KERSTBEZINNING DOOR DE OS EN DE EZEL

 

De verkondiging op het Kerstfeest 2007

Tekst: Jesaja 1:2

preek in de Evang.-Lutherse Gemeente Dordrecht op 25 dec 2007


Denken wij misschien dat in een kerstpreek eigenlijk niks nieuws meer te zeggen valt? Gelukkig hebben we het mis!
Kerstfeest is eigenlijk een laat ontwikkeld feest, en rond dit feest is veel folklore ontstaan. Kijk eens naar de kerststal, zoals er ook hier één staat. In een luthers kerkgebouw kan dat, want lutheranen over heel de wereld hebben beelden en afbeeldingen in hun kerk.
De kerststal met zijn figuren is niet letterlijk uit het Nieuwe Testament in de Bijbel af te leiden – straks zult u daar meer over horen. Eerst doe ik een goed woordje voor die kerststal. Hij is een soort zichtbare prediking van het Kerstfeest. Stel u die middeleeuwse kerkgebouwen voor waarin voor het eerst de kerststal neergezet werd. Zo'n kerkgebouw was de hele week open, en wie daar binnen was, kreeg door die kerststal als het ware de kerstprediking te zien.
Laat uw ogen in gedachten eens gaan door de kerststal – over welke figuren hebt u de meeste preken gehoord? Het is niet moeilijk te zeggen...
Het geboren Christus kind natuurlijk, en dan Jozef en Maria. De herders, ook daar gaan best veel preken over. De drie wijzen uit het Oosten komen daarna wel, eventueel nog op 6 januari of in de buurt van die datum, want dat is het Drie Koningen-feest.
Én er is de kribbe, daar gaat ook prediking van uit... .
We noemen toch nog twee figuren in de kerststal:
de os en de ezel !
Nee, over de os en de ezel horen we weinig preken.
Het komt vast en zeker omdat ze in het evangelieverhaal van de stal niet worden genoemd.
Ze zijn er in de Middeleeuwen bij gezet. Ze zijn nooit meer weggeweest. Geen kerststal of ze staan er.
Toch spelen ze in de kerstprediking haast geen rol.
os en ezel

‘t Zijn dieren, en op Kerstmis moet het gaat over de mens, tóch? De mens – wiens vlees en bloed door Christus op zich genomen zijn.
Het valt te vrezen, dat een kerstprediking met enkel die inhoud een ontsporing is.
Al is het dat de dieren weinig aandacht krijgen in de gewijde geschriften, toch moeten ze meedoen.
Meedoen – en zeker op het Kerstfeest !

Voor dieren komt steeds meer aparte aandacht. Met ‘apart' bedoel ik dat ze niet beoordeeld worden, op hun nuttigheid als trekdier, lastdier, of leverancier van melk en huid. Ook niet hoe lekker ze zijn om op te eten.
Aparte aandacht, voor hun welzijn, dat ze geen pijn lijden en niet afgedankt worden als ze geen voordeel meer opleveren. Het is toch uniek dat er in Nederland een Partij voor de Dieren is opgericht...? Tien, twintig jaar geleden zou dat ondenkbaar geweest zijn.
Natuurlijk mag deze gedachte een plaats krijgen op het Kerstfeest. Wij geloven dat Christus de Eerstgeborene aller creatuur is. Deze oude Statenbijbel-uitdrukking – Eerstgeborene aller creatuur – wil zeggen: Christus staat aan het hoofd van de Schepping.
Sterker nog: Hij is de Heer van het nieuwe leven, de opgestane uit de doden. Ook dit hoort bij het Kerstfeest. Wij vieren de geboorte van de levende Heer !

De dieren doen mee, want ook zij zijn een deel van Gods Schepping.
Daarom dat de os en de ezel een plaats krijgen in de prediking van Christus' geboorte !
We kunnen nog verder gaan: dit is nog niet alles !
De middeleeuwse kersstal-bouwers hebben uitdrukkelijk gekozen voor de figuren ‘os en ezel.'
De schapen zien we bij sommige kerststallen ook wel staan, en die kunnen ook onderwerp van overdenking zijn.
Het schaap is een bijbels beest, met symbolische waarde. De schaapskudde als symbool van het volk van God.
Zijn die os en die ezel ook schriftuurlijke beesten?
Zeker wel, er is één tekst waarin ze samen aanwezig zijn, en waarin ook nog de kribbe, de voederbak, wordt genoemd.
De eerste woorden van het boek van de profeet Jesaja: ‘Een os kent zijn bezitter, en een ezel de kribbe van zijn heer; maar Israël heeft geen kennis, mijn volk heeft geen inzicht.'
Door deze tekst worden we even tot bezinning gebracht.
Ik zei u in de Adventtijd: een voorbereidingstijd als deze hoeft niet enkel zwaarwichtige bezinning te zijn, want we bereiden ons voor op een feest.
Nu op het feest zelf zeg ik: een feest van de Kerk is niet enkel uitbundig, want er is ook een moment van bezinning.
Een feest dat alleen maar uitbundig gevierd wordt, is vrijwel zeker uit het bijbelse verband gerukt.
Uit het verband gerukt... U kent die uitdrukking wel wanneer het gaat om losse bijbelteksten. Maar het kan ook met complete bijbelgedeelten. Bijvoorbeeld het van elkaar losmaken van de beide delen: het Oude Testament en het Nieuwe Testament.
Kerstfeest vieren waarbij het Oude Testament niet meedoet, is een kwalijke zaak. De os en de ezel staan in de kerststal om ons tot bezinning te brengen. Want het is nodig om te weten waaróm de Christus geboren moest worden. Daarvoor hebben we de bronnen nodig: de gewijde geschriften van Israël en die geschriften noemen wij ‘Oude Testament.'
Bij alle verwondering en vreugde óók bezinning.
De os en de ezel brengen ons de beginwoorden van het profetenboek Jesaja te binnen: ‘De os kent zijn bezitter, en een ezel de kribbe van zijn heer; maar Israël heeft geen kennis, mijn volk heeft geen inzicht.'

Gods volk – Israël en wij – hebben wij geen kennis en geen inzicht...? Nee, want hadden wij dat wel gehad, dan was het verhaal van de Christusgeboorte waarschijnlijk heel anders geschreven.
Vergeet nooit dat de geboorte die wij nu vieren, heeft plaatsgevonden onder grote risico's en in armoede. Pas later komt de aanbidding door de herders en worden royale geschenken aangeboden door de drie wijzen uit het oosten.
Hoe fraai ook de inkleding van het geboorteverhaal is, onmiskenbaar schamel en kwetsbaar is de Christusgeboorte. De os en de ezel staan er bij, zodat wij niet vergeten waarom die geboorte zo ternauwernood was.
De Christus is in zijn volk geboren juist omdat de mensen hun menselijkheid, menslievendheid, menswaardigheid, hebben vergooid. Israël en de Kerk denken telkens weer dat ze het al weten en dat ze niets meer hoeven te leren.
De dieren in het kerstverhaal, de os en de ezel, die kennen hun meester. De kribbe, de voederbak die hun meester neerzet, die herkennen zij.
Ze staan er om ons beschaamd te maken. Zij kennen hun meester en hun voederbak beter dan dat wij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus kennen.

De os en de ezel horen er ook bij omdat zij dieren zijn en omdat het Christuskind de Eerstgeborene aller creatuur is. Bovendien koppelen de os en de ezel het kerstverhaal aan de prediking van de profeten.
Prediking is de eigenlijke taak van de profeten: het terugroepen van het volk tot zijn Heer en Bevrijder.
Hier hebt u meteen de belangrijkste reden van de komst van de Christus, het komen van het Woord van God in menselijk vlees en bloed. Het is om het Israël en de Kerk weer terug te roepen tot de Heere-God.

Gemeente, u mag heten: Gemeente van onze Heer Jezus Christus . Hij is geboren voor u en voor mij, om ons terug te brengen tot zijn Vader.
We mogen de os en de ezel achter ons laten. Deze beesten leven op hun instincten. Wij kunnen echte kennis en inzicht hebben. Kennis, wie de Heere-God is, verkregen door de prediking van het geboren Christuskind. Inzicht hoe Hij gekend wil worden, te beginnen bij de schamelheid van de geboorte, de laaggeborenheid van het Christuskind.
Zo groeien wij in het geloof, en zo is onze blijdschap gefundeerd.
Blijdschap bovenal vanwege het unieke, onvergelijkbare van deze geboorte: God geopenbaard in het vlees en bloed van ons mensen. Wie had gedacht dat deze God zo onder mensen wilde komen, geboren willen worden... Dit is het heilig mysterie, en het staat niet op zichzelf als een geheimenis waar wij niet bij horen.
Luther noemt het een wonderbare ruil: de Allerhoogste ziet af van zijn hemelse majesteit en ondergaat ons kwetsbare lichamelijke bestaan. De ruil is dan, dat hierdoor wij vrij mogen zijn midden in al wat ons bezwaart, belast, in schuld en kwaad vasthoudt.
In die vrijheid smaken wij al iets van de zalige, de gelukkig makende Godskennis.
Door de verkondiging van deze Christus geboorte leren wij de Heere-God kennen.
Christus God-met-ons, zodat wij met God kunnen zijn
Deze woorden moeten worden verhoogd tot op de toon van een lied: wij zingen nu Gezang 147

TERUG NAAR DE INHOUDSOPGAVE