HET OFFER VAN ONS LEVEN


De verkondiging op de
Tweede zondag na Trinitatis 2002

gehouden op 9
juni 2002
Kanseltekst uit de Epistellezing:
Hieraan hebben wij de liefde leren kennen
dat hij zijn leven voor ons heeft ingezet;
ook wij behoren dan
voor de broeders ons leven in te zetten. 1 Joh 3:16

Een vraag om mee te beginnen: hoe komt zo'n tekst als deze op u over? Dezelfde vraag zou ik kunnen stellen na de lezing van het evangelie van deze zondag. Ze oefenen een behoorlijke klem op ons uit. Wij met ons bezit lopen het risico om voorbij te gaan aan Gods feest en de uitnodiging daartoe. O..., wat dat is slecht van ons... . Dan de kanseltekst. Die zou ons nog met een schuldgevoel opzadelen. Wie kan werkelijk zijn/haar leven inzetten voor de broeders? Wie gaat er zo ver...? In het origineel, het Grieks, staat een woord dat wij met ‘leven' vertalen, een woord dat letterlijk ons hele bestaan aanduidt. Ons hele bestaan, ziel en lichaam. Dat is nogal wat, ons hele bestaan inzetten voor de broeders...
Nu zijn er in de kerkgeschiedenis en in de algemene geschiedenis voorbeelden van mensen, mensen die zó onbaatzuchtig waren dat zij inderdaad hun hele bestaan, tot de dood toe, konden stellen in dienst van zusters en broeders. Maar is de tekst dáárvan een beschrijving?
Wij hebben, na 18, 19 eeuwen christelijke leervorming, – hebben wij de neiging om deze tekst direct te gaan verklaren vanuit de leer, de dogmatiek, de christelijke geloofsstellingen. Hoe dat gaat?
Wij lezen die tekst en zeggen dan direct: het is het plaatsvervangend offer van Jezus Christus dat hier achter zit. Christus is in onze plaats gestorven, dat was zijn offer. Eigenlijk hadden wij moeten sterven, vanwege de straf van God die wij verdienden, maar in onze plaats is Jezus gestorven. Dit is een uitleg van de kruisigingsdood van Jezus die het gewonnen heeft in de ontwikkeling van de christelijke leer, hier, in de Westerse Kerk. Het is een zelfoffer van Jezus. Zo sterk was de liefde van Jezus Christus jegens ons, dat hij zijn leven gegeven heeft in onze plaats.
Er is een opmerkelijk gevolg van deze uitleg. Wordt de liefde van Christus zo gepredikt, dat heeft dat tot gevolg dat het ons onder druk zet. Ook wij zouden, als we consequent waren, vooral op momenten waar het echt aan komt – ook wij zouden eigenlijk zo lief moeten hebben. Zo wordt het uitgelegd wat we als kanseltekst hebben gehoord: 'Wij behoren voor de broeders en zusters ons leven in te zetten.' Een andere Johannestekst (uit het evangelie, 15:13) is hier aan verwant en wordt ook uitgelegd als een offer: ‘Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden.'
Mogelijk zegt iemand: wat maak je je druk? Is deze uitleg zo erg? Ja, die is erg, want in de eerste plaats is deze uitleg eenzijdig, meer ingegeven door de dogmatische leer over het plaatsvervangende offer van Jezus Christus dan door het Johannes-tekstverband.
Erger aan deze uitleg is, dat hij heel vaak mensen met een schuldgevoel heeft opgezadeld. Vooral in relaties, vriendschappen, huwelijken, heeft deze uitleg bij vele mensen de indruk doen ontstaan, dat je pas een goede man of vrouw, vriend of vriendin bent, wanneer jij je helemaal opoffert. Ook in de verhouding ouders – kinderen komt het voor: dan cijferen ouders zichzelf weg omdat naar hun idee de kinderen het beste van het beste moeten krijgen.
Ook omgekeerd zie je het nog: mensen van veertig, vijftig jaar die nog aan de leiband van hun oude vader of moeder lopen.

maar geen eigen gezicht

En o, o, wat een schuldgevoel, wanneer zij, ten einde raad, hun oude vader of moeder in een verpleeghuis laten opnemen. Want ja, nu lopen we weg voor het offer, nietwaar?
Zo zijn talloze relaties onder spanning komen te staan, zijn ongezond geworden door deze inbeelding, dat wij een offer moeten brengen. Dat alles ten gevolge van een uitleg die gegeven is aan de kruisigingsdood van Jezus.

Wat moeten we aan met die teksten uit het evangelie en de brief van Johannes? Lees ze in het verband, en u komt er vanzelf achter dat er geen sprake is van een verplicht zelfoffer tot in de dood.
In geen geval betekenen ze, dat u zichzelf klein moet maken, uzelf tekort moet doen en wegcijferen in het verrichten van hulp aan anderen.
Allereerst gaat het om de liefde. Echte liefde is niet blind, maar juist helderziend. De liefde weet grenzen te trekken en een juiste balans tussen ons hart en ons verstand te vinden.
Jezus heeft bij het volle bewustzijn gekozen voor zijn veroordeling en dood. Maar hij wist in die situatie waarin hij toen verkeerde, dat het niet anders kon dan zo. Het is helemaal niet de bedoeling dat wij zijn dood moeten kopiëren...!
Wat wij wel moeten doen, is goed luisteren naar de oudste christelijke bronnen, om te weten te komen welke bedoeling de Christus Jezus had met zijn vrijwillige dood. Wat heeft hij willen bewerkstelligen bij zijn leerlingen?
Wij zouden eens met nieuw-geopende ogen moeten kijken en met opgescherpte oren moeten luisteren naar het verhaal van Christus' lijden. Zelf heeft hij zijn vrijwillig sterven kunnen verbinden met het Paasfeest. Hij heeft – zoals hij zegt volgens het Lukas-evangelie – hij heeft vurig begeerd met zijn discipelen het Paasmaal te eten, maar, zegt hij, dit zal pas vervuld worden in het Rijk Gods.
Bij de Paasmaaltijd gedenken de gelovige Joden de Uittocht uit Egypte, de weg van bevrijding.
Bevrijding, vrijheid! Ja, dat spreekt ons wel aan. Als we het maar niet naar onszelf toehalen, kleine egoďstjes die wij, hoofd voor hoofd, zijn. Het is het ego eigen, op zichzelf te willen blijven, met niemand wat te maken willen hebben. Dat noemt ons ego: vrijheid. U begrijpt wel dat dit afkeurenswaardig is, en het christendom leert ons dat ook. Maar het is verbijsterend en merkwaardig, hoe christelijke leiders geprobeerd hebben, dat ego klein te krijgen... . Een schuldgevoel aanpraten, zo hebben zij mensen gepoogd te bevrijden.
In werkelijkheid zetten zij hen juist klem. Het enge hieraan is, dat mensen als losse personen, als individuen worden benaderd. Zo'n benadering werkt toch weer een nieuwe, ongezonde aandacht voor het eigen ego in de hand.
Het komt omdat er een verkeerd idee van vrijheid is. Vrijheid is niet doen en laten wat je wilt. Dat is ook weer het ego op de troon. Vrijheid geef je elkáár.
De bevrijding is door de God van Israël geschonken aan een heel volk. Dit betekende dat de leden van dit volk een onderlinge verstandhouding moesten opbouwen, en wel zo, dat de een de ander tot zijn/ haar recht zou doen komen. Dat is pas vrijheid, dat de een de ander in zijn/haar waarde laat, respecteert en ruimte geeft om zichzelf te zijn.
Wie denkt, zichzelf helemaal te moeten opofferen, zou wel eens een precies averechts effect kunnen sorteren jegens de ander. Wanneer u zich opoffert aan een ander, is er een grote kans dat u die ander in grote verlegenheid brengt. Wat kan de ander nog doen? Bovendien dreigt er een extra gevaar.
Gestel dat die ander kwaadwillend is, dan zal die misbruik maken van uw mateloze goedheid. Kortom, u helpt de ander niet echt.

Weet u hoe u iemand helpt? Door hem/haar tot zijn/haar recht te laten komen. U kunt dat doen door de ander verantwoordelijkheid te geven. In dat geval spreekt u de ander aan op zijn/haar persoonlijkheid, bekwaamheden en voorkeuren. Dan kan de ander écht zichzelf zijn.
Het is niet vanzelfsprekend, zo om te gaan met anderen. Het is een andere kijk op mens-zijn; een verzet tegen het zelfgerichte individualisme, en het onderhouden van een saamhorigheid die niet in onszelf wortelt.
Christus heeft ons dit voorgehouden, en wel zo radicaal, dat hij daarvoor de dood ondergaan heeft. Wij hoeven daarom die uiterste consequentie niet meer te lijden. Als het maar de grote inspiratie voor ons is, de bron van handelen jegens de naaste, de ander in ons leven.
De Episteltekst zegt nadrukkelijk, dat wij de liefde 'hebben leren kennen.' De liefde kenden wij dus niet, wij hebben ze moeten leren, en leren kennen.
In de wereld denkt men dat men weet wat liefde is. Daarom kan het leven van de Gemeente van Christus
onbegrip en spot in de wereld oproepen. Haat in het uiterste geval, en daarvan spreekt ook de Epistel. Laten wij nu een berijming daarvan zingen, het is gezang 108