|
Poëzie De nieuwe generatie Vijf frisse vrouwen Het is een vief gezelschap, die debuterende dichteressen van nu. Maria Barnas, Marije Langelaar, Jannah Loontjens, Sylvia Hubers en Tjitske Jansen zeggen precies waar het op staat. Of het nu om de grote, geile verlangens gaat of de inzichten in de eigen ziel. Door Rob Schouten, foto Bert Nienhuis Wie had dat in zijn kwiekste feministische dromen kunnen denken, een hele generatie frisse en vitale vrouwen aan het woord in de dichtkunst, zelfverzekerd en vlot palaverend over de aardigheid van de wereld en vooral en steeds weer opnieuw over de liefde? Nou ja, misschien is het ook zo verbazingwekkend niet, nadat in de zusterkunst de Spice Giris plus nasleep het lekkere, mondige ding in het zonnetje zetten, en we met Britney Spears, Shakira, lennifer Lopez en andere seksbommetjes vierentwintig uur per dag van ongebreidelde vrouwelijkheid op de televisie kunnen smullen. Ook de schrijfsters van de als zoete broodjes over de toonbank vliegende 'chicklit', met producten als Bridget fones en Sex and the City, lijken niet voor niets te hebben geleefd. Voeg daarbij de snel rijzende ster van iemand als Heleen van Roven en de canonisering van zulke 'heldinnen' in het gelijknamige fotoboek van Ronald Giphart en Eric van den Eisen en het beeld is compleet: de begeerlijke, begerende vrouw is aan het woord. Nu ook in de poëzie! In haar Lust tot lezen schetste literatuurwctenschapster Maaike Meijer de wereld der dichteressen nog als een ietwat donker dal van opstandige, door de mannen misbegrepen roependen in de woestijn, die na een nog troebeler periode van prefeminislisch onbehagen een eigen geluid uitprobeerden. Maar het vervolg in en na de jaren tachtig van de vorige eeuw ziet er ineens heel wat minder dreigend uit. Misschien dat zulke eigenzinnige, maar soms ook moeilijk te volgen dichteressen als Ehna van Haren en Anne Vegter met hun springerige gedichten de brug hebben geslagen, maar nu zijn we dan toch beland tussen een hele groep vrouwen, die geen blad meer voor de mond nemen, midden in de wereld staan, de liefde met al haartentak els omarmen, de mystiek bij de vuilnisbak hebben gezet en hun ervaringen bij de naam noemen. Hagar Peeters, succesvol publieks-dichteres, en nu net toe aan een tweede bundel die in november verschijnt {Koffers zeelucht), lijkt me met haar verstaanbare gedichten een directe voorloopster, maar achter haar staan er zo te zien nog talloos veel meer te trappelen. Ik noem maar even wat namen van verse debutantes: Maria Barnas, Marije Langelaar, ]annah Loon-tjens, Sylvia Hubers, Tjitske lansen. Allemaal rond de dertig, de een wat jonger, de ander wat ouder. Wat ze te bieden hebben: klare taal, klare gevoelens, klare liefde! Niet dat het hun allemaal van een leien dakje gaat, dit is geen poëzie in amazonezit, vrouwen worden nog steeds in leven en liefde bedrogen en teleurgesteld, maar van verongelijktheid is geen spoor meer te bekennen. En ook, de schaamte lijkt nu wel definitief voorbij! Maria Barnas verscheen na twee eerdere romans aan het dichterlijk firmament met Twee zonnen Gevoelige poëzie, vol vragen en verwachtingen, dat wel. Maar tenslotte toch vooral levensbejahend. 'Ik kan niet slapen / uit angst aan het leven voorbij te gaan', luidt de laatste zin van het laatste gedicht. Meer dan vrouwen zijn mannen hier het kwetsbare volkje, bijvoorbeeld in het geval van deze kennelijk dichterlijke vriend: 'Hij schrijft kleine woorden in een schrift. / Ik mag ze niet lezen. En wanneer het toch / gebeurt, mag ik er niets van zeggen- / Ook niet wanneer Ik een verbetering weet. / Ik weet er minstens twee.' Met een feilloze mengeling van door-traptheid en naïviteit weet de vrouw in deze gedichten de man op zijn nummer te zetten. 'Nachtwens' begint roet: 'Hoe moet ik gaan liggen in hetbed/van een woedende man? Ik heb hem zo gemaakt' En eindigt als volgt: 'Maar voordat je gaat. Wat bedoelde je precies/met Fuck jou duizend jaar.' Opmerkelijk is de openhartigheid waarmee alles plaatsvindt-het hart als moordkuil en de ziel ondei de arm bestaan niet meer. Ook het volstrekt heldere praatloontje draagt bij aan die sfeer van opgewekt crisismanagement. Of het de poëzie zelf veel oplevert, vraag ik me trouwens af. Er blijft in deze gedichten maarweinig te raden over, zelfs het woordspel wordt open en bloot op tafel gelegd: 'Ik heb van hem gehouden / hij is gehouwen uit steen.' Maar met twee zonnen of het zilverdragende water van de Amsteldoethetbestaan vooral sprookjesachtig aan. Een in wezen onbekommerd karakter Spreekt ook uit het haiku-acbtige 'Zo overzichtelijk'.'Hij schenkt witte wolken in mijn glas / blauwe lucht, Ijsblokjes rinkelen in het landschap / en de dag is een tafel voor twee.' Veel tafels trouwens in Barnas' gedichten, naast bedden-Huiselijkheid wordt niet geschuwd maar van angst een huissloof Le worden geen spoor. Integendeel, de eigen gevoeligheid voor indrukken wordt gesecondeerd door zelfverzekerdheid en inzicht in situaties. In deze gedichten laat de vrouw niet ongewenst met zich spelen. Gaan Hoe kan ik zo vastberaden zijn en verbeten vraagt hij om mijn vertrek onzeker te maken. Daar is hij goed in. Hij eist dat ik praat. Ik dat hij me met rust laat. Hij gooit een beker. Ik weet het zeker. DepoëzievanMarijeLangelaar in De rivier als vlakte zit vol verwondering (hét poëtische handelsmerk van onze tijd) maar ook vol van wat vroeger heette vrouwelijke sensibiliteit. Het gaat om nauwelijks benoembare sensaties, 'Glans komt zo vaak zo veel voor / inbaar op buizen in nachten' om maar wat te noemen; of spiegeling, 'uiteindelijk was ik zo in de war / van elke spiegeling / dat ik mij heb neergelegd'. Zelfs 'Woede is een vloeiend iets'. Het is kortom een zintuiglijke wereld, vol geuren, kleuren en geluiden, die tenslotte leidt tot een kernachtige slotsom: 'Er spreekt een diepe / samenhang // wat zijn wij eenvoudig.' Maar wie denkt dat het alleen maar kwetsbare hypergevoe-ligheid is die de klok slaat, heeft het mis. Zelfs neerslachtigheid leidt bij Lange-laar nog tot opgewektheid, getuige een titel als 'Depressie met een ondertoon van verrukking'. En vreugdegevoelens zitten niet langer schuw in een hoekje maar worden uitgejubeld: Zulke vreugde schuilt in mij kijk de knoppen ontbloesemen de asem wordt bevrucht met vogels en mieren de honing vloeit en geurt en opwekkende gedachten zulke vreugde schuilt in mij Het is geloof ik juist de dynamiek van het emotionele dat deze generatie dichteressen kenmerkt, men komt ongehinderd en blijmoedig uit voor zintuiglijkheid en zinnelijkheid. Zelfs om modale meisjesverlangens worden niet langer doekjes gewonden: 'Ik wil je laten schrikken en beminnen' heet het ergens en op een andere plek lezen we een ingezonden mededeling uit de krant:'Meisje 18 jaar;/ik ben zo hevig verliefd op H. en hij op mij / dat weet je, we ademen samen en soms wil ik / soms zou ik onze bloedbanen willen verbinden.' Dit is in meer dan één opzicht paradijselijke poëzie, ze zit vol aangename luchtjes en liefdes maar ze is ook schaamteloos. En wie in het paradijs zit, wil nu eenmaal niks anders. Dus geen wroetende filosofie en psychologie, geen duister taalspel of lyrisch trapezewerk. Maar wel gedichten vol poëtische verrukking, waarin gevoeligheid en kitsch ongestoord naast elkaar grazen. Ook Jannah Loontjens steekt in Varianten van nu de gevoelens niet onder stoelen of banken. Dit is voluit romantische poëzie, vol dromen waarover je oudere dichteressen als Judith Herzberg en Fritzi ten Harmsen van Beek, maar ook recenter Eima van Haren of Anneke Brassinga, niet gauw zult horen: Ik sta op het balkon mei de wens een blad te zijn, behorend tot de populieren, zwierend in een wind van zon. Het klinkt haast kinderlijk en onhandig maar tegelijk ook provocerend met iets van: de tijd dat we zulke verlangens voor Candlelight bewaarden, is voorbij. Dat maakt het lezen van deze gedichten dubbel. Enerzijds komt het je maar ai te bekend voor, anderzijds is het onbevangen, lente-achtige poëzie. Vooruit, schrijf maar op, al die onbeschroomde hunkering, de liefde isernietvoorniets! In 'Moment' staat een paartje stevig tegen elkaar aangeklemd onder een door de wolken schijnende zon. My God, denkt de lezer, waar moet dat op uitdraaien? Nou, op een geluks-moment natuurlijk: 'Gedurende dit moment / heb ik "geluk" gekend / en mezelf het absurde / doen beloven.' En zo staat de doorgewinterde poëzie-fijnproever geregeld te kijken van de emotionele ontboezemingen. Poëtische pudeur is uit de mode. Men is voluit verliefd ofbegoocheld. En de taal die daarbij hoort, is niet langer die van de dichterlijke versluiering of de symboliek, maar die van het dagboek, de gepassioneerde brief. Van de 'vervreemdende sfeer' die de flaptekst ons wil aansmeren, bespeur ik eigenlijk niet zoveel. 'Zelfs de meest hedendaagse objecten worden deel van verbeeldingen van een verlangen naarliefde,' probeert de tekstschrijver maar is dat niet juist een alledaags verschijnsel waar Stendhal al over schreef, de kristallisatie van de liefde? En zo schrijft lannah Loontjens er ook over: het geheim van die ouderwetse liefde doethetnog (of weer) helemaal. In dit gezelschap zit Sylvia Hubers met Men zegt liefde zo te zien het stevigst te paard. Bij haar geen dromerige observaties of subtiele sensaties die het vrouwelijke liefdesverlangen omkransen maar onmiskenbare bezitsdrang. De man is hier volledig object geworden, 'Ik ga stevig op jou zitten' of 'je bent een geurige meneer. (...) geurig als iemand maar kan zijn / naast me / naakt en gratis'. Het heeft iets overrompelends, deze onbeduchte veroveringen die niet al te zeer gehinderd worden door empathische aandacht voor de ander. Juist die egocentrische aanpak van de liefde maakt dat Hubers' gedichten een slag krachtiger zwemmen dan die van haar zusters. Maar in wezen gaat er dezelfde inzet achter schuil: ik zeg wat ik voel! Of het allemaal conform de amoureuze realiteit is, vraag ik me af maar wat doet het ertoe? Dit is poëzie. Daarom gaat hier de liefde ook rustig met 'Het fileermes'; Het fileermes heb ik klaarliggen. Wie ben je? Ik zal het weten. Keurig zal ik je na het fileren weer aan elkaar naaien. Want zo ben ik ik heb liefde. Dat de volgende afdeling 'Spugend en briesend' heet, verbaast je dan niet meer zo, dit is geen werk voor teder minnen. Niet de kwaliteit maar de kracht van de gevoelens staal voorop. Dat lijkt me voor al deze dichteressen een beetje gelden maar Hubers is er het ondubbelzinnigst over: 'De buren spelen vals piano / maar met gevoel. Zó / wil ik leven, vals maar met gevoel.' Geen wonder dat ik bij de regel 'O, laat mij je mars-mannetje zijn' vanzelf moest denken aan Marsman; eenzelfde soort vitalisme voedt deze gedichten. Subtiel is het allemaal niet maar wel herkenbaar en er mag ook gelachen worden: 'Een groot gefrustreerd liefhebben / maakt zich van mij meester / wanneer mijn chagrijnige jonge / oppergod / in de deuropening verschijnt.' Leuk, leuk. Dat de volgende afdeling 'Spugend en briesend' heet, verbaast je dan niet meer zo, dit is geen werk voor teder minnen. Niet de kwaliteit maar de kracht van de gevoelens staal voorop. Dat lijkt me voor al deze dichteressen een beetje gelden maar Hubers is er het ondubbelzinnigst over: 'De buren spelen vals piano / maar met gevoel. Zó / wil ik leven, vals maar met gevoel.' Geen wonder dat ik bij de regel 'O, laat mij je mars-mannetje zijn' vanzelf moest denken aan Marsman; eenzelfde soort vitalisme voedt deze gedichten. Subtiel is het allemaal niet maar wel herkenbaar en er mag ook gelachen worden: 'Een groot gefrustreerd liefhebben / maakt zich van mij meester / wanneer mijn chagrijnige jonge / oppergod / in de deuropening verschijnt.' Leuk, leuk. Ja, je laatste trein is weg Nee, je kunt niet blijven slapen Nee, ook niet op het logeerbed. ' Er lopen er wel meer op straat Moet ik die dan ook maar binnenlaten? Het is niet toevallig dat in een van Jansens gedichten het meisje zich vermomt als Zorro. Een groot deel van de hier geventileerde handelingen en emoties werd vroeger toegedicht aan jongens. Maar die tijden zijn voorbij, vrouwen mogen inmiddels achter hun kut aan lopen. Het is een vief gezelschap, die debuterende dichteressen van het moment. Ze zeggen precies waar het op staat, of het nu om de grote, geile verlangens gaat, de oceanische gevoelens of de inzichten in de eigen ziel. Niet zozeer hun temperamenten (van het opportunisme van Hubers tot de pathetiek van Loontjens en Jansen) verbinden ze met elkaar alswel de manieren waarop ze er dichterlijk mee omspringen. Alles gaat in doorzichtige, begrijpelijke taal. Kitsch en candlelight, het zijn geen poëtische spookbeelden meer. Als het maar ongeposeerd en intens is. Dat is wel even schrikken voor de meerbedaagde poëzielezer die het geheimzinniger gewend was. Hier wordt in het openbaar geflirt, gevreeën en gemokt. Misschien zijn ditwel de producten van de laatste emancipatiegolf. En de mannen in deze verzen staan er een beetje beduusd bij en kijken ernaar. Of ze worden aanbeden, bereden en weer gedumpt. De strijd lijkt gestreden. Zozeer zelfs dat je van de weeromstuit soms denkt: Elly de Waard, Lidy van Marissing, waer bestu bleven? Maria Bamas, 'Twee zonnen', De Arbeiderspers, 48 p., € 14,95 Marije Langelaar, 'De rivier als vlakte'. De Arbeiderspers, 64p., € 14,95 Jannah Loontjens, 'Varianten van ' nu', Bert Bakker. 48p., € 15,95 Sylvia Hubers, 'Men zegt liefde', Fagel, 78 p., € 14,95 Tjitske Jansen, 'Het moest maar eens gaan sneeuwen', Podium, 48p., € 12,95 (verschijnt 15 september) |