek, die de indruk maakt ter plekke te zijn ontstaan. In detail kan dat inderdaad gebeuren, maar de grote lijn ligt vast. Net als bij de jazz kan de muzikant iets anders laten horen dan hij in een bepaald stukje gewend is. De anderen moeten hem dan zo goed mogelijk volgen en wachten tot het moment waarop de melodie weer als vanouds verder gaat. Met name in de versieringen is de speler geheel vrij om te doen wat hij wil. Soms is de versiering zó overvloedig dat de oorspronkelijke melodie nog maar moeilijk is te herkennen.
Er is een "zigeunerrepertoire" ontstaan van nummers die in restaurants enz. zijn te horen: een verzameling standaardnummers die iedereen kent. Als je in dit repertoire thuis bent kun je, als je oplet, ze meespelen.
Los van deze muziek bestaat er een aparte volksmuziek in de diverse landen. Zo hebben bv de oude Hongaarse boerenliederen en Roemeense volksdansen weinig of niets te maken met wat wij tegenwoordig als zigeunermuziek kennen. Hoogstens lijkt het er op. Vooral Béla Bartók en Zoltán Kodaly hebben op dit punt baanbrekend onderzoek verricht (begin 20-ste eeuw).
De zigeuners hebben ook hun eigen muziek. Deze krijgt men weinig te horen. Het zijn liedjes waarop vaak wordt gedanst en die worden begeleid door handgeklap, keelklanken en geroffel op emmers en dergelijke.
 
Kenmerken van de Hongaarse volksmuziek zijn melodisch de dalende kwart en het melodieschema aaba (of varianten daarvan) en ritmisch het veelvuldig voorkomen van het motief kort-lang (b.v. een achtste noot plus een kwartnoot met punt); dit heeft te maken met het feit dat in de Hongaarse taal de klemtoon altijd valt op de eerste lettergreep van het woord.
De tweedelige maatsoort is bijna alom aanwezig ("csárdás) en zo goed als alle melodieën staan in mineur.
Bij de Roemeense volksmuziek wordt veel gebruik gemaakt van de zgn. "zigeuner"-toonladder, d.w.z. een mineurladder met verhoogde vierde toontrap (dit laatste komt trouwens bij majeur ook zeer veel voor). Hoewel er ook buitengewoon droevige liederen zijn (de befaamde ''doina's'') is de Roemeense muziek vaak erg vrolijk, vooral als het gaat om snelle dansmuziek. De maatsoorten 3/4, 6/8 en 7/8 of 7/16 worden veel gebruikt.
Al deze muziek wordt uit het hoofd gespeeld. Sommige dorpsmuzikanten kunnen geen noten lezen. Het wordt als een belediging ervaren de muzikant bladmuziek voor de neus te zetten, omdat dit zou betekenen dat hij niet uit het hoofd kan spelen.