Reisbeschrijving Johannes J. van Hell

> 

JOHANNES JACOBUS VAN HELL (1865 - 1910)

Reisbeschrijving naar NEDERLANDSCH    OOST - INDI 1885

15 SEPTEMBER 1885. (Dinsdag)

Was 't niet dat afscheid nemen altijd minder aangenaam is, voorwaar ik zou mij gelukkig rekenen bij de blijken van vriendschap de laatste dagen ondervonden, waaronder ik vooral reken de pleizierige Zaterdagavond in Stroucken, en de tegenwoordigheid van zoovelen aan het Station bij mijn vertrek. Voorzeker aangename herinneringen aan zoveel bewijzen van vriendschap neem ik mede naar Deli.

Wanneer ik ons Hollandsch klimaat niet kende zou ik mij moeilijk voor kunnen stellen, dat terwijl ik met mooi weer vertrok, bij aankomst te Rotterdam de lucht er minder goed voorspellend uitzag. Dat was echter geen reden tot ongerustheid, daar de wind bijna onmerkbaar was. Ik ging van 't Station met de omnibus naar de Harwich boot waar ik om half zes aankwam terwijl men de laatste toebereidselen voor 't vertrek maakte, en trof mijn reismakker Stork daar reeds aan.

Om 6 uur werden de laatste kabels losgemaakt en onze boot door een sleepbootje omgetrokken, daar hij juist verkeerd lag met de voorsteven de Maas op. En daarna stoomde de boot op eigen krachten zeewaarts. 't Was reeds donker, 8 uur, toen we het laatste gezicht op de kust hadden. Aan de beweging van het schip was 't te merken dat we zee in gingen. Stork en ik hadden echter geen last van die beweging. 't Was dan ook betrekkelijk kalm weer met een helderen lucht. 't Was me echter onbegrijpelijk dat de zee zoo weinig beweging vertoonde, terwijl de wind toch tamelijk was aangewakkerd.
Wij bleven daarom tot 10 uur op dek en gingen daarna naar kooi.

16 SEPTEMBER. (Woensdag)
Om 4 uur werd ik door rumoer wakker, zakte uit mijn kooi en ging naar dek. Land of eigenlijk licht was in gezicht, het duurde echter nog een half uur voor wij in Harwich aankwamen: de zon kwam nu juist op, een roode gloed vertoonde zich boven de oppervlakte der zee. Dat was een schoon gezicht.
De kaden waren electrisch verlicht en na ontscheping begaven wij ons naar de douane. Ik kwam daar goed af. Stork moest echter voor een 80 sigaren 7 schilling betalen.

Wij vertrokken nu 5 3/4 uur met spoor naar Londen waar wij te 7 3/4 uur aan het Liverpool Station aankwamen. Wij waren overeengekomen direct naar Liverpool door te gaan, daar er in Liverpool toch ook een heeleboel merkwaardigs te zien is. Wij moesten nu naar Broadway Station waar vandaan de treinen naar Liverpool vertrekken, dat was een kleine wandeling waarop wij alleen iets van de drukte in de Londensche straten zagen.
Broadway Station is een kolossaal en mooi station met reusachtige kap. We namen daar een kleine hartversterking zegge: een bordje met ham en een homp brood, met een glas bier en vertrokken toen 8 uur 25 min.
't Waren niet veel anders als schoorsteenen wat we van Londen zagen. Hoewel geen mist, hing er toch een lichte nevel boven Londen.

Na vertrek van Broadway station passeerden wij in Londen nog stations, een tunnel (waar wij 2 minuten inwaren), nog twee stations, en toen waren wij Londen uit.

Op verschillende plaatsen gingen echter onder of boven ons treinen die ons kruisten, zoo zag ik eens dat er nog 2 spoorwegen onder ons doorliepen. 't Is te begrijpen wat sterke viaducten daarvoor noodig zijn. Overal in Engeland merkte ik dat er geen kruiswegen op de Spoorwegen bestaan; de wegen gaan of met viaduct over of met tunnel er onder door. Zeer kostbaar, dat voorkomt echter ongelukken en maakt baanwachters onnoodig. Er zijn natuurlijk vele viaducten noodig. Ik telde 10 in 10 minuten.

Wij arriveerden in Liverpool circa half drie (Liverpool tijd) de tijd verschilt ongeveer een kwartier
Na aankomst zochten wij een hotel op en gingen daarna de stad in.
Ik kreeg daarvan een goede indruk. Daar zijn zeer vele mooie gebouwen en London Road kan met de Kalverstraat concureeren is alleen veel breeder, de trams rijden meestal met 3 paarden er voor ook in de drukste straten.
De drukte is er echter niet hinderlijk. Wij dineerden in ons hotel om zes uur op zijn Engelsch.
Om 8 uur gingen wij naar de Star Music Hal. Een mooi gebouw wat we er zagen, is voor Engelschen misschien mooi, maar het interesseerde ons niet. Het was hoofdzakelijk zingen, voeten muziek, vechten en slaan dat het een aard had en waarbij erg geapplaudiseerd werd.
Om 11 uur is alles in Liverpool afgeloopen. Zoo ook gingen wij naar huis.

17 SEPTEMBER. (Donderdag)
Heden morgen ben ik om half zeven opgestaan om te schrijven.
De laatste en eenige geheele dag in Liverpool, en ik heb de stad daarom maar eens goed aangekeken. Zij maakt voorwaar een gunstige indruk op hare bezoekers en kan met andere steden van Europa best concureeren. Het minder pleizierige is de nevel of dunne mist die in dit jaargetijde meestal de zon belet haar stralen tot ons te zenden.

Het eerste wat men merkt zijn de hellende straten; het roept ons Brussel in 't geheugen waar dit van meer bekendheid is. De tramwagens worden daarom veel met 3 paarden getrokken.
Als merkwaardige gebouwen vermeld ik behalve verscheidene mooie schouwburgen: St. Georges Hal dat is het Paleis van Justitie (een zeer schoon & wonder groot gebouw). Prachtige Museums van Schilderijen, Beeldhouwkunst en Natuurlijke Historie's. Ik bezichtigde ze niet daar de tijd ontbrak en de verzamelingen niet mooier en compleeter zullen zijn als te Amsterdam
Het Wellington Monument is een zuil zoo hoog als een toren waar boven op zijn standbeeld. Het Nelson Monument vormt een schoone groep, de dood van Nelson voorstellende. Zijn laatste woorden zijn aan de voet van het standbeeld gebeiteld.

Ik zag ook een schoone fontein midden in de stad. Behalve verscheidene hulppostkantoren waar dames U helpen, is er het hoofdpostkantoor, een gebouw haast met het Paleis op de Dam in uitgestrektheid kunnende concureeren (dus goed voor een stad als Liverpool) maar veel mooier van bouwstijl. De post-box (brievenbussen) zijn ronde rode bussen en bevinden zich op verscheidene plaatsen in de stad; ze staan echter niet tegen de huizen maar midden op de trottoirs.

Ik zag nu nog de beurs, evenzoo een mooi & flink gebouw. Op de binnenplaats is de katoenmarkt; binnen andere; toegang daar wordt echter alleen aan abonnes verschaft.

Na deze wandeling was ik zoo ongeveer aan de India-Buildings gekomen.
Ik informeerde daar naar de Telamon. De boot vertrekt heden 2 uur & lag in de Docks.
Ik ging daarom naar het merkwaardigste gedeelte van Liverpool, de Mersey & hare kade. De docks waren aan de overzijde. De overtocht geschiedt op kolossaale booten & kost een penny, de Mersey heeft ongeveer de zelfde breedte als het IJ.
Er lagen verscheidene stoomschepen midden in de rivier voor anker. Deze zouden dezelfde dag nog vertrekken. De andere liggen voor lading in de Docks. Gelijkertijd met mij gingen nog een tiental andere stoomboten tegelijk de rivier over naar de Docks, Birkenhead of New-Brighton. Deze booten zijn alle veel grooter als de bekende Tolhuisboot & hebben 2 stoommachines & 2 dekken met afzonderljke kajuit voor smokers.

Na aankomst aan Birkenhead waar de Docks zijn was de eerste tocht naar de India-boats waar we de Telamon vonden, druk met laden.
Morgen moet dat alles echter afgeloopen zijn en de boot in 't midden der Mersey ter opname zijner passagiers; de Telamon is een prachtige boot, en gelijkt veel op die der Maat'ij Nederland, de hutten & salons zijn echter bovendeks. Er zijn een 20 hutten die mooi ruim zijn, en slechts voor 2 passagiers ingericht. Verder laat de boot niets te wenschen over er is alles; ik bezichtigde haar geheel en vertrouw op een goede overtocht.

Na terugkeer aan de kaden gingen wij voor 1 Shilling per boot naar New-Brighton (het Zandvoort van Liverpool) de overtocht duurt een half uur. Het reisje is wel de moeite waard. New-Brighton is een aardig plaatsje aan het strand gelegen. Vandaar heeft men een mooi gezicht op de zee. Er zijn behalve badkoetsjes, ook schiettentjes, schoppen voor kinderen, weegstoelen, verrekijkers, paarden en ezels te huuren verder vele vermakelijkheden.
De entree voor the Palace-Hal is 6 pence. Daar is scating-rink beneden in de zaal en boven op het dak, verder wintertuin (waar ik kruidje's-roer-mij-niet zag) concert (de geheele dag) grotten, apen en vogels, een wassen beeldenspel, Tooneel en zaal waar eenige rekken in de lucht hingen. De voorstelling begon echter te laat om te blijven.
Op weg terug naar 't hotel om te dineeren, merkte ik nog schoenpoetsersjongens geheel in 't rood gekleed, fruitverkoopsters die een handvol U voor een penny aanbieden.

De krantenjongens klimmen op in volle vaart zijnde trams en venten daar hun "Echo" of anderzins. Bij koffiehuizen dient veelal een groot vat met gekleurde glazen duigen voor uithangbord.

18 SEPTEMBER. (Vrijdag) Heden aan boord.

Dit is de laatste dag dat ik in Liverpool ben. Ik neem daarom 's morgens nog eens een kijkje in de stad, en ga tegen 2 uur per cab naar de kade, waar een pennyboot gereed ligt de passagiers en bagage naar de Telamon over te brengen. Deze pennyboot vertrekt om half drie, alle passagiers voor de Telamon zijn daarop.

De passagiers zijn: Mr. de Rijke een Hollander, die met vrouw en dochtertje naar Tokio in Japan gaan, verder Mr. Morgan, echtgenoote en 3 dochtertjes, die naar Singapore gaan en ten slotte Stork en mijn persoon. In 't geheel 10 dus; 6 groote menschen en 4 kinderen.
Ik tref het dat er nog meerdere Nederlanders aan boord zijn. We zijn nu met ons vijven. Ik heb direct kennis gemaakt met de familie "de Rijke", (uitstekende lui).

In een paar minuten zijn we bij de Telamon, die heden ochtend uit de Dokken is gesleept en nu in 't midden der Mersey voor anker ligt; we klimmen op het bovendek der pennyboot en stappen op de Telamon over; tot hiertoe vergezelde ons de broer van Stork, die nu met hetzelfde bootje naar Liverpool terugkeert, terwijl al het onnoodige tegelijkertijd van boord af moet.
Alleen de vrouw van den kapitein is het vergund ons tot New-Brighton te vergezellen en de loods die ons de rivier uit moet brengen.

Evenwel heeft het laden zooveel tijd gevorderd dat er aan beide zijden van den boot nog kolenschepen liggen te lossen. De Telamon neemt die, als om half 4 de ankers gelicht zijn, met zich mede.
We stoomen kalm voorwaarts, begunstigd door prachtig weer. Langzamerhand verlaten ons de beide kolenschepen, de vrouw van den kapitein en om 6 uur eindelijk als wij de open zee voor ons hebben, de loods.

Ondertusschen hebben de passagiers bezit van hun hutten genomen en is ieder een beetje aan 't rommelen gegaan of denkt alleen in stilte na over zijn vertrek.
Om 6 uur echter als de bel voor het diner gaat, komt alles aan tafel, en neemt zoo mogelijk een goed maal, dat als een goed middel tegen zeeziekte geldt.
Na diner, wat in de Salon plaats heeft, gaan we nog even naar dek een blik op de kust werpen. Wij volgen die nog de geheele nacht, als wanneer wij de Iersche-zee uitstevenen om het eiland Anglesey heen en St. Georges Kanaal in.

19 SEPTEMBER. (Zaterdag)

Ik word om half 5 wakker, terwijl ik in mijn kooi lig te schudden. Waarschijnlijk door die minder aangename schommeling, gevoel ik mij niet lekker, hoewel ik goed geslapen heb. Ik kleed mij, en ga naar dek om zeeziekte te voorkomen.
Wij zijn juist volle zee in gestoomd en daar, hoewel het weer stil is, het schip nogal slingert, heeft dit de minder aangename werking op mijn maag tengevolge, dat ik zeeziekte voel aankomen. Ik ga daarom naar mijne hut terug, en ben daar bijna den geheelen dag gebleven. Een paar keer heb ik gebraakt, en was anders alleen wat lusteloos; Stork hield zich eerst goed, hij kwam 2 keer bij mijn (hut), de derde keer echter, zag hij er echter bleek uit en verklaarde ook zeeziek te zijn. Hij is dan ook de geheele dag in zijn hut gebleven.
De hofmeester (steward) kwam ook een paar keer bij mij om te vragen of ik iets wenschte te gebruiken. Ik at 's middags wat beschuit met boter en kaas en ging toen vroeg naar bed.

20 SEPTEMBER. (Zondag)

Goed geslapen en voel mij weder quite wel. Ik sta daarom op en ga naar dek. Het eerste wat ik doe is mij aan de beweging van het schip gewennen. Af en toe slingert het nog al, maar de zee is anders tamelijk kalm en het weer goed. Passagiers komen de een na den ander boven naar elkanders welstand informeeren. Allen zijn zeeziek geweest, vooral de vrouwen en kinderen, die op 't oogenblik nog niet volkomen wel zijn. De kapitein en de docter komen ook eens informeeren.
Wij zijn op het oogenblik in volle zee, alle land is uit gezicht en we zijn volgens verklaring van den kapitein juist de golf van Biscaje ingestoomd.

21 SEPTEMBER. (Maandag)

7 uur op. 't Is prachtig weer.
Af en toe passeeren ons stoomschepen, zoo tel ik in een half uur 6 stoomschepen en een zeilschip. Een stoomschip, dat dezelfde kant als wij uitgaat, stoomen wij spoedig vooruit; een voordeel der Engelsche booten; de warmte is op het oogenblik in de schaduw 72 Fahrenheit.
Wij stoomen nu evenwijdig aan de Portugeesche kust, wij krijgen die echter niet in gezicht.

Ook heb ik heden het geheele stoomschip, onze woning voor een maand ongeveer, bezichtigd. De Telamon is een schoon schip; in 1885 gebouwd en heeft pas n reis gemaakt. Het is echter niet breed, maar tamelijk lang, gebouwd dus voor een snelle vaart. Er is gelegenheid om een 20 passagiers te bergen.
Het verschil tussen 1e en 2e kajuitpassagiers is alleen de hut. Mijn hut is minder elegant dan die van Stork. We verkeeren anders den geheelen dag te zamen in salon of op dek en eten het zelfde, maar ik eet niet tegelijkertijd met de passagiers 1e klasse. Deze eten eerst en daarna de 2e klasse passagiers.

De dag is als volgt ingedeeld: 6-8 uur thee, 9 uur breakfast, 12 uur lunch, 4 uur thee, 6 uur diner en 8 uur thee of koffie. Het eten en bediening laat niets te wenschen over.
Kaptein en stuurman zijn ongeveer 40 man; allen pleizierige en degelijke lui.
Daar de wind is aangewakkerd, wordt om half 4 voor 't eerst een zeil bijgezet daar de wind tot nog toe tegen was. Aan den boeg heb ik een uurtje staan kijken naar 't bruischen en opspatten der golven, dat is een mooi gezicht.
's Avonds hebben wij op dek gezeten en gingen om 10 uur naar kooi.

22 SEPTEMBER.(Dinsdag)

Half 5 op, om de zon op te zien komen.
Om even over vijfen kwam hij op, er was echter een nevelachtige wolk boven de horizont; het schouwspel was zeker nog schooner geweest, de warmte is nu 72 Fahrenheit.
Heden ochtend zagen wij ook weder verscheidene stoom- en zeilschepen, ten 9 ure krijgen wij de Portugeesche kust in gezicht.
Het weder is heden nog schooner dan gisteren.

Kaap San Roca blijft een geheele tijd in gezicht. Daar dicht zien we een klein stadje, waar het zomerpaleis van den koningin van Portugal is.
De kust vertoont zich anders als een aangeschakelde reeks bergen. We zien nu echter een baai waarin waarschijnlijk de Taag uitloopt. Lissabon ligt echter te ver om er iets van te onderscheiden.
Ik merk hier echter wel bedrijvigheid op de kust. Ontelbare zeilscheepjes zeilen de baai in of komen er uit. We zijn echter te ver van de kust en van hen af om ze duidelijk waar te nemen.

Daar de wind ons weder uit 't zuiden tegenwaait, wordt het zeil ingenomen. Bij het loggen blijkt het dat wij toch nog 11 1/2 mijl per uur maken. Dat is mooi. De vaart der booten der Maat'ij Nederland is gewoonlijk 10 Mijl.
Vandaag zie ik al bizonder veel schoorsteenen. Pas is de een verdwenen of er komt een ander achter of voor ons opdagen.
Ik denk dat de meeste Indische of Middellandsche zeebooten zijn van alle natien. De booten voeren echter geen vlag en de naam kan ik zelfs met mijn kijker niet lezen. Hoewel dicht bij de kust zijn er op dit oogenblik in gezicht: 4 groote stoombooten, 2 zeilschepen en 4 visschersvaartuigen.

Plotseling zie ik een paar groote bruinachtig gele visschen van circa 2 meter, maar te kort om op te merken wat voor soort het is. Walvisschen zien wij nu en dan in de verte; te herkennen aan de waterstralen die zij uitspuiten. Van hun lichaam krijgen wij echter niet veel te zien, alleen hun staart tusschenbeide.

Om 6 uur is de zon reeds onder op deze breedte, maar de schemering duurt nog wel 1/2 uur.
Om half negen krijgen wij het draaiende licht van den vuurtoren van St Vincent in gezicht. We passeeren de Kaap van zeer nabij. Van de andere komt echter nog een boot aanvaren, die tusschen ons en de Kaap door gaat.

23 SEPTEMBER. (Woensdag)

Omdat er vandaag nog al het een en ander te zien zal zijn, sta ik om 5 uur op; de lucht is echter eenigzins bewolkt zoodat ik de zon niet mooi kan zien opkomen. Er is heden een weining meer wind en wel oostelijk.
We bevinden ons bij de bocht der Spaansche kust waarin Cadix ligt. Omdat wij echter volgens de kortste route (een rechte lijn) gaan, zien wij van Cadix niets, zelfs is de kust weder uit gezicht.
De thermometer wijst in mijn hut 72 graden.

Dat is echter niets, want heden bereiken wij nog Gibraltar. Even voor het ontbijt, terwijl ik op het middendek (wat het laagst ligt) naar de golven sta te kijken, komt er plotseling een groote golf, die aan stuurboord waar ik sta, over dek vliegt en zodoende mij tegelijkertijd een nat pak bezorgt. Ik heb mij daarom direct moeten verkleeden. Dat overslaan der golven hadden wij heden nog meer. Ik had echter tot voorbeeld gestrekt om niet op het middendek onnoodig te komen. Alleen onze docter liep ook nog een nat pak op.

Om twee uur, terwijl wij in de baai van Trafalgar zijn, waar Nelson zijn laatste zeeslag leverde, salueerden wij voor het eerst. 't Is voor de Agamemnon, ook een boot der Holtslijn, waarmee ik ga; de kust blijft nu aldoor in gezicht. Wij passeeren het Spaanse stadje Tarifa, waar eenige versterkingen gemaakt zijn en een vuurtoren staat.
Dicht bij ons zien wij drie dolfijnen van 1 2 meter lengte, ze zijn echter spoedig uit het gezicht verdwenen.
Zeker door de strooming, die hier dan de straat van Gibraltar is, stampt het schip verschrikkelijk. Tusschenbeide slaat het water over het voorschip en dan schijnen wij bij het terugvallen of wij achterover zullen gaan.
Ik gevoel mij echter goed en bemerk niets; integendeel heb ik reeds tamelijk goede zeebeenen gekregen, dat is: bij de verschillende bewegingen die het schip maakt, sta ik vast en houd mij staande.
Wij stoomen echter flink vooruit, de kust toont zich als weinig begroeid; hier en daar slechts boomen en een paar huisjes, die een visschersdorpje vormen. Deze liggen in een baai, beschut voor storm en winden.

Gibraltar komt nu in de verte in gezicht. Wij passeeren echter nog eerst de baai waarin de zeeslag onder Heemskerk in 1607 plaats had. Aan boord wordt nu aan den achtersteven de Engelsche vlag geheschen en aan den grooten mast de onderstaande 4:

blauw wit met rood + wit Rood kruis witte geel blauw

cirkel Deze dienen om te seinen dat alles wel aan boord is en om de naam te kunnen geven. Wanneer dit nu in Gibraltar gelezen wordt, dan weten ze het nog denzelfden dag per telegraaf in Londen en den volgenden dag in Amsterdam.

De kaap waarop Gibraltar ligt, vormt een hooge rots. Ik las in de atlas, die in de Salon ligt, 1467 Meter. Die rots loopt aan de zeezijde tamelijk stijl af. De vestingwerken zijn gedeeltelijk in de rots uitgehouwen, en beschermen de daarachter liggende stad.

Aan de voet der rots en boven op den top staan vuurtorens. Als wij midden voor Gibraltar zijn, wordt door ons en vanuit het fort gesalueerd. Daar wij dicht langs de Europeesche kust gaan, zien wij de Afrikaansche niet. De straat is dan ook 2 geogr. mijlen breed.

Om 4 uur verdwijnt Gibraltar uit het oog en stoomt de Telamon de Middellandsche Zee in. Deze vertoont zich nu juist zoo heel kalm niet, hoewel het weer goed is, en de zon zoo tusschenbeide eens te voorschijn komt. Het stampen van het schip neemt steeds toe, en de golven slaan over het voordek.

De Kaptein vermoedt dat wij de hooge zee met weinig wind, daaraan te danken hebben, dat hier een storm heeft gewoed (een zoogenaamde Biranzon, die in dit gedeelte van de Midd. zee wel eens voorkomt).
's Avonds hebben we nog wat op dek zitten praten, met den kapitein, die ons op kwam zoeken.

24 SEPTEMBER. (Donderdag)

6 uur op. Ik stel mij voor, daar dit de beste tijd is, geregeld om 6 uur op te staan en om 10 uur naar bed te gaan.
Heden is de zee tamelijk kalm, het weer wordt gaandeweg beter en om 11 uur breekt de zon door.
Tegen 8 uur krijgen wij bij maneschijn de kust in gezicht en wel die van Afrika. Wij volgen dien de geheele nacht. Om half tien zie ik nog een licht van een vuurtoren. De kaptein vertelt dat dit reeds Algerije is.

25 SEPTEMBER. (Vrijdag)

Thermometer wijst 's morgens 74 F. De geheele nacht hebben wij de kust van Afrika gevolgd, en hebben die ook nu in gezicht. Vlak voor ons ligt een klein dorpje met witte huisjes, aan een bocht der kust, een kleine haven vormende. 't Ziet er heel aardig uit. Ik vermoed, dat het Tjersjel is.
Een half uur later, dat is half zes, krijgen we de stad Algiers in gezicht. Om 6 uur is de Telamon er vlak voor.

Van uit zee heeft men een mooi gezicht op de stad. De schitterend witte huizen zijn amphiteatersgewijze gebouwd aan den voet van 2 bergen die als 2 kaapen in zee uit loopen. Het Westelijk gedeelte der stad ligt onbeschermd; op de Oostelijke kaap zijn echter versterkingen aangebracht, en daar dicht bij ligt een eilandje, waarop een kasteel en vuurtoren.

In de baai ligt geen enkel schip, die is dan ook onbeschut voor de N. winden.
Wij volgen steeds de Afrikaansche kust, bergachtig en bezaaid met witte huisjes, die zich alleen als witte stipjes laten onderscheiden. Slechts wanneer ze bewoond is, vertoont zich ook plantengroei op de kust, anders ziet ze er dor uit, voorbode der Sahara.

Daar de wind gedraaid is, worden om 9 uur alle zeilen geheschen. Wij gaan dus met dubbele snelheid, door stoom en wind. Er doet zich nog een mooi gezicht op de kust voor, waar, tusschen 2 bergen door een riviertje in zee uitmondt, een haven vormende waaraan, tusschen het groen verscholen, een dorpje ligt. Dat kan Kolah zijn.

Eenige stoomschepen passeeren ons heden, waarbij een is, waarvoor wij salueeren; ook zie ik een schoener, alle zeilen voerende, die er zeer netjes uitziet, gelijk de jachten, die wel eens aan de 'de Ruijterkade' liggen. Het kan dan ook wel een pleiziervaartuig uit Napels zijn.
De warmte neemt toe; om 12 uur is het 78 graden.
't Is 's avonds spoedig donker, boven het land bliksemt het af en toe. Donder hooren we echter niet, wel krijgen wij een beetje regen.
Ik heb 's avonds een spelletje geschaakt met Mr. de Rijke, en toen is de kaptein nog een praatje met me op dek gaan maken over de Deli Spoor. Alles was toen reeds naar kooi.

26 SEPTEMBER. (Zaterdag)

De warmte is reeds 78 graden. Aan stuurboord is de Afrikaansche kust (Tunis) in gezicht, aan bakboord een eilandje Galita. Om 11 uur passeeren wij Biserta op de Afrikaansche kust, vroeger een belangrijke handelstad, thans een klein plaatsje. Het ziet er met zijn witte huisjes echter aardig uit, terwijl de omgeving wat bebouwd is.

In de haven ligt een schoener voor anker en varen eenige kleine vaartuigjes. Nu passeeren wij aan bakboord eenige rotsen met een vuurtoren er op. De kapitein noemt ze de Dock-Rocks.

Het is heden Zaterdag; de matrozen zijn daarom aan het psalmen zingen of wel het dek aan 't boenen. Om 12 uur is de warmte 82 graden, we zijn bij de oostelijke kaap die aan de baai van Tunis ligt en sturen nu op de westelijke aan, dat is kaap Bon. De stad Tunis ligt midden in die baai; blijft dus te ver uit gezicht.

Tot nu toe hebben wij nog geen naam van een boot kunnen lezen, ook niet met de kijker. De kapitein leest heden met onze kijker de naam Humboldt; waarschijnlijk een Duitsche boot. Om 6 uur zien we voor het laatst de kust. 't Is kaap Bon.

We stevenen nu op Malta aan, en zijn spoedig in volle zee. Het schip begint daardoor weder eenigzins te stampen. Mevr. de Rijke wordt weder zeeziek.
Om half tien 's avonds zien wij nog het eilandje Pantellaria met zijn vuurtoren.

27 SEPTEMBER. (Zondag)

Warmte om 6 uur 79 graden. Het eiland Gozo is in gezicht. Om 8 uur passeeren wij het. Wij zijn er tamelijk ver van af en zien dus slechts een vuurtoren en een klein stadje. Comins blijft op nog grooter afstand.
Om 9 uur naderen wij Malta en zien we in de verte Lavalette. 't Is te ver af om iets anders te onderscheiden als een baai waaraan eenige versterkingen met vuurtoren en witte huizen.

't Is vandaag Zondag. Kerk wordt er echter niet aan boord gehouden, wel echter Inspectie, dat is: ten 11 uur moet de geheele bemanning op dek komen, en terwijl de 1e stuurman de namen opleest en ziet of ze er netjes uitzien, gaan de kaptein en doctor de hutten inspecteeren of alles er netjes en zindelijk uitziet.

28 SEPTEMBER. (Maandag)

Warmte 80 graden. Prachtig weer 12 uur 82 graden.
De Telamon wordt een beetje opgeschilderd van buiten. Daar hadden ze in Liverpool geen tijd voor en de matrozen hebben nu toch bijna niets te doen.

29 SEPTEMBER. (Dinsdag)

Warmte 79 1/2 graden en om 12 uur 82 1/2. We hebben steeds prachtig weer en stoomen er flink van door 11 1/2 a 12 mijl per uur. In de laatste 24 uur legden wij 281 mijl af. De geheele dag was geen schip in gezicht.

30 SEPTEMBER. (Woensdag)

Warmte 79 1/2 graden. Heden avond komen wij in Port-Said. Ik moet dus mijn brieven hier afbreken. Ik hoor ook dat we uit Port-Said waarschijnlijk weder 's morgens vroeg vertrekken, en dan behalve Suez niets meer aandoen voor wij in Penang komen. Ik kan dus geen brieven uit Aden of van Ceilon sturen.

Ik heb mijne brieven, die ik vanavond in Port-Said op de post zal trachten te doen, gereed. Als ik uit de salon nu ga en op dek kom, wordt er juist een valk vervolgd, die in de masten en raas rondfladdert. De kaptein, 1ste Stuurman, 1ste Machinist en de Engelsche Passagier, ieder met een buks gewapend, Stork met een revolver.
De 1ste Machinist is de gelukkige, die, nadat eenige schoten zijn gelost, hem weet te raken zoodat de valk, die niet bizonder groot is, doodelijk getroffen op dek neervalt. Alleen de vleugels worden er afgenomen, die Stork krijgt, de rest weggeworpen.

Bij 't donker worden, krijgen wij het licht van den vuurtoren van Port-Said te zien. Dat is een electrisch licht en 20 Mijl ver te zien. Om 8 uur naderen wij een lichtschip en krijgen daarvan een loods aan boord, nadat ons eerst echter gevraagd is of wij ook een van de besmette havens, Gibraltar of Marseille hadden aangedaan, in welk geval wij buiten hadden moeten ankeren.

Daar Mr. de Rijke geen zin had 's avonds aan wal te gaan, te meer daar hij er reeds 3 keer geweest was, ging alleen Stork met mij mede naar de stad, nadat wij eerst echter geinformeerd hadden naar de prijs die de overvaart moest kosten. Dat is 's avonds 5 pence (25 cents). We getroosten ons echter die uitgaaf, benieuwd iets van Port-Said te zien.

De Arabier die ons aan land bracht is eigenaar der boot en houdt er bovendien een roeier op na, een voormalige Bedouin. Voor Nederlanders, die daar aan wal wenschen te gaan, kan ik hem zeer aanbevelen, daar hij tamelijk Hollandsch spreekt. Zijn naam is Claverman, zijn nummer, dat hij van de politie kreeg, 5.
Aan de kade gekomen, waar tal van kleine bootjes lagen, bood hij zich voor gids aan voor 1 Shilling. Daar men bij avond wel een gids kan gebruiken, en zijn aanbod te goedkoop was, namen wij hem aan

Het eerst zorgden wij voor onze brieven. Daar het postkantoor reeds gesloten was, bracht onze gids ons in een winkel waar postzegels verkocht werden en daarna naar het postkantoor, waar wij een bus aantroffen.
Vervolgens kochten wij in een winkel een Calcutta-hoed voor 5 francs en deden bovendien nog eenige kleine boodschappen, terwijl de gids ons overal uitstekend heengeleidde. Men kan des avonds echter niet veel van de stad zien, daar de straatverlichting er niet bizonder is. Alleen de kade langs het kanaal en de Main-street (de voornaamste straat) zijn nogal verlicht, omdat daar de meeste winkels en koffiehuizen zijn.

De straten, die rechthoekig op elkander loopen, zijn ongeplaveid, alleen is de grond wat vastgestampt. De huizen zijn 1 2 verdiepingen hoog, enkele slechts 3, en alle van hout. Men ziet te Port-Said: Europeanen van alle landen, Egyptenaren, Arabieren, Negers enz. allen in hun verschillende kleederdrachten.

In de winkels is van alles te krijgen. Dat wij veel zuidelijker waren, bemerkte ik aan de Zuidvruchten die ik zag, terwijl ook tropische vruchten werden aangeboden. De koffiehuizen zijn meest alle Cafe's concert. In een daarvan nam ik een kijkje, 't Concert bestond uit 8 Duitsche meisjes en 4 heeren. Men betaalt daarvoor 1 flesch bier 2 Shilling. Dat kostte Stork en mij dus 1 Shilling.
In een kamertje eenigzins afgescheiden stonden 2 speelbanken. Ik nam er ook even een kijkje terwijl Stork speelde. Hoewel hij aanvankelijk iets verloor bracht hij het tot een winst van 25 francs, toen hij er wijselijk tusschen uittrok, een geval dat zeker niet dikwijls daar zal voortkomen.

De Telamon had 400 ton kolen noodig, daar wij in Aden geen kolen gaan innemen. Toen ik om half elf aan boord terugkwam sloeg ik dat kolen innemen bij ons ook eens gade. Er lag aan beide zijden van 't schip een schuit vol kolen, waarvan 2 loopplanken tegen de boot opliepen. Op iedere schuit hingen aan drie ijzeren staven vier ijzeren potten, waarin brandende steenkolen, die alles rondom verlichtten. Een troepje Arabieren en ander gespuis sjouwde de kolen in manden op een drafje tegen de loopplanken op naar het ruim, waar zij ze instortten, alles onder een verschrikkelijk lawaai en geschreeuw, terwijl ze voor de afwisseling eens aan 't vechten gaan of elkaar in 't water gooien.

In een 6 uur is dit alles afgeloopen en heeft de hofmeester tegelijkertijd zijn inkoopen van versch vleesch, gevogelte, ijs, vruchten enz, gedaan, zoodat de rust dan eenigzins terugkeert; de bemanning heeft echter geen tijd om naar kooi te gaan.

1 OCTOBER. Donderdag)

Ik ben reeds voor vijven op om het toneel der verontreiniging eens op te nemen. Het geheele schip is een en al zwart, zoodat de matrozen druk in de weer zijn met brandslang en boenders om de boot weer een beter aanzien te geven.

Daar er 's nachts niet in 't Suez-kanaal mag worden gevaren, had de kaptein besloten bij 't krieken van de dag de reis voort te zetten.
Om 6 uur, als de loods eindelijk komt, worden de ankers gelicht en zet de Telamon zich in beweging, nu de Engelsche vlag steeds voerende, waar de kaptein anders nog al zuinig op is.

Het kanaal op varende, zie ik nog een paar Engelsche booten, eenige Baggermachines en een Ice-Factory. Het kanaal wordt verderop nauwer. Er staan bakens, waar wij tusschen door moeten varen, en die breedte daartusschen is net genoeg voor 1 boot. De diepte is ongeveer 8 Meter.
Om 8 uur komen wij aan een station; dat is: een verbreeding van een vaargeul, waar schepen elkaar kunnen passeeren. Er staan gewoonlijk een paar kruisjes met seininrichting; de loods weet uit de seinen op te maken of wij daar moeten blijven liggen of niet, en hoeveel schepen ons passeeren moeten. Wij gingen dit station zonder oponthoud voorbij.

Ik zag daar ook de eerste tropische boomen, waaronder palmen en een bijna nakende jongen, die kalkoenen hoedde. Het kanaal biedt aan beide zijden weinig belangrijks aan; 't is onafgebroken zand.

Om 9 uur passeerden wij de Brittania van Glasgow, een boot der Anchorlijn, en moesten om half 12 zelf aan een station blijven liggen. Direct kwamen een paar bootjes met Arabieren vruchten te koop aanbieden als: Watermeloenen, Kalabassen, Versche Dadels, Druiven, Kokosnooten, citroenen, enz, ook prachtige vogels voor 5 Shilling 't stuk. Passagiers en bemanning kochten vruchten. Voor een kokosnoot betaalde ik een franc.
Onder den handel sprong een visch uit 't water op en kwam in een bootje van een Arabier terecht, die hem greep en te koop aanbood. Na lang bieden kreeg de kaptein de visch voor 3 Shilling, zijn gewicht was 8 pond, zijn Engelsche naam Moley.
's Middags kregen wij hem bij diner. De smaak was uitstekend, maar de hofmeester had er een betere saus bij kunnen maken.

Om half 2 vertrokken wij weder, toen ons gepasseerd waren: de Stentor van Liverpool, ook met eenige passagiers aan boord, de Aurette van Londen, (een kolenboot), de Sheik van Liverpool (ook een kolenboot) en de Zanzibar van Hamburg met eenige passagiers aan boord. Verderop zag ik ook eenige drommedarissen met geleiders en zwermen Flamingos te ver om op te schieten. 't Is ondertusschen 86 graden warm.

Om half 3 passeeren wij een pleisterplaats waar de Counsellor van Liverpool op ons wachtte. Onder den vaart heb ik eens eenige geweerschoten voor oefening uit mijn revolver geschoten. Het kanaal was hier hoogstens 20 a 30 Meter breed en aan beide zijden waren zandheuvels die zich voortzetten tot het Timsah of Krokodillenmeer (krokodillen waren echter niet te zien). Aan het meer vertoonde zich als een groen boschje Ismailah. De huizen zijn te midden van 't groen verscholen, alleen het buitenverblijf van Keizerin Eugenie vertoont zich iets meer.

Om 6 uur stoomen wij nog een half uurtje door maar moeten dan stoppen, daar het donker is. Aan wal zijn de geheele avond eenige kinderen die liedjes zingen (eentonige) en daarvoor van de passagiers wat krijgen.

2 OCTOBER. (Vrijdag)

Warmte 78 graden. Om 5 uur worden de kabels losgemaakt en zetten wij de reis voort.
Half 7 komen wij dan de Bittermeeren, waar bakens en vuurtorens de te volgen weg wijzen. Om 10 1/4 uur komen wij aan de laatste pleisterplaats, waarvandaan wij Suez reeds in de verte kunnen zien liggen. De Volta, een Italiaansch oorlogschip en de Saerabosco van North-Shields liggen reeds op ons te wachten en over een half uur passeert ons ook de Kepler van North-Shields (passagiersboot). Als wij onze reis voortzetten komen wij om half 12 in de haven van Suez.

Wij hebben echter alleen een vergezicht op de stad, daar wij slechts voor kort ankeren en dan de reis voortzetten. Terwijl de Loods nu vertrekt komt de Agent van de Holtslijn aan boord. Aan dezen geef ik nog een paar briefkaarten af. Of er brieven voor ons zijn weet hij niet. Hij zal het echter nog eens informeeren.

Toen er om 3 uur nog geen brieven voor ons aangekomen waren, gaf de kaptein het teken tot vertrek en stoomden wij de Golf van Suez in. De warmte was nu echter merkbaar gestegen. In mijn hut 84 graden en op het dek in de schaduw 90 graden.

Bemanning en passagiers hadden zich dus reeds dunner gekleed. Stork reeds een paar dagen, maar ik had heden pas witte broek en wit jasje aangetrokken, waaronder slechts een flanel. 's Avonds daalde de thermometer weer tot 80 graden.
Aan beide zijden waren de oevers van Afrika en Arabi nog te zien.

3 OCTOBER. (Zaterdag)


Warmte 80 graden. Ik neem nu dagelijksch een bad.


Wij stoomen nu juist de Roode Zee in onder prachtig weer en met een N. verkoelende wind. Wij voeren op de voormast een paar zeilen. Om half 11 passeeren wij de Ulystus ook een boot der Holtslijn, waarvoor wij natuurlijk salueeren. De Holtslijn heeft 24 booten in de vaart en 4 nieuwe worden weder gemaakt. De Telamon is ongeveer 10 Meter breed en 100 Meter lang.

De Australische mail die nog te Suez lag, toen wij vertrokken, komt ons achter op, daar hij nog wel 1 Mijl per uur vlugger als wij. Hij wint dus gaandeweg op ons, om half 4 passeerde hij ons en was om 10 uur 's avonds nog als een lichtje te zien.

Om half 12 passeerden wij heden de 2 gebroeders; dat zijn 2 laage eilandjes, die slechts even boven de zee uitsteken en dus 's avonds nogal gevaarlijk voor de zeevaart zijn. Er is echter in kort een vuurtoren opgeplaatst. De warmte was hoogstens 84 graden.
's Avonds zag ik voor de eerste maal op onze reis het z.n: lichten der zee; van de enorme massa's phosphorachtige zeediertjes, ze zijn echter alleen dicht bij de boot te zien. In de Roode Zee komen ze veel voor en men zegt wel, dat de zee daaraan zijn naam ontleend heeft.
In den loop van den dag schoot de Machinist weder een valk. Ik heb voor Mevr. de Rijke de vleugels er af gehaald en geprepareerd met aluin. Dat is de eerste keer dat ik iets uit mijn Apotheek, die ik medenam, gebruikt heb.

4 OCTOBER. (Zondag)

Warmte 84 graden. We zijn juist om half 6, als ik op sta, onder de kreeftskeerkring. Aan beide zijden is echter geen land te zien. 't Is prachtig weer en de wind nog eenigszins Noordelijk en dus verfrisschend. Buiten de wind is het wel 91 graden. Men kan zijn Indische luchtige kleeding hier dus met pleizier gebruiken.

5 OCTOBER. (Maandag)

Wij zijn nu juist op 20 graden Noorderbreedte en zullen dus waarschijnlijk morgen de Roode zee door de Straat van Babel Mandeb verlaten. Er vlogen heden massa's vogels om onze boot en streken er ook op neer. Ze werden ijverig achtervolgd en geschoten.
Ik ving ook nog een paar met mijn hand, die ik echter weer liet vliegen. 't Was een soort zwaluwen, die door dorst worden gekweld en water bij ons zochten. Ook tropische vogels werden gevangen en gedood om de vleugels, prachtig van kleur, er af te nemen. Stork maakte nog van een hout kistje een kooitje. De vogels, daarin gedaan, stierven echter spoedig.

Voor 't eerst zag ik heden vliegende visschen, die opvlogen als ze met 't schip in aanraking komen. 't Waren slechts kleine scholen en kleine visschen, van de grootte van een gewone haring. Hunne voorvinnen, die ze gebruiken om zich zwevende in de lucht te houden, of wat we bij de vogels hun vlucht noemen, schijnt -(?) - toe grooter te zijn als hun lichaam.Hun kleur is wit en hunne vleugels gelijken, als ze zoo in de zon schitteren, wel zilver. Op 't voorschip waren ze 't best gade te slaan.
De warmte was 's avonds 88 graden.

6 OCTOBER. (Dinsdag)

Om 5 uur ook 88 graden. We hebben echter een Z. wind, dat is een zeewind, dus eenigszins verkoelend.
Tal van kleine rotsachtige eilandjes zijn in gezicht.

Half 4 passeeren wij een berucht eiland, zeer gevaarlijk voor de scheepvaart, omdat 't midden in den weg ligt en geen vuurtoren heeft. 3 Wrakken waren daarop nog zichtbaar. Een boot zag er nog zeer goed uit en lag geheel boven water; een andere lag half onder water.Dat was "the Duke of Lancaster". Toen Mr. de Rijke hier de vorige keer passeerde was hij nog geheel te zien met zijn 4 masten. Zijn lengte bedroeg 400 voet.

De zee vertoonde hier op sommige plaatsen een smerige roodachtige kleur,net of er as op drijft. Sommige willen dat de zee daaraan zijn naam te danken heeft. De kleur ontstaat van kleine beestjes (niet de phosphor) Algen genaamd, die ook veel in de Grieksche Archipel voorkomen.
Heden nacht passeeren wij 't Engelsche eilandje Perim en verlaten dan de Roode-Zee.

7 OCTOBER. (Woensdag)

Wij zijn de Golf van Aden ingestoomd en alle land is weder uit gezicht. Wij hebben nu afnemende warmte, daar de Roode-Zee het gebied der grootste warmte is. Wij hebben nu 86 graden terwijl een heerlijk koeltje ons verfrischt.

8 OCTOBER. (Donderdag)

Warmte om 6 uur 84 graden.
De kapteijn deelt mij mede, dat hij zijn richting Oostwaarts neemt tusschen Afrika en Sokotora door en dat wij van dit eiland nog van Kaap Gardafuie niets zullen zien, maar midden er tusschen door gaan; daar 't dicht bij Kaap Guardafuie gevaarlijk is. Niettegenstaande dat is er nog geen vuurtoren op geplaatst

9 OCTOBER. (Vrijdag)

Warmte 82 graden.
We zijn de Indische Oceaan ingestoomd heden nacht; niets dan lucht en water is er nu te zien.

10 OCTOBER.(Zaterdag)

Warmte weder minder. 81 graden. Tal van vliegende visschen waren heden te zien en ook een school van een twaalf dolfijnen, de boer met zijn varkens wel genoemd, daar een altijd vooruit zwemt. Daar stroom en wind hier tegen is, vorderen wij slechts langzaam. Wij legden in 24 uur 250 Mijl af; tegen 270 a 280 anders. 't Warmst was 't heden 83. De maan loopt naar 1e kwartier.

13 OCTOBER. (Dinsdag)

Warmte 81 1/2 graden.
Prachtig weer en bijna geen wind; dus weer zooals 't in Deli veel zal zijn. Volgens den Kaptein zijn we waarschijnlijk Maandagavond te Penang, waar we een dag moeten blijven lossen en kan ik daar of te Singapore uitstappen om op een andere boot de reis naar Deli voort te zetten. Ik zal zien of er vanuit Penang spoedig een vertrekt, zoo niet dan stap ik te Singapore uit, de Telamon gaat door naar Shanghai.

14 OCTOBER.(Woensdag) Warmte 82 graden. Goed weer.
Wij zijn hedennacht tusschen het eilandje Minicoie en het Noordelijkste der Maladiven doorgevaren en zullen dus waarschijnlijk morgen op de hoogte van Ceylon zijn.

15 OCTOBER. (Donderdag)

Warmte 83 graden. Prachtig weer.
Om 8 uur kan ik door den kijker van den Kaptein recht vooruit land zien. Dat is het Z.W. deel van Cylon en om 9 uur ook met 't bloote oog. Daar 't schip nogal schommelt zijn de dames weder zeeziek.

Nu houdt een Inlandsch vaartuigje op ons aan en passeert ons van nabij. Het is lang en zeer smal, hoogstens 1/2 M breed, terwijl voor stabiliteit een paar outriggers op een paar Meter afstand zijn aangebracht, die het omslaan beletten. Zulke modellen waren op de Amsterdamsche tentoonstelling in 1883 ook:

---|----------|------
======|==========|==========
---|----------|------

De bemanning bestond uit Singaleezen in hunne schilderachtige kleederdracht. Van die bootjes zagen wij nog vele; zoowel roei- als zeilbootjes. De dokter noemde ze Katamaran.

's Middags inviteerde de kaptein mij in zijn hut en wees mij op een prachtige uitvoerige kaart onze afgelegde weg en te volgen weg, waarom wij nu weer iets meer van de kust hielden, op plaatsen waar klippen waren. Point de Galle ligt aan een ruime baai, die naar 't Z.W. open is. De oude versterkingen, die de Oost-Indische Compagnie liet aanleggen, bestaan nog. De stad ziet er heel aardig uit. 2 brikken lagen in de haven. 't Spijt mij dat wij niet eens aanleggen.

18 OCTOBER. (Zondag)

Warmte 83 graden.
Om 12 uur komt land in gezicht. Dat is Poeloe-Bras en heel ver er achter de N.W. kust van Sumatra. Bovendien een paar kleine eilandjes en rotsjes als stipjes zichtbaar. Na 4 uur stoomen zijn wij bij Poeloe-Bras en kunnen duidelijk de Willemstoren onderscheiden.
Wij gaan tusschen Poeloe-Bras en Poeloe-Wai (een eiland nog iets Noordelijker gelegen) door. De bergachtige kust dezer eilanden is geheel en prachtig begroeid, een voorproefje der Indische plantengroei.
Om half 5 zijn wij vlak tegenover de vuurtoren van Poeloe-Bras, terwijl zijn licht 's avonds heel goed te zien is. Even voor donker zien we nog de baai waarin Kotta-Radja ligt; te ver om iets van de stad zelf te onderscheiden. We volgen 's avonds steeds de kust en zijn om 8 uur daar, waarachter de Gouden Berg zich verheft.

20 OCTOBER. (Dinsdag)

Half 4 op. Juist worden de ankers gelicht en stoomen wij stadwaarts, waar wij om 6 uur aankomen. Als de agent der Holtslijn aan boord komt, hooren wij dat er geen gelegenheid is om van hier de reis naar Deli voort te zetten, reden waarom Stork en ik besluiten in Singapore uit te stappen.

Zooals ik reeds schreef arriveerden wij 20 October 's morgens te Penang. Dit is een eiland aan de Westkust van 't Schiereiland Malakka en in 't bezit der Engelschen. Bovendien hebben de Engelschen een klein gedeelte van de tegenoverliggende kust, alwaar de Provincie Welleslen en dan het belangrijke eiland Singapore aan de Zuidpunt van Malakka.

De belangrijkste stad en tevens de haven van Penang is Georgetown. Bij aankomst aldaar werden de ankers uitgeworpen, omdat wij lading voor Penang inhadden, waaronder een stoommachine in stukken. Vanuit de haven heeft men een mooi gezicht op de stad en de daarachter gelegen prachtig begroeide bergen.

Direct werden wij omringd door bootjes, geroeid door Maleiers of Chineezen, die kooplui of wisselaars aan boord brachten.
Daar in de stad slechts dollars gangbaar zijn, wisselde ik en ontving voor 1 Souvereign $5,70. Die dollars zijn Mexicaansche. Toen de agent der Holtslijn aan boord kwam informeerde ik naar de verdere reis. Ik vernam dat ik op mijn biljet alleen via Singapore kon doorgaan. Wilde ik via Penang gaan, dan moet ik de reis van hier naar Deli zelf betalen, terwijl ik de reis van Singapore naar Deli op mijn zelfde biljet kan voortzetten. Ik besloot tot Singapore door te gaan; dat maakt zoodoende dat ik te Deli een paar dagen later zal aankomen.

Na deze informatie wist ik dus dat ik nog vooreerst aan boord der Telamon zou blijven en besloot dus alleen aan wal te gaan om een kijkje te nemen. Tegelijkertijd gingen met mij Stork en Mr. de Rijke met zijn vrouw en dochtertje; dus de 5 Hollanders te zamen. We kozen een der talrijke roeibootjes uit en lieten ons naar land brengen.

Wij landden te midden van een massa koelies, de meesten half naakt, alleen een doek om de heupen gebonden en een hoed op hebbende. Daar wij geen bagage hadden, lieten ze ons nogal met rust. Anders was het met de huurkoetsiers. Daar wij eerst de stad eens doorwilden, wandelen en ontbijten, bedankten wij de koetsiers, maar ze waren nogal aanhoudend, zoodat eenige ons in stoet volgden, zooals de straatjongens in Amsterdam de vreemdelingen.

Toen we echter in een hotel hoorden, dat wij daar pas om 9 uur konden ontbijten, terwijl 't pas half acht was, besloten wij ons eerst per rijtuig naar de beroemde waterval van Penang te laten brengen, (dat ons door velen was aangeraden) en gaven daarom onze wensch in gedeeltelijk Maleische, gedeeltelijk Engelsch aan den koetsier te kennen, die ons begreep, in liet stappen en toen met ons heenreed.

Onze weg door de stad was zeer opmerkingswaardig, al was niet alles nieuw wat wij zagen, daar wij vele winkels en huizen reeds een voorstelling op den Amsterdamsche Koloniale Tentoonstelling hadden gezien.
Alleen zag ik wat meer verscheidenheid o.a. een kleermakerswinkel waar de snijders in de gedaante van Chineezen op de tafels zitten.

Overal liepen bijna nakende kinderen in de ongeplaveide straten te midden van massa's kippen, ganzen, eenden, kalkoenen, parelhoenders, enz. De huizen in de stad zijn vlak naast elkaar gebouwd, alleen de huizen der Europeanen en de hotels, die er alle flink en ruim uitzien, zijn rondom door prachtige tuinen, vol magnifieke Indische boomen omgeven.

Uit de stad ging de weg door velden begroeid met vruchtboomen, waartusschen de Indische huizen; daarbij waren vele op palen gebouwd, hoewel de grond daar eenigszins bergachtig, bijgevolg droog is. De boomen, die ik zag waren: verschillende soorten van palmen, waaronder de kokospalm de eerste plaats innam, verder pisangs en bananen. Dat hier de beschaving wel doorgedrongen is, bewees dat wij een rijke Chinees op een tricicle zagen rijden.

Voor de wagens beladen met allerhande stoffen, waren karbouwen gespannen; de Chineezen dragen hun koopwaar in 2 manden aan een stok over hun schouder en klepperen tusschen beide om de aandacht tot zich te trekken.

Toen wij zoover als mogelijk was 't gebergte waren ingereden, moesten wij verder klimmen (evenals bij de bergen (?) in Gelderland.
Dat klimmen op de nog al steile bergen in de brandende zon is geen alledaagsch werkje, maar geloont de moeite wel door de schoone vergezichten en bovenal door den schoonen waterval.
Wij klommen zo hoog mogelijk en hadden toen een prachtig gezicht; de waterval stort zich daar van een hoogte van wat ik schat 30 a 50 Meter naar beneden van een loodrechte rots en baant zich dan verder een weg door 't gebergte onder een oorverdoovend suizen.

De helling van 't rivierbed is zeer groot, zoodat 't geheele riviertje zoolang hij in 't gebergte is een waterval lijkt. Boven is ook een reservoir, waarvandaan een waterleiding naar Georgetown.

In ons hotel tegen 10 uur teruggekeerd gebruikten wij 't ontbijt, waarvan vooral de rijsttafel merkwaardig was. Hoewel ik wel reeds dikwijls rijst met kerry aan boord had gegeten, overtrof deze ze toch.
Wij kregen eerst drooge goed gaar gekookte rijst; toen visch met kerry en gevogelte met kerry om daar door te doen en daarna op een grooten schotel van 12 a 15 heele fijne gerechten ieder in een afzonderlijk hokje gelegen. Daarvan moest men naar believen nemen en wanneer die poespas goed door elkaar geroerd was, had men uitstekende Indische rijst met kerry. 't Geheele ontbijt was uitstekend en niet duur.
Met flesch wijn en een massa ijs er bij 1 dollar is nog geen rijksdaalder.

Na nog mijn brief bijgeschreven te hebben die ik aan boord was begonnen, deed ik dien op de post en maakte van 12 tot 1, 't warmste gedeelte van de dag nog een wandeling door de stad.
Ik telde toen in de haven 12 Stoomboten, behalve vele kleinere stoombootjes en kustvaartuigen. Onder die 12 stoombooten 2 met de Nederlandsche driekleur.
Stork en ik gingen er heen, het eerst naar de Tambora. Daar de kapitein en 1ste stuurlui hun middagdutje deden, spraken wij de 3de stuurman, die ons al pratende het schip rondleidde. Wij vernamen, dat het een goevernements transport schip was, van Batavia komende en nu naar Atjeh gaande, en geladen met levensmiddelen, oorlogsbehoeften, brandstoffen enz. voor onze troepen in Atjeh.

Na afscheid genomen te hebben, wilden wij ook naar de andere boot gaan; daar onze stoomfluit echter ging keerden wij aan boord der Telamon terug, die nadat de kaptein ook aan boord terug was gekomen en de ankers waren gelicht om 4 uur naar Singapore onder stoom ging.
Terwijl de kust uit het gezicht verdween kwam een geweldige regenbui opzetten, die den geheelen avond voortduurde, zoodat het niet doenlijk was op dek te blijven en ik dus naar de Salon ging om mijn reisbeschrijving weer te geven.

(22 OCTOBER).(Donderdag)

Bij zonsopkomst passeerden wij verscheidene prachtig begroeide eilandjes.
Het vaarwater is hier nogal lastig, waarom wij om half 7 een loods aan boord kregen. Nu hadden we nog slechts een vaart van 1/2 uur, waarop mooie gezichten op landhuizen, versterkingen en de lossteigers, waaraan verschillende Fransche en Engelsche booten lagen.
Evenals in Penang kwamen na aankomst zwermen koelies aan boord om te lossen en kooplui en Hoteljongens. De laatsten gaven kaartjes af.

Stork en ik zouden nu hier uitstappen maar we bleven nog eerst aan boord te ontbijten. Een uurtje vermeidden wij ons met naar de bekende duikers te kijken; de Maleische jongens die in een oogenblik een in 't water geworpen geldstuk opduiken.

Na breakfast besloten wij eerst naar den Agent der Holtslijn te gaan, waarvoor ik een Introductie brief had en van die een en ander aangaande ons verblijf te vernemen. Wij namen nu een rijtuig, en beduidden de koetsier ons naar den Agent te brengen. Den Maleische jongen van 't Hotel de l'Europe was zoo vrij ook op 't rijtuig te gaan zitten.

Na mijn brief afgegeven te hebben, maakte ik bij den Agent kennis met den Heer Romeny, neef van de familie in Amsterdam en dus Hollander. Deze raadde mij aan met de jongen mee naar 't Hotel de l'Europe te gaan en daar maar te logeeren, daar ik daar nog een paar Hollanders zou aantreffen, die ook naar Deli gingen, en de Hotels alle ongeveer hetzelfde zijn.
Bij aankomst aldaar hoorden wij dat de prijs was 3 dollar per dag. Wij besloten hier te blijven en lieten ons kamers wijzen. Wij maakten nu ook kennis met de andere 3 Hollanders die de dag te voren met de Peiko de Fransche Mailboot aangekomen waren. 't Waren Wichers uit de Haag, en Swartenberg en Engelbert uit Arnhem, alle geengageerd bij tabaksmaatschappijen in Deli en flinke lui van 20 a 22 jaar.

Wij zetten dus Zondag te 2 uur met ons vijfen de reis naar Deli voort, waar wij Dinsdagochtend 27 October zullen aankomen. Een en ander vernam ik van Romenij.
Nadat wij nu Hotel hadden gingen wij met de Hoteljongen, die koeliese wagens bestelde naar boord terug. Mijne kisten werden onder mijn toezicht op een ossewagen geladen en in 't hotel gebracht.

De vijf Hollanders verkeeren veel met elkander en dikwijls is Romenij ook bij ons, deze heeft echter zijn kantoorwerkzaamheden.
Singapore is een stad gelijk Penang, maar hier is het levendiger en de handel is er grooter.
Ik zag hier in de open lucht op een groot grasveld een Chineesch Theater; de voorstelling is voor een oningewijde niet te begrijpen. Evenmin als de theaters die ik er 's avonds zag en wel een ander Chineesch, een Jasmeinsch, een Klingaleesch. Als merkwaardigheden kan ik ook noemen de waterwerken, de kolossale winkel van John little & Co., waar alles te krijgen is en de Botanische tuin met zijne Indische planten.

23 OCTOBER. (Vrijdag)

Vrijdags 's middags ging ik nog naar de Telamon terug om afscheid te nemen daar hij om half 5 naar Hongkong vertrok. Ik zag die middag ook 't bootje, waarmee wij naar Deli gaan. Dat is de Ganimedes.

24 OCTOBER. (Zaterdag)

De eigenaar van ons hotel is Duitscher, en trakteerde ons heden bij 't diner op een Europeesch kostje d.i. zuurkool.
Ook was de mail van Batavia aangekomen, waarmede een Hollander, die via Italie naar Holland gaat. Wij maakten kennis met hem. Daar de 3 Nederlanders afscheid moesten nemen van vrienden op de Peiko, die Zaterdag vertrok, ging ik mede en maakte daar nog kennis met een Nederlander naar Batavia gaande.

26 OCTOBER. (Maandag)

Hoewel het voor 1 of 2 dagen wel eens aardig is om Singapore op te nemen, begint niets doen in een stad toch spoedig te vervelen; ik ben dus blijde dat ik morgen vertrek.

Ik zal dus nu hierbij laten en wil alle lezers dezer regels hartelijk groeten, wetende dat allen mijn familieleden of vrienden zijn.

Vervolg reis naar Medan

Terug naar Welkom Reisdagboek van: (Home)

Terug naar Homepage Amsterdam