IN MEMORIAM JAN BAAN

 
Biografische notities bij het leven van mijn vader
 

geboren 6 november 1916 te Zwijndrecht

gestorven 15 november 2001 te Dordrecht


Ditmaal een veel langer en persoonlijker getint In Memoriam dan gebruikelijk, want het is mijn vader wiens gegevens u in het opschrift aantreft.


Jonge jaren in Zwijndrecht

Mijn vader is in de hervormde kerk te Zwijndrecht gedoopt, in een confessioneel milieu. Hij groeide op in een gelovige én tolerante omgeving. Streng in leer en leven waren zijn ouders niet, maar wel serieus.

De familie Baan waarvan hij deel uit maakte, bestond hoofdzakelijk uit tuinders. Zijn vader Willem Baan werd uiteindelijk bedrijfsleider bij de firma Los, die groenten verwerkte en inmaakte. Zelf kon mijn vader dankzij werk op de tuinderijen een tewerkstelling in Duitsland ontgaan.
In het gezin (zeven kinderen) waren altijd dieren, zoals kanaries, duiven en goudvissen. Met bewondering stonden Duitse soldaten voor de hokken en lieten grondige huiszoeking na.

Na de Tweede Wereldoorlog besloot hij niet werk te zoeken in de richtingen waarin hij op de LTS in Dordrecht was afgezwaaid: timmeren en elektrotechniek, maar de politieschool te gaan volgen.
Omdat hij vóór de oorlog in het leger het tot sergeant gebracht had, kon hij daarna beroepsmilitair worden. Maar liever accepteerde hij een plaats in het politiekorps te Leeuwarden. In 1948 begon hij daar, en was inmiddels gehuwd met Cornelia H. Stolk, een meisje dat in Zwijndrecht op één minuut lopen van zijn ouderlijk huis woonde.

In Leeuwarden

In Leeuwarden moest het echtpaar acclimatiseren. Vader en moeder vonden een geestelijk thuis in de hervormde wijkgemeente 'Bloemwijk' - zij woonden namelijk in de Papaverstraat, één van de vele straten met een bloemennaam. De wijkgemeente was confessioneel, net als in Zwijndrecht. Zij volgden belijdeniscatechese bij de wijkpredikant dr J. de Bruijn, en legden de Openbare Belijdenis des Geloofs af.
Daarna werden zij samen collectant in de kerkdienst, later werd vader ouderling en mijn moeder ziekenbezoekster.

Achter het huis verrees een groot vogelhok waarin mijn vader zangkanaries kweekte en op zang selecteerde. Hierin muntte hij uit; hij won diverse keren met een meesterzanger een hoofdprijs op concoursen. Kennis van - en liefde en respect voor de natuur waren hem van jongs af aan ingegeven en droeg hij ook op mij over. In de kanariehobby ging hij helemaal op en in de fokvereniging vond hij een enkele vriend. Verder had hij slechts één collega met wie hij min of meer vriendschappelijk omging. Maar meer vrienden had hij niet, ook niet in de kerkelijke Gemeente. Hij was een man die van nature eenzelvig was.
 

Kerkwerk

Mijn vader was een ouderling die zijn ambt en ambtsbezigheden zeer serieus nam. Hij deed huisbezoeken met grote trouw, en bezocht altijd snel de nieuwingekomenen. Hij weigerde het gesprek te wijden aan 'koetjes en kalfjes', want er moest vooral over bijbel en kerk gesproken worden.
De dienst aan de Heere-God en het dienstwerk in de Kerk waren voor hem een eenheid. Wat andere mensen vonden van de wijze waarop hij dit werk verrichtte, had voor hem weinig betekenis. De verhouding met zijn wijkpredikant was erg goed, hij bejegende hem met veel respect en droeg hem ook een warm hart toe.
Mijn vader las veel in de bijbel en in populair-theologische boeken en tijdschriften. Hij volgde het kerknieuws en keek op tv naar discussieprogramma's van theologen. Hij toetste alles aan de orthodoxie, maar bovenál ging hem toch, of iemand op fatsoenlijke en heldere wijze zijn standpunt weergaf. Gedraai en spitsvondigheid kon hij niet waarderen.
Zijn wijkpredikant was 'kohlbruggiaan', dat wil zeggen, sterk beïnvloed door het theologisch werk van dr H.F. Kohlbrugge (1803-1875). Ik denk dat de onverzettelijkheid en consequentie van deze man én zijn theologisch denken, mijn vader aanspraken.
Hij was in Leeuwarden geïnteresseerd in andere kerkgenootschappen, maar dat was niet uit oecumenische overtuiging. Hij dacht veel na over 'waarheid in de Kerk' en zocht die her en der. Maar hij kon ook zich ontzettend storen aan gebrek aan decorum. Daarom keek hij ook hoe bij anderen toeging.
In 1971 wilde hij aan de hervormde kerkdiensten in Leeuwarden niet meer deelnemen, uit ergernis over de vervlakking van discipline en decorum. Zijn predikant op de bazaar aan het rad van fortuin, dat kon hij niet verwerken. Dat gedrag van de dominee paste wel in een jaren-zeventig tendens, alles te populariseren, tot en met de leer. Mijn vader moest daar niets van hebben.

Bevordering en ziekte

In het kerkwerk en in zijn politie-vak kon hij correct met mensen omgaan. Dat viel op en daarom werd hij namens de hervormde gemeente Leeuwarden afgevaardigd naar de PKV Friesland (Provinciale Kerk-Vergadering). Door de hoofdcommissaris werd hij bevorderd tot brigadier van politie.
Maar in beide nieuwe functies ging het niet goed. In de PKV ergerde hij zich aan de kerkpolitiek en de weinig gepolijste stijl van vergaderen. Hij bleef niet lang afgevaardigde. Als brigadier moest hij meer dan hem lief was zondagsdiensten verrichten. De onregelmatige werktijden waren slecht voor zijn gezondheid. Hij ging tobben met een oude hernia en kreeg last van zware hoofdpijnen. Tenslotte werd hij voor 80 % afgekeurd en dat bood de mogelijkheid om met vervroegd pensioen te gaan. Vader was toen 56 jaar.

Terug in Zwijndrecht

Na een korte tijd in Tiel gewoond te hebben, vestigden mijn ouders zich in Zwijndrecht, eind 1974. Het was een soort thuiskomen voor hen - zij hadden immers heel hun jeugd daar doorgebracht.
Vader werd opnieuw ouderling (in Wijk Centrum) en stelde zich net zo op als in Leeuwarden. Hij was toen 'rechtser' geworden, had kennis gemaakt met de strenge reformatorische richting en sympathiseerde met de Gereformeerde Bond. Hij las veel en hield de ontwikkelingen in kerkelijk Nederland bij. Hij hielp mij met typewerk bij de afronding van mijn doctoraal examen Theologie (1977).

Naar Dordrecht

In 1981 verhuisden hij en mijn moeder naar Dordrecht. Daar kon hij niet goed aansluiting vinden bij de hervormde wijkgemeenten, ook niet bij de Geref. Bondsafdeling. Dus werd hij een 'kerkzwerver' en zocht het in andere reformatorische kerkgenootschappen en groepjes zoals 'Joh. Calvijn.' Het is wel wat tragisch dat zijn pogingen om bij zulke kerkgemeenschappen aansluiting te zoeken, mislukten. Hij 'sprak het taaltje niet', begreep niets van de Avondmaalsmijding, en (naar wij nu beter begrijpen) begon in de jaren tachtig al problemen te krijgen om alles goed te kunnen volgen.
De keuze van hem en mijn moeder om luthers te worden en in de lutherse Gemeente te blijven, laat zich verklaren door het feit, dat mijn vader wist waar hij aan toe was in de lutherse Gemeente en daar gewoon geaccepteerd werd. Maar hij had niet zoveel waardering voor de ceremoniën van de lutherse Eredienst.

Laatste ziekte

In het laatste tiental jaren van zijn leven ging hij steeds meer dementeren. Over geloof en kerk sprak hij niet meer. Tenslotte was opname in 'Het Parkhuis' onvermijdelijk, in 1997. Hier openbaarden zich ook de lichamelijke gevolgen van de dementie. Toch kon hij nog van onze bezoeken genieten.
Na een kort en ernstig ziekbed in 'Het Parkhuis' is mijn vader aldaar, in het bijzijn van moeder, mijn echtgenote en mijzelf, op 15 november om 04.15u. gestorven.

Uit ons zichtbare leven is heengegaan een man van grote trouw en plichtsbetrachting, in zijn leven als echtgenoot en vader, in zijn zorg voor de vogels, en ook in zijn wereldlijk en in zijn kerkelijk ambt.

De HEER spreekt van Sion dat Hij verkoren heeft:

"Haar priesters zal Ik met heil bekleden, haar vromen zullen vrolijk juichen." Psalm 132:16

Willem Baan