DE VERKONDIGING IN DE UITVAART
 

crematorium-
dienst
22 aug 2001

IN MEMORIAM

Commerina Klasina de Graaf

Roterdam, 5 mei 1913     -     Dordrecht, 17 augustus 2001

levensgezellin van wijlen T.L. Mooser

Waarde familie, vrienden en leden van de lutherse Gemeente, en andere belangstellenden,
Wij staan hedenmiddag voor de niet geringe taak, de persoon en het leven van mevr. De Graaf recht te doen. Een taak die dáárom niet gering is, omdat mevr. De Graaf een persoonlijkheid van formaat was.
Wat zou een predikant bedoelen met de uitdrukking 'persoonlijkheid van formaat' ? Wil hij dan zeggen: 'Mevr. De Graaf was een zeer gelovig mens' ?
Ik voor mij zou die betekenis er niet aan kunnen geven. Zelf heeft mevr. De Graaf mij herhaaldelijk gezegd: 'Ik gelóóf niet.'

Misschien denkt iemand: ho ho, zoiets persoonlijks mag niet in de openbaarheid worden gebracht. Dat is op zichzelf juist, maar mevr. De Graaf zélf kwam er rond voor uit. En houdt haar ten goede: zij wilde niet koketteren met die uitspraak, en nog minder wilde zij mensen in de kerk shockeren. Waarom kwam zij dan toch in de kerk, tussen de gelovigen?

Op vakantie in Rome bracht zij een bezoek aan het lutherse kerkgebouw, op zondagochtend, juist toen er een Eredienst gevierd werd. Het was vooral de vormgeving van de Dienst die haar boeide en raakte. Terug in Zwijndrecht ging zij op zoek naar een soortgelijke kerkdienst, en in de Evang.-Lutherse Gemeente Dordrecht vond zij die. Wat mevr. De Graaf raakte, was schoonheid. Ze vond die in de Bijbel, in de Eredienst, en, breder genomen, in gedrag, taalgebruik en kleding van mensen.
Zij was van meet af aan geen standaard-gelovige.

I
n de twintig jaar dat ik mevr. De Graaf heb gekend, is zij in ontwikkeling geweest. Dit is al bijzonder op zichzelf. Op gevorderde leeftijd, en toch een proces van verandering, van ontwikkeling. Zij was zich dat bewust, en heeft met pijn de afstand ervaren die daardoor ontstond tussen haar en nogal wat gemeenteleden. Daarom deed zij die uitspraak: 'Ik gelóóf niet', en ze bedoelde: zoals ik het geloof in de Kerk opnieuw heb leren kennen, nee, dát kan ik niet beamen.
U begrijpt uit het voorafgaande dat mevr. De Graaf onder geloof iets verstond dat zij helemaal zelf voor eigen rekening nam. Zij geloofde beslist niet op een traditionele of zelfs maar klassieke manier.
Denk aan het motto bovenaan de rouwbrief. Dat komt uit een gebed waardoor zij geboeid was: 'Wij kunnen U niet zomaar bidden, Heer, want U hebt zelf ons al gaven geschonken om te doen wat nodig is.'
Met verbazing en een beetje afkeuring kon zij reageren op mensen die het geloof helemaal lieten opgaan in afhankelijkheid jegens God. Het was in haar ogen een merkwaardig idee van God: iemand die ergens aanwezig is en een persoon is... Zij kon dat zo niet nazeggen.
Mevr. De Graaf was dikwijls scherp in haar waarneming en beoordeling. Dat geloof van veel kerkmensen, zei ze, dat geloof is eigenlijk een soort onzelfstandigheid, lafheid zelfs. Mensen willen liefst hun eigen verantwoordelijkheid afschuiven en dat terwijl ze zoveel kunnen! Vooral problemen en zorgen waarvoor in hun ogen geen oplossing is, schuiven ze op God af. Alsof Hij overal goed voor is waar wij niet uit kunnen komen.
Daarom sprak die gebedsregel haar zo aan: We kunnen U niet zomaar bidden Heer, want U hebt ons zelf al gaven geschonken om te doen wat nodig is.
Er is zoveel dat in onze macht ligt. We kunnen met z'n allen de mensen op hele wereld te eten geven. We hebben medische kennis om in rap tempo allerlei kleine naar ook grote kwalen over heel de wereld te genezen. We hebben zulke goede communicatiemiddelen en zoveel kennis van het verleden, dat we met z'n allen een einde aan de oorlogen tussen rassen en de aanhangers van verschillende godsdiensten kunnen maken. Schande dat we dat niet doen en in plaats daarvan tot God roepen of die het voor ons wil opknappen.

Zou ik mevr. De Graaf in enkele zinnen moeten schetsen, dan zeg ik: een dame met groot gevoel voor kwaliteit en met grote belangstelling voor alles wat echt telt in een mensenleven. Goede omgangsvormen, een scherpe opmerkingsgave voor oprechtheid van mens tot mens, en een begeerte naar kennis van de drijfveren die mensen maken tot wie ze zijn.
Daarbij hoort dan ook de godsdienst. Zij onderhield contacten met een joodse familie en liet zich door iemand uit die familie inspireren. Die inspiratie is blijven doorwerken. Het gebeurde meerdere malen, dat ze na een kerkdienst een losse opmerking maakte aan het adres van de voorganger die de Dienst geleid had. Die opmerkingen sloegen dan in, en eenmaal zei een gastpredikant dat het zuiver joods was, datgene wat ze zei.
Mevr. De Graaf las veel, tot halverwege de jaren negentig heel veel zelfs. Ze probeerde alles te verwerken en kwam tot zelfstandige meningen. Hoewel ze het geloof in een persoonlijke God niet deelde met de meeste kerkgangers, zag zij heel goed hoe belangrijk dat geloof was in de geschiedenis.
Uit haar lectuur over de oude volkeren en klassieke godsdiensten haalde ze iets op als een soort samenvatting. Wat zij zag...? Die beschavingen schrompelen ineen nadat de mensen hun goden vergeten en de eredienst verwaarlozen. Herhaaldelijk kon ze het formuleren, met een stem vol dramatiek: 'Een volk dat zijn goden loslaat, verloedert.'
Het is opmerkelijk dat een dame als zij, zelf niet klassiek gelovig, dit belangrijk vond.

Mevr. De Graaf sprak graag over godsdienst, geloof en levensbeschouwing. Bij dat laatste hoorde ook de antroposofie met de bijbehorende voedingsleer. Goed voedsel, verantwoord eten, dat had hoge prioriteit bij haar. Zulk voedsel zou ze in een verpleeghuis niet krijgen, zei ze, om die reden zag zij vreselijk op tegen een opname.
Weinig mensen vielen in de smaak bij mevr. De Graaf. Zo eerlijk moeten we ook zijn dat we dit kunnen zeggen. Daardoor werd haar kennissenkring in de jaren negentig geleidelijk heel klein. Zij betreurde dat, maar wist heel goed dat ze zélf geen verandering wilde brengen in haar syn- en antipathieën. Van de conversatie met bepaalde mensen in haar omgeving was ze eenvoudigweg niet gediend.
Toch was er een kleine groep rond haar die oog had voor de grote kwaliteit van haar leven. Want zoals mevr. De Graaf zijn er niet veel meer. Kwaliteit ook in de zelfkennis waarover zij beschikte.
Haar intimi weten dat zij erg twijfelde aan zichzelf. Zeker als het ging over het overkomen op een ander. Ze sprak daar veel over en vroeg op aarzelende manier, de mening van degene die bij haar op bezoek was.

Zo vormt er zich een beeld van een persoonlijkheid die enerzijds van een hoog zelfbeeld en anderzijds van een diepe bescheidenheid getuigde. Mevr. De Graaf kon in een en het zelfde gesprek zeggen: 'God is in mij, hij is de samenvatting van alles wat waardevol en schoon is.' En kort daarna zei ze: 'Wie ben ik eigenlijk zélf, ik merk dat ik pas iemand ben wanneer er een bezoeker tegenover mij zit met wie ik praten kan.'
In zo'n gespreksmoment bracht ik Jezus Christus ter sprake. Ik voor mij bemerk pas dat ik iemand ben, door het geloof in Christus. Want wat men ook denken mag van het christelijk geloof, Jezus Christus moet op de eerste plaats staan. De rest is invulling, beleving, praxis, vormgeving, noem maar op. Ook belangrijk, maar dan alleen op basis van de belijdenis van Christus.
Dit was voor mevr. De Graaf niet vanzelfsprekend, maar zij kon luisteren met grote aandacht. Met soortgelijke aandacht luisterde ik naar haar, want je kon veel van haar leren. Dat is zó belangrijk en onmisbaar in een contact: respect en bereidheid om eerst stil te zijn en te luisteren wie precies de ander is die tegenover je zit.

Wij zullen mevr. De Graaf missen, in de familie, in de kennissen- en vriendenkring, en in de lutherse Gemeente. Laten we haar niet vergeten, nee, meer nog: laten wij haar gedenken.
Eindig ik dan met de joodse wens die hoort bij een uitvaart: haar gedachtenis moge zijn tot zegen!

W. Baan