DE HOUDING VAN DE VOORGANGER IN DE LITURGIE

 
Dit artikel is van ds H. Valk, verschenen in 'Rond de Kerken' (Protestants Kerkblad voor Zuidwest Brabant) van 21 juli 2000.


Eredienst en Voorganger

Sinds Paus Johannes XXIII in oktober 1962 het Tweede Vaticaans Concilie opende, is er voor de Rooms-katholieke Kerk heel wat veranderd. Eèn van die veranderingen is geweest, dat de priester tijdens onderdelen van de zondagse eredienst niet meer met zijn rug naar het kerkvolk (zoals dat heette) staat, maar de hele dienst door naar het volk toegekeerd. Dat had gevolgen voor de inrichting van het liturgisch centrum: vòòr het tegen de muur aangebouwde altaar, deed de altaartafel zijn intrede en van die plaats af wordt voortaan de dienst geleid. Niet meer van tijd tot tijd met het gezicht naar altaar(tafel), maar gedurende de hele dienst met het gezicht naar de gemeente.  
  Ik heb die ontwikkeling altijd jammer gevonden. Want daarmee is een stuk duidelijkheid over wat het wezen van de eredienst is, weggenomen. Het wezen van de eredienst is immers de ontmoeting met God. En ontmoeting komt altijd van twee kanten, ook in de eredienst: God spreekt, wij luisteren en antwoorden; wij spreken en God luistert en antwoordt, zo mogen we geloven en soms ook ervaren.
Hoe spreekt God in de eredienst tot ons? In ieder geval ook door de mond van degene die de dienst leidt. Hij/zij begroet ons in de Naam van de HEER; hij leest het Woord van God voor en hij probeert in de verkondiging (de preek) de woorden van God duidelijk te maken voor ons leven ook voor zijn eigen leven.
Hoe spreken wij in de dienst tot God? In ieder geval ook door middel van de voorganger. Hij/zij brengt onder woorden, naar God toe, de gebeden die in ons hart leven; ook zijn eigen gebed en op het moment, dat wij ons geloof belijden of de lofzang aanheffen, stemt hij in met het lied van de gemeente, want het is ook zijn lied en zijn belijdenis. Ook hijzelf is kerkganger en gemeentelid.
linoleumsnede van
zr Marie-Noël van Alphen o.s.b.
 

Zo staat de voorganger tijdens de eredienst in een dubbele functie: stem van God naar de gemeente toe; maar ook: stem van de gemeente naar God toe.
Het onderscheid tussen die beide functies was in de oude rooms-katholieke vorm van eredienst voor iedereen duidelijk: wanneer de priester spreekt uit naam van God, staat hij naar de kerkgangers toegekeerd; richt hij zich in de gebeden namens hen - en voor zichzelf! - tot God, dan staat hij met zijn rug naar hen toe: één met hen en samen met hen het oog gericht op het altaar symbool van Gods aanwezigheid.

Waarom ik hier tot deze uiteenzetting kom? Omdat mij veertien dagen geleden, na de dienst in Halsteren dezelfde vraag gesteld werd als destijds in Aardenburg. Deze vraag: "Waarom gaat u na de preek gewoon in de kerk zitten en niet terug achter de avondmaalstafel?"
Het antwoord moge nu duidelijk zijn: omdat het lied dat dan aangeheven wordt, als ons antwoord op de verkondiging, ook mijn lied is en mijn antwoord.
"Een dominee preekt niet alleen tegen zijn gemeente, maar ook tegen zichzelf", zei mijn grote leermeester professor Van Ruler altijd. En hij voegde daar aan toe: "Ook de dominee moet van genade leven."
Goed beschouwd, zou de voorganger dus niet alleen tijdens het zingen tussen de gemeenteleden in moeten zitten, maar ook tijdens het uitspreken van de gebeden; het zijn immers ook zijn eigen gebeden. Samen bidden, met onze ogen gericht op avondmaalstafel en kruis, die ook in onze kerken teken zijn van Gods genade en van zijn aanwezigheid in ons midden. Ik ken een paar collega's die dat inderdaad op die manier doen en ik beleef dat altijd als heel zinvol en heel aangrijpend.

Ds. H. Valk