Necrologie

Uit het "Indisch tijdschrift voor Geneeskunde" anno 1893.

NECROLOGIE

Den 29sten October 1893 overleed te Amboina na een ziekbed van slechts eenige weken de Officier van Gezondheid 2e klasse WILLEM FREDERIK van HELL aan de gevolgen van een acute miliair- tuberculose.

Geboren te Amsterdam den 6den September 1863, studeerde hij, na de gewone lagere school en de Hoogere Burgerschool te hebben doorloopen, aan de gemeente-universiteit aldaar, waar hij zich het diploma van Arts verwierf.

Den 18den April 1889 aangesteld tot Officier van gezondheid der 2de klasse bij het Nederlandsch-Indische leger, kwam hij den 12den October d.a.v. te BATAVIA en vertrok onmiddellijk naar MAGELANG, van waar hij den 17den Februari 1891 werd overgeplaatst naar AMBOINA.

Alhoewel het geene gewoonte is, iederen overledenen collega een woord te wijden in het Indisch tijdschrift voor Geneeskunde, vermeen ik dit in het onderhavige geval aan de eer en den naam van den ontslapene verschuldigd te zijn, overtuigd, dat de plaatsing van dit geschrift geen bezwaar zal ondervinden.

Mijn vriend VAN HELL was iemand met een uiterst helder oordeel en gezond verstand.
Het was dan ook duidelijk merkbaar, dat hij met vrucht van de studie had geprofiteerd; niet alleen, wat betreft de vakken, die meer speciaal tot de geneeskunde behooren, maar ook in de abstracte wetenschappen was hij volkomen te huis.
Hij bezat een waarlijk benijdenswaardige algemeene kennis, niet oppervlakkig, maar degelijk, en 't was in de eerste plaats daaraan te wijten, dat hij overal gezien was en iedereen gaarne met hem converseerde. Ten anderen droeg daartoe veel bij, dat hij, aan een hoogst sympathiek uiterlijk eene ongedwongen opgeruimdheid en steeds bij hem voorheerschende bescheidenheid en wellevendheid paarde. Ik durf dan ook gerust te zeggen, dat iedereen met hem dweepte.

Dat hij zijn tijd aan de academie nuttig had besteed, bleek ten duidelijkste uit zijn kennis van de geneeskundige wetenschappen.
Over geen enkel onderwerp kon worden gesproken, waarvan hij niet op de hoogte was. 't Was echter niet alleen in de theoretische richting, dat hij zich had ontwikkeld; hij was ook een degelijk practicus. Had hij, na het voor en tegen ernstig te hebben overwogen, eenmaal eene diagnose gesteld, dan ging hij tot de aangewezene behandeling over, die hem dan ook bijna nooit in de steek liet.
In n woord, hij trad flink, zonder eenige weifeling op, zich volkomen bewust waarom hij z en niet anders handelde en niet schromende, zoo noodig tot de meest ingrijpende maatregelen over te gaan.

Was het te verwonderen, dat zijn patienten het meest onbeperkt vertrouwen in hem stelden? Zijn optreden alleen, zijn omgang met de zieken was voor deze voldoende, zich zonder voorbehoud geheel aan hem over te geven.

Alhoewel door zijn gewone diensten als Officier van Gezondheid en een vrij drukke particuliere praktijk veel inspanning zijnerzijds werd gevorderd, studeerde hij nog veel, eensdeels om zijne kennis te vermeerderen, anderendeels om anderen deelgenoot te maken van zijne ondervinding op geneeskundig gebied. Hoewel nog slechts vier jaar in Indi, kon hij als een ijverig medewerker van het Indisch tijdschrift voor Geneeskunde worden beschouwd. Velen door hem geschreven stukken, zooals:

Een geval van tumor cerebelli;
Een geval van sarcoma testis met uitgebreide metastasen;
Een zeldzaam geval van pleuritis haemorrhagia en
Vier gevallen van ulcera in het ileum,

werd eene plaatsing in dat tijdschrift waardig gekeurd.

Voor eenige maanden opereerde hij een lijder, die volgens zijne overtuiging aan eene operabele hersenaandoening leed, en was dit het eerste geval van hersenchirurgie in onze Oost-Indische bezittingen. Zijne hoop, van dit geval eene uitgebreide historia morbi te leveren, werd helaas niet vervuld.

In n woord, de studie was zijn lust en zijn leven, en zelden zag ik iemand, bij wie het willen en het kunnen zoo vereenigd waren.

Sedert het laatst van December 1892 was hij belast met de verdere opleiding van twee leerlingen-vroedvrouw, die zeer zeker hare kennis hoofdzakelijk te danken hebben aan het door hem gegeven onderwijs.

In tegenoverstelling van vele jeugdige artsen, die zich niet zoo gemakkelijk kunnen verplaatsen in den stand, dien zij in het leger innemen, was VAN HELL een flink militair.

Is zijn afsterven voor zijn nagelaten familiebetrekkingen een zwaar verlies, met hem daalde voor het leger een veelbelovend Officier, voor de geneeskundige faculteit een sieraad ten grave.
Een schoone toekomst was zeker voor hem weggelegd.

AMBOINA, 1 November 1893

Nawoord: De man van wie de schedel door Willem Frederik is gelicht, was een rijke Chinees die daarvoor na de geslaagde operatie (in 1893 !) f 1000,- betaalde.

P.s.: Jan van Hell, de zoon van Johannes Jacobus, bezocht in de dertiger jaren het graf van zijn in 1893 gestorven oom en vond daar, tot zijn verbazing, een goed verzorgd graf, voorzien van verse bloemen.
Dit graf bleek al meer dan 40 jaar door de dankbare, door Willem Frederik opgeleide vroedvrouwen te worden verzorgd!

Terug naar Welkom Reisbeschrijving van: (Home)

Terug naar Homepage Amsterdam