OPSTANDING:  UNIEK EN NERGENS INPASBAAR


De verkondiging op het Hoogfeest van Pasen 2003

Markus 16:8  'en zij (de vrouwen aan het lege graf) - zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd.'

Het opstandingsevangelie naar de beschrijving van Markus is het slot van dat evangelieboek. Tenminste, als je de kennis en de mening van de vakgeleerden serieus neemt. Een bijbelvertaling zoals die hier ligt, van het Ned.-Bijbel-Genootschap, zet het laatste part van hoofdstuk 16 tussen haken, om aan te geven dat het pas veel later is toegevoegd. Het heeft er alle schijn van, afgezien van de taalkundige argumenten.
Want lees die laatste verzen, en neem eens in overweging, of ze misschien het werk zijn van gelovige schrijvers die niet tevreden waren met het wel erg kale slot. Want wat lazen ze? Dat de vrouwen bevreesd waren en niemand iets durfden zeggen.
Onze lutherse evangelielezing voor het Hoogfeest van Pasen is dan het slot van het Markus' evangelieboek.
Opmerkelijk is, dat het laatste vers van deze evangelielezing – de kanseltekst – in ons jaarboek ook al tussen haakjes staat. Gelukkig betekent dat niet, dat de samenstellers van ons jaarboek dat ook beoordelen als niet oorspronkelijk. Maar ze hebben het als een niet-positief slot van de evangelielezing ervaren, dus wilden ze het maar liever ongelezen laten.
Raar eigenlijk, want de evangelist Markus heeft het wel degelijk geschreven. Het is het einde van zijn opstandingsevangelie.
Waarom is dát toch het einde, en wat hebben we daar aan?

Laten we gewoon toegeven, dat dit een ongewoon slot is. Vrouwen die zwijgen en bang zijn. Toch ben ik er zeker van, dat dit slot hóórt bij het opstandingsevangelie.
Een ongewoon slot bij een hoogst ongewoon verhaal...!
Wat verteld wordt, dat kán binnen ons voorstellingsvermogen niet, dat is onmogelijk binnen onze werkelijkheidsbeleving. Toch wordt het ons verteld door de evangelist, want het heeft te maken met het volstrekt vreemde en andere van de God en Vader van onze Heere Christus.
Opstanding? Dat is onnatuurlijk, tegennatuurlijk...! Inderdaad, omdat de God van Israël niet natuurlijk is.

Eén van de meest tegennatuurlijke getuigenissen is dat van kruis en opstanding. Omdat het daar gaat over een God die zijn mens zo nabij is, zo solidair met hem is, dat Hij zijn dood wilde sterven, en zijn nood tot de zijne wilde maken. Dat doet Hij zo, dat de dood Hem daarin toch niet overmocht. Zo, dat Hij toch God bleef. Toch Heer. Toch Koning.
De opstanding is daar de onthulling van. Dat die solidariteit, die verbondenheid niet ongedaan gemaakt kan worden. Niet door de dood, noch door het ongeloof. Niet door de angst, noch door onze ontrouw.

Wat wordt met Pasen zichtbaar? Gods trouw tót in onze ontrouw. Dat Hij met Zijn leven ons leven én onze dood omvat.
Daar hebben we net van gehoord, in dat zo vreemde verhaal. Maar nu is het zo, dat de opstanding als onthulling van wat in het sterven van Jezus gebeurde, dat die opstanding als onthulling toch direct weer in verborgenheid omslaat.
Of beter gezegd: dat die onthulling toch ook tegelijkertijd verborgenheid met zich meebrengt. Want het is immers niet direct zichtbaar.
De opstanding zelf is niet wat gezien wordt. De overwinning op de dood vindt plaats achter een grote steen. Ja, de vrouwen komen bij het graf, en daar horen ze: 'Hij is opgewekt. Hij is hier niet, zie de plaats waar zij hem gelegd hadden.'


Het 'gebeuren' van de opstanding onttrekt zich aan ons. Ook hier blijft er sprake van geheimenis. Ook hier is het onthulling én verborgenheid, zoals het kruis verborgenheid en onthulling is.
Het kruis en de opstanding van Christus kunnen nooit ons geestelijk eigendom, ons godsdienstig bezit worden. De vrouwen waren daarin oprecht. Zij waren ontzet. Door vrees bevangen.
Zij hebben door hun stilzwijgen erkend: hier kunnen wij niet op onze eigen bekende manier op reageren.
Het onttrekt zich geheel aan wat we hadden kunnen verwachten.
Ja, maar zó begint juist Gods bevrijdende daad.

Wat de evangelist Markus koste wat het kost vermijden wil, is dat het opstandingsverhaal als een vastgesteld gebeuren ter kennis wordt genomen. Want dat kan niet. Het kan niet als een gegeven ten prooi vallen aan filosofische speculatie. Het kan niet onderwerp van gesprek worden, met als centrale vraag of dit nu historisch is of niet.

Om terug te keren tot het opstandingsverhaal: wat zou je verwachten, hoe oosterse vrouwen reageren?
Wel, dat hun monden niet stil stonden, zo emotioneel dat ze waren ... maar dit gebeurt niet. Ze zullen best boordevol vragen hebben gezeten, maar volgens het slot van dit opstandingsevangelie hebben ze die niet gesteld.
Zij moeten hebben ervaren en begrepen: hier staan we op een grens, een grens, scherper nog dan die tussen dood en leven zoals wij die kennen.
Zij gingen heen en zeiden niemand iets. Want wat kunnen zij zeggen? Wat kunnen zij aan elkaar vragen?
Vanuit dit gebeuren begint juist het echte vragen, namelijk een vragen aan ons. Hier worden we in gang gezet. 'Hij is opgewekt, Hij is hier niet, zie de plaats waar zij hem gelegd hadden. Maar gaat heen...'
Ja, van hieruit gaan en leven wij. In het licht hiervan verstaan wij ons bestaan.

Wanneer wij dan toch spreken, dan kunnen we dat alleen maar doen door te wijzen naar Hem die met ons is. Die ons en ons leven omvat: de vragen en de twijfels, onze verlangens en onze teleurstellingen, ja ons leven en onze dood. Wanneer wij dan spreken, dan alleen door te wijzen naar hem die ons spreken doet.

Uiteindelijk hebben de vrouwen die aan het graf waren, wel degelijk getuigd. Zij roemden de aanwezige, levende Heer. Het getuigenis dat God bij hen was, is geen verhaaltje voor deze mensen geweest. ‘t Is ook geen mythologie, over een mysterieus en exclusief contact tussen hen en een godheid.
Voor hen en voor ons betekent Gods tegenwoordigheid dat we ons bestaan begrijpen mogen als geborgen in Hem, de Verborgene Allerhoogste. Ons leven is geborgen in zijn leven, zijn onvergankelijk leven, oorsprong van alle dingen en bron van de allerhoogste liefde.

Zingen wij van het nieuwe leven waartoe wij worden opgewekt: Gezang 210

TERUG NAAR DE INHOUDSOPGAVE