|
DE GESCHIEDENIS VAN DE LUTHERSE GEMEENTEN |
||||||||||
'Hoe
het Lutherde in Nederland' uit:
De Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, zoals ze officieel heet, is één van de kleinere kerkgenootschappen in ons land. In 1812 was nog 3,65% van de bevolking luthers. Dit zou al spoedig veranderen: in 1859 was het nog 1,65%, in 1920 1,27 %, in 1960 0,59%, in 1970 0,3 en daarna is de dalende lijn nog verder doorgegaan. In 1993 telde de kerk 10.000 leden en 11.000 doopleden. Er waren 57 gemeenten.
|
||||||||||
|
De
vestiging in het noorden
Op vele plaatsen vestigden zich lutherse vluchtelingen. Het waren meestal kleine groepen, die daarheen gingen, waar zij werk konden vinden. Alleen in Woerden bestond al een gevestigde gemeente, omdat in 1558 de stad en omgeving eigendom waren geworden van een Duitse graaf. |
||||||||||
Men wilde echter een Nederlandse kerk zijn. In 1648 verscheen de Lutherbijbel in onze taal; ook de gezangboeken waren in het Nederlands. En hoewel er in 1605 een synode bijeenkwam, die aandrong op eenheid van leer en ceremoniën, kreeg weldra de gemeente Amsterdam een allesbeheersende plaats en vormde deze in feite het bestuur van de kerk. |
||||||||||
| Stromingen Het aantal gemeenten breidde zich door het hele land steeds meer uit, ook door de komst van Duitse en Scandinavische handelslieden en arbeiders. De theologische richtingen aan de Duitse universiteiten, waar de aanstaande predikanten studeerden, lieten niet na ook hier hun invloed te doen gelden. Het piëtisme, dat de nadruk legde op innerlijke vroomheid, boeide velen, die zich verzetten tegen een strikt handhaven van de kerkordelijke regels. Daarnaast kwam aan het einde van de achttiende eeuw het rationalisme op, dat kritisch stond tegenover de oude geloofswaarheden en het geloof redelijk wilde verklaren. Dit laatste werd aanleiding tot een kerkscheuring, toen in Amsterdam een deel van de gemeente zich in 1791 afscheidde. Twee lutherse kerken Bij de splitsing in de hoofdstad sloten zich enkele gemeenten aan. En zo stonden naast elkaar de Evangelisch- en de Hersteld Evangelisch-Lutherse Kerk, ieder met een eigen bestuur en eigen predikantsopleiding. Het zou tot 1952 duren eer beide kerken weer een werden. Toch wisten de bijbels gelovigen uit beide kerken elkaar te vinden, in het bijzonder in het Nederlands-Luthers Genootschap voor In- en Uitwendige Zending, gesticht op initiatief van de Duitse lutherse predikant in de hoofdstad, ds. L.C. Lentz. Dit genootschap ontplooide grote activiteit, stimuleerde zondagsscholen, jeugdwerk, legde de grondslag voor stichting van nieuwe gemeenten, die later door de kerk werden erkend. Ook richtte men zich op het werk van de uitwendige Zending: In 1889 kwamen de eerste zendelingen werken op de Batu-eilanden in Nederlands Oost-lndië. Ook kwam het in 1886 tot de stichting van de Lutherse Diaconesseninrichting in Amsterdam. De zusters werkten weldra in het hele land. In de tweede helft van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw stonden de richtingen van rechtzinnigen en vrijzinnigen in vele gemeenten scherp tegenover elkaar. Een nieuwe kerk Na de oorlog brak een nieuwe periode aan. In 1947 werd de Lutherse Wereldfederatie gesticht. De beide lutherse kerken hier te lande sloten zich daar bij aan. Het gevolg was dat beide kerken in 1952 één werden: de twee richtingen vonden elkaar. In 1956 trad een nieuwe kerkorde in werking. De kerkgebouwen werden liturgisch ingericht. Grote aandacht werd besteed aan de liturgische vormgeving van de kerkdienst. Er verscheen in 1955 een nieuw gezangboek. Op het luthers conferentieoord Kasteel Hoekelum in Ede vinden sindsdien conferenties en cursussen plaats. Een lekenopleiding ging van start. De laatste tijd De toenemende secularisatie laat ook de lutherse kerk niet ongemoeid. Het kerkbezoek vermindert drastisch. Kerkgebouwen worden gesloten. Toch is er veel activiteit, vooral in de kleinere gemeenten. Oude kerkgebouwen worden met veel inzet en toewijding gerestaureerd. Oecumenische samenwerking groeit meer dan ooit. In 1973 is tezamen met hervormden, gereformeerden, doopsgezinden en remonstranten het Liedboek voor de Kerken in gebruik genomen. Met de Nederlandse Hervormde Kerk kwam het tot een consensus over het avondmaal en de doop (1957/1958). Aan de universiteit is het tot een gemeenschappelijke predikantsopleiding met hervormden en doopsgezinden gekomen. Ook met de Rooms-Katholieke Kerk kwam een consensus over de doop tot stand (1968). In 1985 heeft de lutherse synode besloten zich aan te sluiten bij het Samen op Weg-proces van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland. |
||||||||||