'DE NAASTE'  --  DIE DIENEND NABIJ IS

 

De verkondiging op de 3de zondag na Trinitatis

Deze korte preek heb ik gehouden in een Dienst waarin de morgenzegen plaatsvond: een feestelijk onderdeel ter gelegenheid van het 50 jarig huwelijk (30 juni 2001) van ds D. Pobuda en mevr. H. Pobuda-Nemec

In de Liturgie van de Kerk heeft de Epistel (vooral in de Groene Zondagen en in voorbereidingstijden) het karakter van vermaning. Niet moralistisch, dat je dit niet mag en dat niet mag. Maar een evangelisch vermaan om de christelijke Gemeente te bewaren bij het geloof.

Zo horen wij uit de eerste brief van de apostel Petrus (1 Petrus 5 : 5a ):

"Gij jongeren, onderwerpt u aan de oudsten.
Omgordt u allen jegens elkaar met laaggezindheid"

Dit tekstwoord uit de Epistel van deze zondag geeft ons vandaag de verkondiging, en zo kunnen wij ook de morgenzegen voorbereiden.
In de klassieke vertalingen hoort u het woord 'nederigheid.' Het is een woord dat oude papieren in de Kerk heeft. Wij denken daarbij aan een gedrag van kleinheid, jezelf kleinhouden, en vooral niet jezelf groter voordoen dan je bent -- dát zou pas bij het evangelisch leven horen!
Maar is dat wel zo?!
Petrus laat vlak aan deze woorden vooraf gaan: jongeren, onderwerpt u aan de oudsten. Het is, alsof Petrus op het moment dat hij dit aan zijn schrijver dicteert, zichzelf corrigeert. Hij wil dan als het ware zeggen: ja, dat zeg ik nu wel, maar dit mag geen eenrichtingsverkeer zijn. Hoe gaat je met elkaar om, jongeren en oudsten?
En dan zegt hij: 'Omgordt u állen jegens elkaar met laaggezindheid...'
In de uitdrukking 'laaggezindheid' zitten verschillende elementen. Ten eerste: het kennen van je eigen beperkingen en grenzen. Zelfkennis begint met het eerlijk zijn jegens jezelf. Het wil beslist niet zeggen dat je een lage dunk van jezelf hebt. Zo van: och, ik ben maar een klein mensje, ik ben niet zoveel waard.
Dat is nederigheid, dat wordt hier niet bedoeld.
Zelfkennis als het aanvaarden van de eigen beperkingen en grenzen betekent al meteen, dat wij ophouden, ons eigen ik in het middelpunt te zetten.
Nu lijkt het, alsof ik toch weer uitkom op zoiets als 'bescheidenheid.' Maar al is bescheidenheid een deugd, het gaat mij om iets belangrijkers. De Episteltekst reikt het zelf aan. Het gaat om de onderlinge omgang. Hoe gaan ouderen en jongeren met elkaar om, en ook, met het oog op de morgenzegen voor het jubilerende echtpaar hedenochtend, - hoe gaan man en vrouw met elkaar om?
P
etrus is er duidelijk in, hij zegt: 'Omgord u allen jegens elkaar met laaggezindheid.'
Laaggezindheid hier, wil zeggen, dat u bedacht bent op het innemen van een lage plaats ten opzichte van de ander.
Laaggezindheid is de plaats die u inneemt jegens de ander in uw leven.
Die plaats is er één van waaruit gediend wordt.
Elkaar dienen is een gestalte van liefde.

De beide woorden "dienen" en "liefde" moeten bij elkaar gehouden worden. Ze versterken elkaar, doordat ze elkaar uitleggen. Maken we de liefde los van het dienen, dan gaat het met de liefde mis.
We zien het om ons heen - zonder hoogmoedig te worden, zonder te vinden dat wij beter zijn - zien we volop mensen die niet geleerd hebben respect voor anderen op te brengen. Geen laaggezindheid, geen dienende liefde.
Paulus zegt: 'Dient elkander door de liefde." Petrus zegt vandaag: 'Omgordt u allen jegens elkaar met laaggezindheid'.

Jegens elkaar laaggezind zijn -- dat zou moeten functioneren in een huwelijk.
De huwelijksliefde mag een afspiegeling zijn van de lage plaats die de Christus onder de mensen heeft ingenomen...
De Heere-God wil ons vrije mensen maken - zo moeten ook partners vrijheid en geluk voor elkaar scheppen. Zij zijn elkaar het naast. De tekst: 'jegens allen omgord zijn met laaggezindheid', deze tekst begint wel het eerst bij de naastenliefde.

De naaste! Dat is niet zomaar de medemens, en dan in het bijzonder de hulpbehoevende. Laten wij dat woord "naaste" toch nemen precies zoals het is: naast, het meest na, meest nabij.
Zo is de barmhartige Samaritaan uit Jezus' verhaal de naaste.
Deze man komt de neergeslagen, beroofde man langs de weg het meest nabij.
Toegepast op onze vriendschappen en huwelijken: de ander mag voor u de naaste zijn. Het gaat hier over een relatie waar ú zich bewust bent van afhankelijkheid. Daarbij is een soort enthousiast idealisme niet op zijn plaats. Niet voorop gaat het irreële gevoel van: ik wil mijn partner altijd helpen, ik sta altijd voor hem of haar klaar. Want zo'n instelling houdt niet lang stand. Je laten dienen gaat voorop, pas dan weet je wat het is, zelf te dienen.
Wie anders is de allernaaste dan de man of de vrouw aan uw zijde?
De naastenliefde is de kern van de huwelijkstrouw.
Zulke liefde is niet gespitst op eigenbelang, op bezitten en gebruiken. Het is een gerichtheid op de ander. Het is dienen. Wanneer twee mensen zo met elkaar omgaan, dan is dat een vrucht van Gods liefde voor de mensheid.
Hij, die deze dienende liefde het zuiverste heeft gepractiseerd, is Jezus Christus. Hij had geen enthousiaste hulpvaardigheid nodig. Hij heeft gezegd:
"Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen." Hij die zo heeft kunnen liefhebben, heeft de Wet vervuld.
De Kerk predikt Hem, omdat Hij ons is voorgegaan in een weg van liefde.
Een klassiek onderdeel van de huwelijksbelofte luidt: 'Trouw tot de dood ons scheidt' wel, Christus is zó trouw geweest, dat Hij tot in de dood voor ons geweest is de betrouwbare naaste! Uitdrukkelijk heeft Hij gezegd: 'Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.' Hij die zo liefgehad heeft, heeft de Wet vervuld.
De liefde vervult de Wet.
Tussen partners mag er vreugde zijn om die wetsvervulling.

Wij ontvangen door de H. Geest de kracht van Christus, diezelfde kracht waardoor Hij heeft kunnen dienen. Het is een belofte, dat onze eigenliefde afsterft en de liefde voor de ander gewekt wordt.
Bij alle blijdschap over onze relaties, huwelijken, partnerschappen en vriendschappen beseffen wij, dat de bron van die liefde God is. Zijn liefde tot ons wekt wederliefde, tot Hem en tot elkaar.