De pers over Men zegt liefde


Alice in Wonderland

Hans Bouman in Nu de tijd van je leven (ANWB magazine), september 2004

'Een moderne Alice in Wonderland', zo typeert de uitgever dichteres Sylvia Hubers op het achterplat van haar dichtbundel Men zegt liefde. Een treffende formulering. In de 56 gedichten van deze bundel waart de ik-figuur door een wereld die dikwijls herkenbaar lijkt, maar bij nadere beschouwing bedrieglijk is als een wolf in schaapskleren. Of een schaap in wolfskleren. Hubers krast met haar gedichten in de façades van het dagelijks bestaan. Dat levert zowel pijnlijke als hilarische taferelen op.


Predikaat veelbelovend niet afdoende voor debuutbundel Sylvia
Hubers
Poëzie om te lezen en te herlezen


Utrechts Nieuwsblad 23 augustus 2003
Dagblad van het Noorden 19 september 2003
Door Jeroen de Valk


Je zou haar een succes wensen als Heleen van Royen, wier ode aan het
overspel De Godin Van De Jacht bijna al vóór de verschijning een
bestseller was. Of als de tv-serie Sex And The City. Ook Sylvia Hubers,
immers, schrijft over mannen, relaties en alles wat daarbij goed en vooral
fout kan gaan. De Utrechtse dichteres is nog niet zo oud; ze is intelligent,
goed geschoold en woont in een stad vol mannen doch tobt hevig met De
Liefde. Ze is bovendien aantrekkelijk en weet dat; zo wordt gesuggereerd
in het openingsgedicht van haar debuut Men Zegt Liefde, waarin ze al in
november overweegt 'een jurkje aan te trekken, / een heel bloot jurkje / en
te flaneren / tussen meneren / met dikke Jassen'. Maar op amoureus vlak
wil het niet zo vlotten. Ze treft bijna-ideale, gevoelige mannen, robuuste
mannen in Noorse truien, welriekende en stinkende mannen en vele
anderen. Een 'oerwoudman' bijvoorbeeld, die ze de hele avond in de kroeg
zit aan te gapen. Een stevige, zwaar behaarde kerel, helaas omgeven door
een ondoordringbaar cordon van gezinsleden. "Een kapmes / heb ik nodig
/ om mij daar doorheen te breken /te snoeien tot / IK / in plaats van zij /
het oerwoud onder het T-shirt ƒ een kusje mag geven, / met mijn handen /
alles doen wat ik wil." Ze zou 'de hele wereld willen villen' voor 'één dag
in het leven van de oerwoudman'. Die luchtige toon wordt niet conse-
quent aangehouden. De verliefdheid is soms hartstochtelijk: ,,lk haal jou/
bij elke ademhaling binnen/je troubadourt in mij /je moet aan mij te zien
zijn." Haar nieuwsgierigheid is mateloos: "Het fileermes / heb ik
klaarliggen / Wie ben je? / Ik zal het weten." Maar de omstandigheden
zitten niet mee; er is sprake van cafés , waarin allerlei onduidelijke
mannen haar betasten, en ze zich hoort lachen om haar eigen moppen,
hoewel die niet eens leuk zijn. Ze verlangt innig naar een geliefde die
'waarschijnlijk gewoon thuis is', bij vrouw en kind. Ze reageert met doffe
berusting op iemands 'gebruikelijke plotselinge vertrek', al is ze daarna
nog urenlang bezig met het 'recht strijken' van de hersenen. Uiteindelijk
moet ze maar troost zien te vinden bij de gedachte dat de ellende op een
bepaald moment - verlaten, tussen willekeurige reizigers in de trein -
nauwelijks nóg erger kan worden. "Het niets-zijn voelt ƒ redelijk
aangenaam. /Ik zit op de bodem / van 'mijn eigen bestaan. / In het diepe /
kan ik niet dieper zinken. / Veilig voel ik mij / en de mensen die niets zijn
/ wemelen om mij heen / als insecten." Het cliché 'veelbelovend' is
onvoldoende om dit debuut te karakteriseren; zo'n term riekt naar
betutteling en suggereert dat de artiest in kwestie zich nog moet
waarmaken. Hubers (1965) schrijft eenvoudig verwoorde doch diepe en
rijke poëzie. Tekenend is dat ze lang wachtte met deze bundeling; ze
treedt al enkele jaren op - onder meer met haar eigen 'Damescollectief
Nadorst (m/v)'.- en won in maart 2002 de Dunya Poëzie-prijs. Eerder
publiceerde ze enkele korte verhalen en zette ze werk op internet. Op
http://users.bart.ril/~bontebal/nl/nadorst.htm zijn gedichten en columns
van haar te vinden.


Brutaliteit om je schort voor af te doen

NPS Iets met boeken door Tsead Bruinja

Huisvrouwen aller landen verenigt u! Uw TV hoeft niet meer te blaten, uw
therapeut kan in de schedel van een ander gaan wroeten.

OPSTANDING DER BOUWWERKEN

Heb ik eens de haren gezien
van een kale man die nu in een dikke trui
voor mij staat te oreren over
bouwwerken?

Wat bouwwerk, ik zag
het bouwwerk van zijn ziel, de lange
gekrulde haren
heb ik als gordijnen voor zijn hart
vandaan geschoven en toen

ben ik op mijn handen en voeten
door de man gekropen,
door de man die overal altijd allerlei
bouwwerken creëert.

Onderweg
kwam ik wat kinderen tegen en een vrouw met
hele lange haren die geen spijt heeft van haar kinderen
en ook niet van haar man.
Zal ze haar recht voor altijd laten gelden op haar man?

Zal ík mijn recht laten gelden?
Zal ik deze jupiter ooit
op mijn schouders nemen
hem
de rots oprollen
proberen hem
los te rollen
wat niet lukt of
wat wel lukt.

Zal ik ooit met hem mijn leven delen
alsof het leven iets is
dat valt te delen.

Alsof het leven geen
eenzame opstanding
der bouwwerken is.

© Sylvia Hubers

Het slechte nieuws is dat de voorlaatste strofe van bovenstaand gedicht me
kromme tenen geeft; wat mij betreft is het quasi-filosofisch en
psychologisch brandhout. Ook al komt het uit de mond van een
onschendbaar personage of verteller, het voegt niets toe aan het cliché
beeld van dit leven dat zo onmogelijk te delen zou zijn. Ik deel mijn leven
bijvoorbeeld met een onsje darmbacteriën en een bosje dood haar op mijn
opgewekte hoofd. Ik zou het niet over mijn hart kunnen verkrijgen deze
symbiose af te wijzen. Het goede nieuws, na dit gezever (voor poëzie
waarover men over zeveren kan, valt ook iets te zeggen), is dat de rest
van het gedicht knap in elkaar zit en moeiteloos overeind blijft staan.
Neem alleen al de ludieke manier waarop Hubers de man uitkleedt door
hem te betreden, waardoor ze ons uitnodigt met haar mee te gaan. Dat is
een stuk interessanter dan de rat die door Bret Easton Ellis een vrouw van
binnen mag leegvreten. Net als je bovendien denkt 'wat een akelige slappe
kerel is dat toch die zo flauw uit zijn nek loopt te lullen,' tovert Hubers een
vrouw tevoorschijn, die zonder spijt met deze man getrouwd is en hem
waarschijnlijk met plezier nog kinderen heeft gebaard ook. Hier werkt
ironie doordat het afgewisseld wordt door een gortdroog rationeel
commentaar waarin geluk plots haalbaar lijkt, maar dan wel voor anderen. 


Met een brutale helderheid bedenkt Hubers vervolgens of ze hem toch nog
los wil weken, gewoon zomaar. De verveling en de nonchalance lijken in
dit soort poëzie aantrekkelijke dansjes te kunnen maken met de ironie en
de anti-burgerlijkheid, maar is dat genoeg en wordt poëzie zo niet een
invuloefening voor alles dat we gezamenlijk afkeuren en stiekem
ambiëren? In ‘Men zegt liefde’ leveren deze smaakstoffen in ieder geval
aanstekelijk vermaak op: 

MIJN SCHORT UITGETROKKEN
Thuis in de zon op het balkon mijn schort
Uitgetrokken

en
ben
gaan
zitten

Ik ben gaan zitten nadat ik mijn schort had
uitgetrokken en mijn sokken legde ik ook
naast me op de grond neer.

Ik stal wat blikken van de man nee de mannén
die verderop een schoorsteen stonden
te repareren.
Te re-pa-re-ren ik zou ook weleens ge-re-pa-reerd
willen worden als een schoorsteen de ene
steen weer op de andere maar niet door die mannen nee
degeen die mij mag repareren zit lekker thuis

en bijt
op
zijn
nagel

© Sylvia Hubers


Poëzie, de nieuwe generatie

Vrij Nederland 13 09 2003
De Republiek der Letteren.
Door Rob Schouten in een artikel over nieuwe generatie frisse vitale
dichteressen


Het artikel compleet


In dit gezelschap zit Sylvia Hubers met Men zegt liefde zo te zien het
stevigst te paard. Bij haar geen dromerige observaties of subtiele sensaties
die het vrouwelijke liefdesverlangen omkransen maar onmiskenbare
bezitsdrang. De man is hier volledig object geworden, 'Ik ga stevig op jou
zitten' of 'je bent een geurige meneer. (...) geurig als iemand maar kan zijn
/ naast me / naakt en gratis'. Het heeft iets overrompelends, deze
onbeduchte veroveringen die niet al te zeer gehinderd worden door
empathische aandacht voor de ander.
Juist die egocentrische aanpak van de liefde maakt dat Hubers' gedichten
een slag krachtiger zwemmen dan die van haar zusters. Maar in wezen
gaat er dezelfde inzet achter schuil: ik zeg wat ik voel!
Of het allemaal conform de amoureuze realiteit is, vraag ik me af maar
wat doet het ertoe? Dit is poëzie. Daarom gaat hier de liefde ook rustig
met 'Het fileermes';

Het fileermes
heb ik klaarliggen.
Wie ben je?
Ik zal het weten.

Keurig zal ik je na het fileren
weer aan elkaar naaien.

Want zo ben ik
ik heb liefde.



Dat de volgende afdeling 'Spugend en briesend' heet, verbaast je dan niet
meer zo, dit is geen werk voor teder minnen. Niet de kwaliteit maar de
kracht van de gevoelens staal voorop. Dat lijkt me voor al deze
dichteressen een beetje gelden maar Hubers is er het ondubbelzinnigst
over: 'De buren spelen vals piano / maar met gevoel. Zó / wil ik leven, vals
maar met gevoel.' Geen wonder dat ik bij de regel 'O, laat mij je mars-
mannetje zijn' vanzelf moest denken aan Marsman; eenzelfde soort
vitalisme voedt deze gedichten. Subtiel is het allemaal niet maar wel
herkenbaar en er mag ook gelachen worden: 'Een groot gefrustreerd
liefhebben / maakt zich van mij meester / wanneer mijn chagrijnige jonge
/ oppergod / in de deuropening verschijnt.' Leuk, leuk.


Poëzie met kloten

Opspraak 24 06 2003
Door Jan Bontje


Poëzie met kloten en dat in meer dan één opzicht, zo zou ik de poëzie van
Hubers willen noemen. Een bescheiden, fragiele dichteres met haar ‘pen
in de aanslag’ zoals zij in haar gedicht Loeder zelf beweert. Glasheldere
poëzie die bol staat van mannen – ruig behaarde oerwoudmannen, geurige
meneren, mannen met grote neuzen en mannen met grote woorden,
mannen die graag aan muren kleven, Adonissen, nagelbijtende mannen.
Sylvia Hubers (1965) treedt geregeld op en was onlangs een van de
winnaars van de Dunya poëzieprijs. Dit is haar eerste bundel. Het gedicht
op schoot geeft in de twee eerste regels treffend twee mogelijke polen van
de liefde weer:

Poes op schoot
man in de wangen


Het gedicht Fileermees is vlijmscherp:

Het fileermees
heb ik klaarliggen
Wie ben je?
Ik zal het weten


Deze 56 gedichten vormen een poëtische queeste naar de ware liefde –
niet de ware Jakob, nee, waarachtige liefde, die móét bestaan. Immers,
men zegt: liefde!?


De liefde doet pling plong

Meander 27 04 2004 door Milla van der Have

De terugkijkrage, die ergens aan het eind van de vorige eeuw begonnen
moet zijn, is inmiddels zo ver doorgevoerd dat aan tv-series van nog geen
vijf jaar oud een terugblikkerig meta-programma wordt gewijd. Eén zo'n
serie die een dergelijke eer te beurt viel, is de hitshow Sex and the city. In
deze serie gebeurt niet veel anders dan dat vier moderne, geslaagde New
Yorkse vrouwen hun liefdesleven met elkaar bespreken en daarbij veelal
geen blad voor de mond nemen. Ze zijn mondig, vaak rechtdoorzee en ze
weten wat ze willen en vormen daarmee een afspiegeling van de moderne
jonge vrouw. Maar dan wel een geïdealiseerde afspiegeling, zo leert ons
het meta-programma I Love.... Sex and the city. Want jonge vrouwen
willen weliswaar zijn zoals Carrie en haar vriendinnen, in het echte leven
gaat het er alsnog wel iets anders aan toe.

Wie wil weten hoe het de single vrouw in het echte leven vergaat, slaat
Sylvia Hubers er op na. Haar debuut Men zegt liefde is, de titel zegt het al,
gewijd aan de liefde, gezien vanuit een vrouwelijke, rechtdoorzee
invalshoek.

Gedicht voor drie borrels
Ik ga stevig zitten
op jou op jou
op jou op jou
op jou.

Hoe vind je mij zitten?
Wil je nog 't een of ander?
Ik ben een beetje moe en beschonken.
Ja, beschonken mensen
zijn heel zwaar.

Oké ik ga naar de keuken.
Ik ga je ijskast openen
die vol zit met geneugten.

In de tussentijd kun je het raam openschuiven
en verdwijnen in het duister.
Je kunt ook blijven.
Ik zal eten en drinken.
Je zult mij zien eten en drinken.
Je zult mij zien eten en drinken en kotsen.
Je zult me zien kotsen en slapen.
Je zult me misschien zien wakker worden.

Met schorre stem zal ik aan je vragen:
wat doe jij hier?
En dan: dan kun je je:
waarmaken

Ja.
Laat mij jou maar eens zien

(p. 32)

Wat Men zegt liefde gemeen heeft met Sex and the city is de
nietsontziendheid ten opzichte van de hoofdpersoon. Zoals in de serie de
dames al in een scala genante situaties te zien zijn geweest, zo wordt ook
hier de ik-figuur niet gespaard. Kotsende lyrische ikken kom je weinig
tegen in de poëzie. In al haar facetten wordt de ik aan ons geopenbaard,
etend, drinkend, dronken, angstig, gemeen, geen menselijk voelen is haar
vreemd. Overigens komen de mannen er in de bundel, ik zou bijna
zeggen: uiteraard, ook niet al te best van af. Ze zijn veelal kalend en/of
harig, worden ploert genoemd, hebben een grote neus of worden getypeerd
met woorden waaruit hun primitieve aard blijkt: oerwoedman, eiland....,
vroegste mens.

Tegelijkertijd deelt de bundel een bepaalde luchthartigheid met de serie.
Problemen worden nergens problematisch, maar juist parlando besproken,
met her en der een woordgrapje, wat overigens niets af doet aan de
openhartigheid. Als moderne vrouw, weet ook de ik uit deze gedichten
namelijk dondersgoed wat ze wil, ook al krijgt ze het dan niet altijd:
Ik stal wat blikken van de man nee de mannén
die verderop een schoorsteen stonden
te repareren.
Te re-pa-re-ren ik zou ook weleens ge-re-pa-reerd
willen worden als een schoorsteen de ene
steen weer op de andere maar niet door die mannen nee
degeen die mij mag repareren zit lekker thuis

en bijt
op
zijn
nagels

Hubers' taal is de eenvoud ten top. Haar gedichten zijn helder en to the
point, met af en toe een absurdistische draai. Bij zoveel eenduidigheid is
het dan ook af en toe storend dat de dichter meent het een en ander nog te
moeten verduidelijken door middel van cursiveringen of onderstrepingen.
Er is al zo weinig te raden in deze recht-voor-zijn-raappoëzie. En soms
gaat Hubers toch wel over de schreef, met rijm als "O! Laat mij je
marsmannetje zijn / was mijn opperste gedachte. / Jij die op de komst van
/ nieuwe wezens zit te wachten / je laat me naar me smachten." (p.40) of
té simpele gedichten als deze:
Nee, niet mijn benen in mijn nek

Nee, niet mijn benen in mijn nek
doe maar vandaag even niet
het is goed, maar genoeg
ja, nu mokken, dat is oké
dan ga ik even naar de slager.
Goedemiddag, slager

(p.56)

Daar staat tegenover dat enige humor Hubers niet ontzegd kan worden en
dat haar helderheid soms ook wonderwel op z'n plaats is en een
eenvoudig, mooi en warm gedicht kan opleveren:
Met heel m'n adem

Met heel m'n adem ben ik bij je
uit en in
in ieder adem een verhaal
een verhaal van lucht
vermengd met liefde
werveling vandien.

Men zegt dat men een lief
in een lief kan zien, welnu
ik haal jou
bij elke ademhaling binnen
je troubadourt in mij
je moet aan mij te zien zijn.

Voor wie jou niet ziet
zal ik praten
voor wie jou niet hoort
zal ik zingen.

En in de avond ga ik zitten
hoor het geheimzinnige geneurie
het heel zachte kloppen
van ritme in mijn buik

(p. 14)

Als de eigentijdse poëzie inmiddels al een traditie is, dan staat Hubers er
middenin. Qua taalgebruik en benadering van de thema's is Men zegt
liefde ontegenzeggelijk een moderne bundel. Hubers deelt haar no
nonsense stijl met meer (jonge) dichters. Haar debuut is toegankelijk en
kan (dus) mogelijk een nieuw publiek winnen voor de poëzie, een publiek
wat zich door de 'zap-benadering' die hier bij tijd en wijle gehanteerd
wordt, aangesproken zal voelen. De hele sfeer die de bundel uitademt is er
eentje van de jaren nul nieuwe eeuw; het hoeft weliswaar niet makkelijk,
maar zeker niet moeilijk en als iets gecompliceerd wordt, zap je door.
Onderkoeld, afstandelijk, geen grote gebaren, dat zijn de toverwoorden
van deze tijd.

Met dergelijke methoden zijn mooie gedichten te maken; soms profiteert
poëzie van het kleine gebaar, het rustige, eenvoudige. Je kunt het echter
ook overdrijven. Niet alle poëzie hoeft per se begrijpelijk of toegankelijk
te zijn. Wat ondergetekende betreft mag het wel weer eens tijd worden
voor het grote gebaar in de poëzie, voor een moeilijk, ja misschien zelfs
wel hermetisch gedicht, dat niemand begrijpt maar wat wel mooi klinkt,
vol met grote woorden en duistere metaforen. Een gedicht dat méér
oproept dan alleen een niet geheel gelukzalige relatie. Gedichten geven
naast een kijk op het leven ook een doorkijk in iets anders, een glimp van
iets wat zonder gedicht onzichtbaar zou zijn en mét gedicht nog onzegbaar
blijft. Hoe het alledaagse leven van Patty Brard, Frans Bauer, New Yorkse
columnistes én dichters in elkaar zit, dat weten we ondertussen wel. Wat
is er meer? We leven in spannende tijden, wordt het dan niet eens tijd voor
spannende poëzie?

Bij Hubers echter geen dreigend aanzwellende violen. De liefde doet nogal
van pling plong in deze bundel, een ongevaarlijk geluid, van iets wat er
plotseling en/of kortstondig is. De liefde is er, plotseling (pling!) en even
plotseling weer niet. Zo ook met de gedichten uit Men zegt liefde. Ze zijn
er (pling!) even, maar nadat je ze leest zijn ze weg. Ze beklijven niet en
dat is jammer. Het pling plong houdt geen stand, maar is vermaak, zoals
een serie op de televisie, weinig meer, maar evengoed weinig minder. Een
modern geluid, soit. Maar ook het geluid dat het verlangen achterlaat naar
een (desnoods ouderwets) groots en meeslepend lied.


Draaideurliefde

Biblionrecensie, 2003 door Bibi Dumon Tak

'Men zegt liefde' is de debuutbundel van de Utrechtse Sylvia Hubers
(1965), mooi uitgegeven bij Fagel. Nadat gedichten van haar in
tijdschriften verschenen en door haar op vele podia werden voorgelezen,
was het nu, vijftien jaar later, tijd voor een bundel. In 2002 won Hubers
de Dunyapoezieprijs (een Rotterdams initiatief). Haar bundel gaat zoals de
titel al voorspelt over de liefde. Niet lief, niet zoet, niet verwachtingsvol,
maar analytisch en afstandelijk soms. Er komen heel wat mannen langszij
die worden aangeduid als mooie man, dappere man, jonge god, norse
vriend. Al die mannen gaan ook weer. Draaideurliefde lijkt het veelal.
Vandaar dat de gedichten je nooit te na komen, al heb je daar als lezer na
zesenvijftig gedichten wel behoefte aan. De poezie blijft soms wat te veel
aan de oppervlakte, maar er zitten mooie exemplaren tussen: 'Mannen
blijven vaak aan muren kleven.' De titel alleen al gevolgd door
bezwerende woorden die beklijven: 'Je kunt het nog zo heftig zingen, / dat
het voorbij is, voorbij, voorbij / dat het uit is, uit is, uit is / dat je nooit
meer, nooit meer, nooit meer.'