STERKE GOD

 

De verkondiging op het Hoogfeest van Christus'geboorte

Tekst: Jesaja 9:5

preek in de Evang.-Lutherse Gemeente Dordrecht op 25 dec 2006


Op dit Kerstfeest horen vele miljoenen kerkgangers het Evangelie van het pasgeboren kind Jezus. Gaat u het zelf eens na wat u in de afgelopen jaren gehoord heb over de geboorte van dit kind. Of nee, laat ik toch bij mijzelf beginnen: wat heb ik gepredikt over dit kind? Het was meestal nieuw-testamentisch en hield heel veel rekening met onze beleving – de beleving van mensen uit de 20ste en 21ste eeuw.
Toch vraag ik me af of die aanpak geen belemmering is voor het recht verstaan van het kerstevangelie.
Wij zeggen wel dat we het kind Jezus in het middelpunt van onze verkondiging stellen. Maar zijn wij ons bewust van onze kijk op kinderen, onze ideeën over wat een kind waard is en wat zij zijn zouden moeten zijn? Want onvermijdelijk beïnvloeden al die denkbeelden onze verwerking van het kerstevangelie.
In de Kerk kun je gelukkig nog her en der terecht om kritische geluiden te horen over kerstfeest vieren. Laten we ook hier proberen om een zuiver geluid voort te brengen; een woord dat strookt met wat in het bijbelse Israël geloofd werd omtrent het kind.

U weet, ik ben bezig met het boek Genesis. Als kleine jongen al heb ik geleerd dat de geboorte van Jezus al vlak na de zondeval beloofd werd. Er zou voortaan vijandschap bestaan tussen het zaad van de slang en het zaad van de vrouw. Het zaad van de vrouw zou dan Jezus zijn, en die zou de kop van de slang vermorzelen. De schooljuffrouw noemde dat: de moederbelofte.
Toch raar dat deze belofte niet aan moeder de vrouw gedaan is. Het is een bikkelharde bedreiging, gericht tegen de slang en diens zaad. Wat denkt u, is het mooie er dan wel af? Eigenlijk geen tekst voor het Kerstfeest... of toch wel?
Toch wel, want hiermee kunnen wij een echt schriftuurlijke kijk op het kind krijgen.
Eén ding is duidelijk en onomstreden: Eva was later heel gelukkig met haar eerstgeboren zoon.
‘Met hulp van de Heer heb ik het leven geschonken aan een man!' zo klonk haar blijde kreet na de geboorte van Kaïn. Ze dacht dat dit de Messias al was – althans volgens de uitleg van mijn schooljuffrouw. Nu zou ik zeggen: zij heeft op dit kind haar hoop gevestigd, en dat is eerst haar eigen belang.
Haar eigen belang... maar dan wat anders dan dat van moderne stellen die bezig zijn met al dan niet kinderen krijgen.

Enkele maanden geleden las ik een interview met een gynacoloog. Een man van berusting, ja zelfs van vermoeidheid. ‘Och,' zei hij, ‘ik zou soms mijn verstand op nul willen zetten, vooral tijdens het spreekuur. Eerst komt er een stel en dat legt heel hun geluk in mijn handen, want ze willen zo dolgraag een kind. Wanneer ze vertrokken zijn komt er een volgend stel. Die mensen leggen hun eisen op tafel, ik moet een ingreep doen, want ze willen beslist geen kind.'
Het is allemaal heel tegenstrijdig en verwarrend in onze samenleving.
Dan zwijg ik nog over een land als China waar, in een (zogenaamd) normale situatie, een vrouw moeder mag worden van slechts één kind... Hier is weer een heel ander belang aan de orde.

Wat ik nog al eens hoor zeggen door mensen van zeventig, tachtig jaar: ‘Ik ben blij dat ik kinderen heb, zij helpen mij met van alles dat ik zelf niet meer kan.' Dit komt dicht in buurt bij de waardering die het bijbelse Israël heeft voor het kind. Kinderen als een soort verzekering! Wanneer je wegens ouderdom of ziekte niet meer kunt werken, dan zijn eigen kinderen een garantie voor voedsel, kleding en onderdak. Dat verklaart meteen ook, waarom zonen in dat geval méér gewenst zijn dan dochters. Meisjes komen door een huwelijk terecht in een andere familie en hebben dan in die kring hun eerste verplichtingen.

Een zoon kan ook vechten. Er is een psalm over het geluk van het zonen hebben, psalm 127. Daar horen we wát dat geluk is: ze kunnen de stadspoort verdedigen tegen de vijanden.

Op het geboortefeest van Christus doen deze teksten wel degelijk mee, op de achtergrond. Het is geen zoetelijk iets, geen romantiek. Het is niet bepaald mooi, het streelt het gevoel niet. Maar het is de realiteit, in een wereld waar vijanden aan de poort staan.

We kunnen nu beter volgen waarom een geboren koningskind bejubeld wordt met titels en kwaliteiten. Onze kanseltekst propt een heleboel samen, in één tekst: de heerschappij op zijn schouder, wonderbare raaadsman, sterke god, vredevorst... en meer.
Al deze hoogheidstitels laten duidelijk horen, dat de geboren Christus een strijder is.
Verkijk u niet op dat zwakke en kwetsbare. De Christus is dat enkel uit lotsverbondenheid met de armen, de doden, zij die gezeten zijn in schaduw des doods. Maar zelf is hij de sterke held, hij die het opneemt tegen het kwaad, de dood, de hel en de duivel.

Hij begint zijn leven in deze wereldeeuw als het ware in de dood, dicht bij de mensen die ten dode vervallen zijn. Maar hij is de levensvorst: één van zijn hoogheidstitels luidt: eeuwige vader. Waaraan u kunt horen dat de afkomst van dit koningskind niet uit de mensen maar uit God is.
Dit koningskind is een strijder, een kampvechter ten gunste van ons. Zelf kunnen wij het niet opnemen tegen het boze waarin wij gebonden liggen.
Gebonden liggen, ja, dat is bijbelse taal. Maar het mag niet moralistisch worden verstaan.
De briefschrijver Johannes zegt niet: het boze is in de wereld, nee, hij zegt: de wereld ligt in het boze.
Hier is sprake van macht. De wereld ligt in het boze, dat wil zeggen: is gevangen en geklemd in het boze.

De opgestane Heer is het christuskind
met koninklijke waardigheid:
de rijksappel in zijn hand

De Christus Jezus gaat een wereld binnen die verloren ligt in zonde en schuld - ja dat is de waarheid van de regel uit het Kerstlied ‘Stille Nacht': een wereld verloren in schuld.
Schuld is niet dat alle mensen moreel gesproken slecht zijn, al bij hun geboorte door erfzonde schuldig.
Wél dat wij niet van onszelf kunnen zeggen: ik ben een vrij mens, niets doet me wat, ik ben sterk, ik sta overal boven! Nee, want wij worden geboren in gebondenheid. Daarom hebben wij een voorvechter nodig, een kampvechter, een sterke held.
Dat is de Christus !
Hij is het van wie het boek Apocalyps, dat op naam van diezelfde apostel Johannes staat, zegt: "De leeuw die uit Juda's stam is, heeft overwonnen."

Dit is een oud-christelijke en ook zeer schriftuurlijke verkondiging van de Christusgeboorte: namelijk dat hij als een koningskind ter wereld is gekomen. Een koningskind waar de onderdanen al hun hoop op gevestigd hebben. Hoop op bevrijding, hoop op het geluk van een andere tijd.
De nieuw-testamentische evangelisten staan in de lijn van hun gewijde geschriften, ons Oude Testament, wanneer zij de Christus verkondigen als een koning tegen de keizer van Rome, en tegen Herodes, diens vazal. Zo leggen zij uit wat het betekent, dat de profeet Jesaja getuigt van het koningskind: hij is een sterke God!
Het kleine kind dat de geboren Christus is, krijgt de hoogheidtitel: sterke God. Door zijn kleinheid worden wij groot, want Hij is een sterke God om gebondenen vrijheid uit te roepen.
Wij nemen de belofte van de profeet Jesaja zingend over: Gezang 25

TERUG NAAR DE INHOUDSOPGAVE