ALLE VLEES IS GRAS

 

De verkondiging op de Tweede zondag in de Advent

Jesaja 40:6b

 


preek in de Evagelisch-Lutherse Gemeente Dordrecht
op 9 december 2001

Het samenstel van de beide Schriftlezingen op deze zondag, de tweede in de Advent, - dat samenstel is in de afgelopen jaren van gruwelijke oorlogen en aanslagen actueler dan ooit.
Eerst horen we Jesaja zeggen: 'Alle vlees is gras; het is zomaar verdord en eer dat je het beseft, is het weg.'
Dan de evangelielezing, waarin Jezus een levendig en schrikbarend einde van een ooit ongestoord leven schildert. Alles om ons heen dat eerst zo stabiel leek, gaat wankelen. Elk houvast ontvalt ons. Nu blijkt, hoe kwetsbaar wij zijn.

Alle vlees is gras. Het is onder bijbelkenners een vaste zinsnede geworden. Zij weten onmiddellijk wat het zeggen wil. Wie het niet precies weet, moet even onthouden dat 'alle vlees' betekent: alles van vlees en bloed. Het ziet ook op het kwetsbare, vergankelijke, snel vergane.
De profeet Jesaja zegt: 'Alle vlees is gras, maar het Woord van de Heer blijft...' Die tekst gaat verder, maar ik stop even, om u te waarschuwen dat u geen onjuiste tegenstelling mag maken.
De oude vertalingen zeggen: 'Het Woord van de Heer blijft in der eeuwigheid'.
Nu lijkt het alsof tegenover elkaar komen te staan: het vergankelijke vlees en de onvergankelijke eeuwigheid. Die tegenstelling is sinds mensenheugenis door de kerkelijke uitleg gemaakt. Zó is het niet goed.

Die eeuwigheid is iets filosofisch, op deze manier. Je krijgt zo een tweedeling, een soort dubbele werkelijkheid. Eerst die van het zwakke vlees en dan die van God en zijn Woord. In de Kerk werd op die tegenstelling een hele mensvisie en levensbeschouwing gebaseerd. Daarin is het ons maar geraden, dat wij aan onze vergankelijke werkelijkheid niet al te veel aandacht besteden. Onze energie moet juist gericht worden op de goddelijke werkelijkheid.

Het kwalijke gevolg is, dat ons aardse bestaan wordt ondergewaardeerd. Dit is kwalijk, en ondergraaft het geloof van het bijbelse Israël en van de Gemeente van Christus.
Zou het aardse bestaan onbelangrijk zijn, dan is ook het belang niet in te zien van de komst van de Heere-God naar ons toe, op deze aarde. Wat is dan de waarde van de Advent?

 

Wij gedenken vandaag een komende God. Met opzet kies ik mijn woorden: een komende God. Hij blijft zo, en dat is één kant van het mysterie. Op het Kerstfeest mogen we zeggen: de Heer is gekomen; twee zondagen geleden zeiden we: de Heer zal komen; nu, in de Adventstijd, zeggen we: de Heer komt.
Deze drie aanzeggingen houden we bij elkaar, want, ze hóren bij elkaar, zonder dat we hen tegen elkaar uitspelen. Bovendien, als we één van drieën het belangrijkste noemen, doen we tekort aan de andere twee.

Eén van de liturgische hoogheidstitels van de Heere-God is: Hij die is en die was en die komen zal.
Daaraan kunt u horen dat de Allerhoogste boven alle tijd staat. Maar niet in de zin van een Eeuwige die volstrekt buiten de tijd staat. Daarom is het zo belangrijk om die elementen bij elkaar te houden.
Hij die is en die was en die komen zal. Want zo horen wij een bemoedigende verkondiging, dat de Allerhoogste de enige stabiliteit is voor ons vlees dat zwak als gras is.

In deze periode van het kerkjaar ligt wel nadruk op één van de drie aspecten, namelijk dat de Heer komt. Het is goed om dit weer eens helemaal opnieuw te horen. Het lijkt zo bekend: de Heer komt... Maar realiseer u zich, dat dit iets heel belangrijks zegt over uw en mijn godsvoorstelling, dus over het beeld, het idee dat u en ik hebben van God.
De Allerhoogste is niet statisch. Hij zit niet ergens, houdt zich niet op ergens... Hij kómt.
In Hem is beweging, ja sterker nog: Hij is beweging.
Dit niet alleen als Schepper die alles in beweging heeft gezet. Zelf is Hij beweging, en dan daadwerkelijk: het raakt u en mij. Hij is een komende God, in ons bestaan. Hoe opmerkelijk voor een godsdienst in het antieke Midden-Oosten, 2 , drie millennia geleden, dat zoiets kon opkomen. Gelovigen, en dan vooral de Hebreeën, de vroege Israelieten, die hebben dat blijkbaar nodig gehad.
Waarom hadden zij dat nodig? Diezelfde vraag kunnen wij nu opnieuw stellen. God een komende God? Wat komt Hij doen bij ons?

Het is allemaal begonnen onder Joden die voortdurend de zwaksten waren, slaven, voortvluchtige herders, ondergeschikte landbouwers, ballingen. Dat was in een tijd waarin zij geen vliegtuigen, tanks en explosieven hadden.

Later waren daar de eerste christenen van wie de apostel Paulus zegt: 'Niet vele wijzen, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken.'
Deze mensen, joden en christenen, waren nog diep doordrongen van een besef van zwakheid, kwetsbaarheid en falen. 'Alle vlees is gras...'
Aan hun formuleringen, hun geloofsbelijdenissen, kunnen we horen dat het geloof onder joden en christenen oorspronkelijk een verlossingsgeloof was.
Mensen zoeken naar bevrijding, verlossing, vrede en heelheid. In de antieke oudheid zochten ze dat bij een godheid, en warempel, anno 2001 komt dat nog steeds voor, zij het dan ook in de vorm van zich afzetten tegen God, in de vorm van een protest aan Gods adres.
Ja, want wat van alle tijden is, dat is het besef van zwakheid, van toenemende kwetsbaarheid, ondanks onze schitterende kennis en vaardigheden.
Het is toch een veeg teken dat in deze tijd van hoogontwikkelde technologie een klein aantal fanatici er in slaagt om met twee vliegtuigen een catastrofe aan te richten? Wij blijven zwak, wij zijn zomaar weg, in een zucht, bijvoorbeeld door een reuze-ontploffing of wat je maar bedenken kan. Want er kan ons, dankzij en ondanks al onze kennis en vaardigheden, nog van alles te wachten staan.
Het visioen van Jezus dat de evangelielezing van deze tweede zondag in de Advent is, dat visioen kon wel eens op eigentijdse manier werkelijkheid worden. Alle vlees is gras...

De Heer komt heel dicht bij ons in onze zwakheid en kwetsbaarheid. Het is niet zo dat door zijn komst al onze zorgen onmiddellijk zijn opgelost. Dat weten wijzelf ook wel, zo werkt dat niet. Wij moeten er immers zélf doorheen; het is dáárom, dat de Heere-God in ons vlees en bloed gekomen is, om óns de kracht te geven, zélf te leven, zélf verantwoordelijkheid te dragen.

Gods komen kan nooit een afgedane zaak zijn. Het is niet goed als u denkt: het Kerstfeest is 't belangrijkst, die Adventstijd is maar een vooraf, daar gaat het eigenlijk niet om.
Juist in de Adventstijd bezinnen wij ons op het komen van God. De Heere-God blijft komen. Dat Hij in Christus op aarde gekomen is, is een unieke gebeurtenis, maar die komst zegt ook iets over wat altijd van kracht is bij de Heer: Hij is een komende God.
Zijn komen houdt de wereld in spanning. Want dat is de inhoud van ons geloof in de komende God, dat die Heer-God degene is waarop de wereld hopen mag. "Kom tot ons, de wereld wacht," hebben wij als zondagslied gezongen.
De wereld is het zich niet bewust, maar wij mogen het horen. In de Gemeente bereiden wij Hem een welkom, en zo zingen wij het lied van Gods komst:
'Heft op uw hoofden, poorten wijd', Gezang 120

TERUG NAAR DE INHOUDSOPGAVE