Gij zult niet begeren

 

De verkondiging op de Elfde zondag na Trinitatis

Tekst: Exodus 20:17

preek in de Evang.-Lutherse Gemeente Dordrecht op 27 augustus 2006


Tallozen horen de Tien Woorden met oren die afgestemd staan op de kanalen goed en kwaad. Zij zijn moralistisch; vragen zich af: wat is goed, wat is slecht?
Die mensen moeten, als ze eerlijk zijn, wel teleurgesteld zijn met de laatste van de Tien.
‘Gij zult niet begeren...' Is dat niet een zwak slot, na verboden aangaande moorden, ontucht en vals getuigenis?
‘Gij zult niet begeren...' – is dat nou alles...?
Toch komt dit te pas bij een zo unieke reeks levende woorden. Uniek, omdat ze zijn gesproken door de levende Heer, de bevrijdende God.

Te weinig aandacht was er jammergenoeg in de afgelopen maanden voor een vergelijking met wetboeken uit het antieke Oosten. Het kon ook niet, want een preek mag geen historische verhandeling worden.
Toch is het noodzakelijk iets te zeggen, enkel ten dienste van een beter begrip van Israëls Torah.
Wetboeken waren er in alle grote oud-oosterse culturen, soms van meer dan 4000 jaar geleden.
De koningen op wier naam die wetboeken werden gezet wilden natuurlijk het volksleven in goede banen leiden. Maar een oud-oosterse koning-wetgever had vooral een persoonlijk belang bij de geboden die hij uitvaardigde.
Nu is dat belang overgegaan op de hele samenleving.
‘Gij zult niet begeren' wordt verklaard als een verbijzondering van ‘Gij zult niet stelen.' Niet stelen in de zin van ‘u mag zich niets onrechtmatig toe-eigenen.' Deze uitleg staat ten dienste van de bezitters en de machthebbers. Bewust of onbewust worden onze macht en privé- eigendom gerechtvaardigd.

De Rooms-katholieke kerk heeft altijd de onaantastbaarheid van privé-eigendom verdedigd. Het werd allereerst gefundeerd in de aard en behoefte van de menselijke natuur. Daarna kwam de Bijbel op tafel die dat 'uiteraard' bevestigde. Die volgorde is griezelig....
Prive-eigendom... Het voedsel van mijn buurman is dus niet van mij, daar moet ik afblijven...
Maar, als ik verga van de honger, en mijn buurman wil mij niets geven? Dan mag ik, zegt de roomse moraaltheologie, – dan mag ik pakken wat ik bij hem kan weghalen.
Soepel van die roomse jongens? Ja, maar het gaat hier om een uitzonderingsgeval.
Met uitzonderingen zijn de moralisten altijd in de weer. ‘Wanneer mag iets wel, wanneer niet; wanneer is dat slecht; als we 't nou eens zus of zo probeerden...'
We hebben ons tegen zulke redeneringen van preek tot preek verzet, omdat moralisme de verkondigende kracht van de Tien Woorden fnuikt.
De Tien Woorden zijn verkondigd aan een volk zonder macht, zonder bezit, kwetsbaar en wankelmoedig. Hoe zal het dan gaan, wanneer er in het bijbelse Israël huizen zijn, vrouwen en helpers op het land, beesten en werktuigen?

Vandaag horen we dat wij niet zullen begeren iets dat voor onze naaste is. De bescherming van de privé-eigendom wordt hier niet beoogd. De naaste en zijn komst in ons leven moeten worden gewaarborgd.
Als onze naaste bezit heeft, een huis, een vrouw, knechten of dieren, dan is hij/zij mét die bezittingen tezamen mijn naaste; anders gezegd: hij bezit het niet voor zichzelf, hij heeft daarover niet een vanzelfsprekend vrije beschikking.
De Hebreeuwse Bijbel-taal kent geen werkwoord voor 'hebben' of 'bezitten.' Als wij in onze vertalingen lezen ‘Abraham had 100 kamelen,' dan staat er letterlijk: ‘100 kamelen waren voor Abraham.'
Wie praat er over privé-bezit? Bezit is er ten behoeve van mij, maar mijn exclusieve recht daarop is een menselijke uitvinding. Daarom dat het verzamelen van eigendommen een bedenkelijke zaak in Israël was.
Jezus zegt: ‘Wie twee jassen heeft, moet er één weggeven.' Vanuit de Hebreeuwse taal is dat duidelijk. Hoe kunnen er nou twee jassen tegelijk voor u ten dienste staan? Er kan er maar één voor u zijn, namelijk die u nu aan hebt. Een tweede of een derde, voegen niets toe tot degene die u bent. Ze kunnen dus gemist worden.
Wij vinden dit absurd. Maar dit is een staaltje radicale verkondiging van Jezus.
Wat het Tiende der Tien Woorden betreft: U bent degene die u bent inclusief uw huis, uw echtgenoot, helpers en dieren, en onmiddellijk noodzakelijke dingen.
Dát is er voor u, en alles wat u méér hebt, is er niet meer voor u, het is dood kapitaal dat nergens toe nut.
Een echte naaste staat met al wat voor hém/haar is, u of mij ten dienste. De barmhartige Samaritaan diende de neergeslagen man met zijn ezel, en later met zijn geld. Zo gaat dit in Gods Rijk.

In dat Rijk hoeft u niet meer te begeren hetgeen dat voor uw naaste is. Doet ge dat wel, dan kan hij/zij niet meer uw naaste zijn. Hij/zij is immers zichzelf met en door hetgeen en voor hem is. Begeert u dat te hebben, dan verhindert u de komst van de naaste.
Zijn huis, zijn vrouw en wat ook – willen we wel hebben; maar degéne voor wie dat alles is... o nee, die denken we niet nodig te hebben.
Dat is de inhoud van het woord ‘begeren.' Alleen maar verzamelen van geld en goed, maar mensen kunnen ons figuurlijk letterlijk gestolen worden.
Zo kan de naaste niet meer onze naaste zijn. Naastenliefde is niet meer mogelijk.

Deze uitleg licht toe, hoezeer het Tiende der Tien Woorden uniek in de oud-oosterse wereld was.
Hier ziet u het grote verschil tussen wetboeken van de zogenaamde beschaafde volkeren en de Tien Woorden van de Heere-God van Israël.

De inhoud van elk loopt grotendeels evenwijdig, maar het verschil ligt in wíe het uitvaardigt en waaróm.
De oosterse koning-wetgever was in eerste aanleg er op uit, zijn eigen machtspositie te verstevigen. Vanaf de Farao's van Egypte tot en met de Franse koning Lodewijk de XIVde hebben vorsten zeer hoge dunk van zichzelf gehad. ‘De staat, dat ben ik,' zo luidt een beruchte uitspraak. Deze pretentie komen we nog steeds tegen, bij autoritaire leiders, bijvoorbeeld van Noord-Korea. Het wetboek in zo'n land dient de macht.
Alzo niet de Tien Woorden bij monde van de Heere-God van Israël. Niet het besef van goed en kwaad, niet de macht van een opperwezen, en ook niet een nederige gehoorzaamheid wordt door deze Tien Woorden bevorderd of gevorderd.
Het zijn levengevende woorden, om een slavenvolk te houden bij de Paasbevrijding. Om deze mensen volk van God te laten zijn, mensen die vrij en bevrijdend met elkaar mogen omgaan. Je hoeft geen Farizeeër te zijn, denkend dat God het toch maar getróffen heeft met jou.
Maar je hoeft ook niet in je schulp te kruipen omdat je denkt: ik ben een tollenaar, ik heb het verbruid bij mijn volk en bij de Heer.
Daarom heeft het bijbelse Israël de Tien Woorden gekregen, om de juiste verhouding met de Heere-God te ontvangen, en de juiste omgang onder elkaar.
Het blijkt keer op keer, dat wij dat niet opbrengen: de naaste nááste te laten zijn. Net zoals wij God niet God laten maar ons eigen beeld van Hem maken. Hier is een koppeling tussen het begin en het slot van de Tien Woorden: zoals God Gód behoort te zijn, zo behoort de naaste de nááste te zijn.

Daarom ook eindigen die Tien Woorden met spreken over de begeerte. De begeerte laat de naaste de naaste niet zijn. Het begeren is één van de meest diepgaande, diepgeworteld kwalijke betrekkingen van de ene tot de andere mens.
Achter het begeren gaat de angst schuil. Angst om tekort te komen... Ja en nog dieper gaat het: angst voor de ander in ons leven. De ander staan dingen en vaardigheden te dienste, en wij zijn bevreesd dat wij daar niet van kunnen profiteren. Dus begeren wij dat alles maar laten de ander links liggen. In dat geval kan hij/zij niet onze naaste worden.
Als wij het weinige dat iemand ten dienste staat, hem of haar misgunnen, dan kan zo iemand niet onze naaste blijven. Want een naaste kan alleen naaste zijn samen met huis, echtgenoot, dieren en huisraad.

Hoe belangrijk is het toch, te luisteren naar de beschrijvingen van de eerste christengemeenten. Daar koesterden zij een hartelijke en daadwerkelijke liefde voor elkaar. Daar waren zij echt naasten voor elkaar.
De discipelen hebben Jezus en zijn praxis serieus genomen. Wat er voor hem was, was er ook voor hen. Elkanders naasten waren zij, en uit hen ontstond de eerste christengemeente. Daar sprak niemand over privé-bezit, maar alles was gemeenschappelijk voor iedereen.
Was privé-bezit verboden? Pas nu op, want eer we het weten verzanden we weer in de tegenstelling goed-kwaad. Privé-bezit is in zichzelf niet slecht. Ook is het niet te bewijzen uit de Nieuw-testamentische teksten, dat het verboden zou zijn.
De liefde was de maatstaf, het gemeenschappelijke leven in de vrijheid. Als dat van kracht is, dan klampt een gemeentelid zich niet vast aan bezit, laat staan dat hij/zij begeert wat voor zijn/haar naaste is.
Daarentegen kunt u mét wat er voor is, naaste worden van een mede-gemeentelid. Zo is het geweest in de eerste christelijke gemeenten.
We kunnen er ook duidelijk aan zien, dat de eerste christengemeenten grotendeels bestonden uit kwetsbaren, armen en eenvoudigen. In hun midden is nieuwe hoop gevoed door het Evangelie, het Evangelie van Pasen. Het Paasfeest gedenkt de bevrijding van het slavenvolk dat Israël eens was. Nu Christus het waarachtige Paaslam is, mogen zijn gelovigen weer Paasvolk zijn, volk van bevrijde mensen.
In veel situaties lijkt ons kerkelijk leven daar nauwelijks op... Maar bedenk dat het ons wordt verkondigd als belofte. Zo mag en zal de Kerk zijn. Een lichaam met leden die onderling niet elkaars gaven begeren.
Zij werken in vrijheid ontspannen samen tot verheerlijking van de Heere-God en tot bevestiging van het vertrouwen en de hoop en de liefde onder de mensen.

We zijn dan aan het einde gekomen van een lange reeks preken over de Tien Woorden.
Het slot raakt het begin: het is de naaste in wie wij de Heere-God van Israël ontmoeten. Heel specifiek, dat wil zeggen, het is geen algemeenheid, het is de naaste in het hier en nu, aanwijsbaar naast u.
En het is heel eveneens heel specifiek de God van Abraham, Izaak en Jakob, Israëls Heer, die zo tot u en mij komt.
Op die manier is Hij bevrijder, voor mensen in de engte, de benauwdheid van hun gebroken bestaan.

Zo zingen wij op de wijs van een loflied een berijming van Psalm 23: gezang 466

TERUG NAAR DE INHOUDSOPGAVE