Reisbeschrijving Willem F. van Hell vanaf Genua

GENUA

11 September.
's Avonds half zeven scheepten we, met onze handbagage in. Het tochtje per sloep, zoo over het prachtig, diep blauwe Middellandsche zeewater is heerlijk.

De kennissen aan boord waren juist aan tafel en zoo waren we alleen op dek. Maar toch niet, daar waren twee jonggehuwden lui, evenals wij juist ingescheept, en op hen stevenden we met volle zeilen toe. Het waren de heer en mevrouw van Deinse, hij rechterlijk ambtenaar voor Ned.Indië. Zij hadden ook de reis over land gemaakt, doch over Duitschland, terwijl wij over Parijs gekomen zijn. Alleen het deel reis van Luzern tot Genua hadden ze ook gemaakt en dus konden we samen wel zoolang aan de praat blijven totdat de andere reizigers naar boven kwamen.

We zagen toen onze oude kennissen terug en hernieuwden de banden op de reis naar IJmuiden aangelegd. Later in de avond voor het eerst in onze hut, in donker. Wijl het reeds elf uur was, 't uur waarop alle hutlichten gebluscht worden. Eerst zoeken en morren waar de nachtvoorwerpen waren, waar de koperen knopjes waren om onze kleeren op te hangen, om de knop van de deur te vinden, enfin allerlei bereddingen van man en vrouw, te veel en te dom om ze te verhalen.

Anna beval, de deur op slot, de patrijspoort = ons ronde venster: dicht!
Maar daar kwam mijn medisch gevoel tegenop, dat kan niet en dus bleef de poort half open en de gordijntjes ervoor.
We bleven dien nacht nog stil liggen in de haven.

Genua, geheel op de bergen, de uitloopers der Apennijnen, gebouwd, Genua met niets dan licht rose en witte huizen, het was één massa lichtblinken. Als we er naar tuurden trilde en danste alles, en er bovenuit, de statige, stille berglijn, afgebroken door dalen, boven op de berg soms groote, oudegebouwen, die nog meer trilden in hun witheid.
Heel langzaam breidde ons gezichtsveld zich uit en weldra overzagen we van vuurtoren tot vuurtoren geheel de schoone haven "il superba" genaamd en...in waarheid.
Een kleine Italiaanse loods, precies een joden meneertje uit de prullenhoek in Amsterdam, bracht ons buiten den haven; nog opgehouden werden we door eene groote witte stoomboot, die de haven binnenkwam.

En toen de volle zee, zoo schitterend en groot, eerst nog langs de kust, met mooie bergen in de verte, alle bezaaid met witte huisjes, tot boven op.
De zee was zoo kalm dat het IJ er een woest water bij is en ons groote schip voer er zoo statig tusschen door, dat het ons een een grote kalmte gaf. Het eenige onaangename gevoel was het hossende gestoot van de schroef, wat midden op dek wel sterker is dan aan stuurboord of bakboord.

Om 5 uur zagen we een walvisch heel in de verte. Om die te ontdekken, let men ten eerste op een wolkje opspuitend water dat men telkens iets verder ziet, en verder op een zwarte plek in de zee, achter dat waterwolkje, die telkens verschijnt en weer verdwijnt, wat veroorzaakt wordt door de de walvisch, die telkens onderduikt.

Om half 5 hadden we ons glas port gebruikt en om half zeven gingen we aan tafel. Het eten smaakte ons best, maar het werd ons wat warm en dus gingen we weer gauw naar boven.
Prachtig was toen de zonsondergang. En om half negen zagen we de maan zo schoon opkomen als ik het ooit zag, eerst een gloeiende streep rood, schietend langs de donkere oppervlakte der zee, toen de gehele vuurroode gloeiend warme bol boven de kim en een doodsch schijnsel op het water.

Opeens werd onze gedachtengang gestoord door twee hoornstooten, dat betekent een schip in zicht aan bakboord en werkelijk, heel in de verte, zagen we een lichtje, heel heel klein, maar langzamerhand duidelijker wordend. Toen we op een paar hondern Meter genaderd waren, zagen we een groot schip met volle zeilen naar Europa gaan. Een uur later kregen we de noordelijke vuurtoren van Corsica in zicht.

Maar. á propos van dat hoornblazen, één stoot op de hoorn is een schip of licht, recht vooruit, 2 stooten is een schip aan bakboord, 3 stooten een schip aan stuurboord in zicht. Dan gaat ook onze stoomfluit waarschuwen.

Anna blijft best, evenals alle heeren en dames, maar de zee is dan ook zo vlak, nog minder golven dan in den Amstel.

Om elf uur hield plotseling de machine op te werken en even vreemd als 't in het begin is, voortdurend die schroefbeweging te voelen was nu het plotseling ophouden dier beweging.
Maar de rede was niet ernstig; een pomp aan de machine moest gerepareerd worden; kort er na voeren we dan ook weer half slag en om 12 uur hadden we weer volle vaart, wat vrij snel gaat zo'n 70 mijl per dag.
De snelheid wordt zuiver bepaald door elken middag om twaalf uur de zon te schieten, globaal wordt zij gemeten met de log die achter van het schip afhangt.

P is het meetwerktuig, een wijzer langs een schaal loopend, A een vinvormig werktuig, dat door de zee voortgesleept wordt langs de lijn T; daardoor gaat A draaien, daardoor ook T, het rad N en die draaiingen worden overgebracht op het uurwerk P. Hoe sneller we varen des te sneller draait A, en des te sneller ook N en de wijzer van P.

14 September.
Gisteren brachten we den middag in aangenaam gesprek door, o.a. met onzen hutbuurman, den heer Prins. Dat is een rijk man, zijn carriére begon hij als officier, later kinaplanter en handelaar in Indië geworden en nu, na 10 jaar in Holland geweest te zijn, voor zaken op reis naar Indië, om er 6 maanden te blijven.

De heer Rijckevorsel, de notaris, is ook zoo'n leuke vent; ook hij begon zijn carriëre als officier (der cavallerie), kort erna werd hij afgekeurd, werd toen student te Leiden, is heel avontuurlijk 3 maanden met Carré mee op reis geweest als rijder en springer, alleen omdat hij verliefd was op Madame Carré, sprong daar bij Carré 's avonds allerlei groote batoudes mee, totdat eindelijk zijn familie hem bij een voorstelling snapte.
Toen werd hij candidaat-notaris, ging naar Indië en is sedert toen altijd een gentleman geweest.
Zijne vrouw, een zeer lieve dame, mama van 5 kinderen, vertelde aan Anna, dat hij in zijn huwelijk een best man is!

Ook stelden zich nog 2 jongelui aan me voor, heeren Menno Tiers Smeding, 20 jaar, O.I. ambtenaar en de heer Lucassen, 17 jaar, die niets in Holland geworden is en nu naar papa in Tegal gaat; papa is suikerlord.

15 Sept.
Vanmorgen stond ik om 7 uur op en zag uit de patrijs­poort een rots, dat bleek de Stromboli te zijn, een modder- en vuurvulkaan.
Allerlei huisjes op één kant der berg, wolken rook boven den top v/d berg en daarboven het wolkenruim.
Aan het andere boord van ons schip een reeks eilanden, rotsen, trots uitstekend boven de zee, gekroond door zilverwitte en goudgevlekte wolken. Dat zijn de Liparische eilanden.

Vanmiddag gaan we door de schone straat van Messina, tusschen Italië en Sardinië door en reeds nu zien we links het vastland van Italië. Welk een pracht! Die straat van Messina, links de uitlopers der Apennijnen, rechts Sardinië..
En hoog, achter de stad, de Etna, de kruin geheel in wolken gehuld, misschien wel rook uit de krater.

16 Sept.
Vanmorgen werden we eerst om half acht wakker en ik had nogal willen baden. En eerst na half negen gekleed, dus te laat om te ontbijten. Maar reeds voor half negen was ik zeeziek. De boot was nl.aan het stampen zoodat we in de hut overal tegenaan rolden.
Toen Anna op haar beentjes stond volgde ze direct mijn voorbeeld.

17 Sept.
Maar nog eens van die zeeziekte gesproken, dat is een gek ding, eerst val je een paar maal met je korpus tegen de couchette, dan wrijf je met de spons in je hals in plaats van in je gelaat, je zeept je ooren in, in plaats van je kin, je vindt dat alles nog heel leuk en opeens, volkomen plotseling, trek je een heel gek gezicht en dan begint het. Ik wist niet wat me daar gebeurde, even gauw braken, weer lekker, even schommelen, weer onlekker, weer lekker.
Veel eten herstelde ons totaal.

Heden morgen om half elf werd het voorstel geopperd,(in klein comité) de dames Champagne te laten drinken als excellent middel tegen zeeziekte. We ruitenboerden om 2 flesschen en de heer Rijckevorsel en ik verloren ieder een flesch, waar we met ons tienen lekker van dronken.

19 Sept.
Aan boord is ook een alleraardigste jongeman, Stieltjes, ingenieur, die toevallig ook behoort tot de Batavia-Oosterspoor Hij gaat de nieuwe lijn aanleggen, zeker met den heer Snetlagen; ik heb hem verteld dat Martien al in Batavia was.

Om vóór vijven waren we al uit de veeren; om vijf uur zagen we de vuurtoren en een uur later heel duidelijk land, en rechts, aan stuurboord, kleine, héél kleine huisjes. Dat was Port-Said.
Een loods kwam weldra aan boord en bracht ons behouden om ca 7 uur in Port Said.

Aan stuurboord lagen reeds 4 groote schuiten met steenkolen, 400 ton, die bij ons moesten in geladen. Op die schuiten waren een honderdtal zwarte, smerige Arabieren, in vuile, overal stuk gesleten, kleeren gehuld, ieder of van een schop of van een soort vijgenmatje voorzien.
Aan boord werd alles potdicht gesloten, wijl anders alles in het schip pikzwart bestuift door dit kolen laden.
Uit de 4 schuiten werden planken in ons kolenruim gelegd en weldra vlogen de zwarte kerels vlak achter elkaar het ruim in met hun biezenmandje vol steenkolen op den nek, en vlak ernaast weer precies zo eruit, met het leege mandje in de hand, en dat mannetje aan mannetje, als mieren achter elkaar, vreeselijk haastig voorthollend.

Port Said lag voor ons, slordig vuil de huizen, rommelig de straten.
Ettelijke roeibootjes, in elk eenige Arabieren, allemaal schacheraars met photographiëen en bloedkoralen en rozenolie en allerlei galanteriëen enz. enz. naderden ons schip. Maar kopen deden we nog niet wijl we allen aan land zouden gaan.
Ook de bekende zwemmers waren aanwezig en doken reeds ijverig naar hen toegeworpen kwartjes en dubbeltjes.

Om half negen gingen de eerste troepjes aan wal, om negen uur volgden we hen. Voor één franc per persoon brachten de roeiers ons naar wal onder het geschreeuw van al de andere concurrenten.
Van Port Said gingen we eerst winkels kijken, dat was een herrie in die toko, glazen in de ramen is niet noodig, wel overal zonnezeilen.
Gidsen scharrelden aan alle kanten om ons heen, maar in die ca 20 straten kan men best zonder gids den weg vinden. Als op een kermis, zoo liepen de winkeliers op straat, ons tot een bezoek in hunne bazars uit te noodigen.

Maar we waren nog aan 't wandelen, kwamen bij barre, heete zon op de Place de Lesseps, een pleintje met een waterbakje in het midden, dat de fontein van " de Lesseps" heet met enkele boompjes eromheen. Dat is de hulde aan den grooten Franschman die het kanaal heeft ontworpen en gegraven!
Maar het is ook een bar land waar niets groeit, aan beide zijden van het kanaal woestijn.
Na de wandeling gingen we uitrusten in een groot café 's morgens om half tien, waar een orkest van heeren en dames tingeltangelde op violen en piano etc; het speelde alleen eens een mop als er weer vreemdelingen in de straat werden gezien, waartoe het signaal werd aangegeven door een knecht die voor de deur stond en dan in zijne handen klapte.

Nadat we daar een half uurtje gezeten hadden en per glas bier of limonade 1 franc betaald hadden gingen we winkelen, nu ook in de bazars gaande.
Eerst kocht ik cigaretten en een pijpje, toen een paar rood marokijnen muiltjes voor Anna als ze in sarong kabaai loopt, voor 3 franc.
Toen gingen we, omdat een deel van het gezelschap reeds om half elf naar boord ging weer naar den tingeltangel waar nog lui van ons zaten, ook onze vrienden Rijckvorsel.
Die gingen aan de overkant bontgekleurde zijden linten van 4 m lang koopen om op de japon te dragen voor mevrouw. Hij kocht er 3 aan elkaar geregen voor 24 franc, en toen kocht ik er voor Anna 3 voor 15 franc, dus nog goedkooper.

Om 12 uur stapten ook wij op en gingen we weer, door allerlei schuitjes heen, naar boord. Het kolen laden was geëindigd, maar alles aan boord was nog zwart en vuil.

Onder 't eten vertrokken we van Port-Said en gingen we het kanaal binnen, nadat we een anderen loods aan boord hadden gekregen.
Daar ik vergat mijne brieven te laten wegen, moest ik ze nu in Suez op de boot doen.

Dus nu het kanaal door. Als er ergens weinig te zien valt is het aan de kusten van dit kanaal. Aan beide zijden totaal ledige zandvlakten, woestijn en nog eens woestijn, tot aan den gezichteinder. Hier en daar een zgn. station dat zijn 2 of 3 huizen bij elkaar, waarin een Fransche of Engelsche chef woont. Die stations geven de signalen aan, of een schip kan doorvaren of moet blijven wachten op een ander dat van de tegenovergestelde kant komt.
We hebben de mail aan boord en daarom boven op de voorste mast een blauwen vlag met een P erin wat post beteekent.
Na 1 uur varen moesten we één uur wachten op een schip; 't was een Hollandsch, van de Rotterdamsche Loyd, ook met kolonialen aan boord, die tegen de vuren riepen," jongens, jelui gaat verkeerd"
Later nog eens wachten, maar daarna ging het er zoo van door, dat we reeds den volgenden morgen om 6 uur te Suez waren.
De thermometer stond 82 graden om 1 uur. Nog zagen we een karavaan van 12 kamelen, statig en langzaam door de woestijn voorttrekkend.

19 September.
Reeds om 5 uur werd ik door Limburg Stirum gewekt en een uur later was ik boven. Heel in de verte rotsen en zand waarin het mooie stadje Suez lag.
Een spoor stoomde naar de haven. Hier en daar groote modderbakken om het kanaal op diepte te houden. Langs Suez stoomende, kwamen we bij een kade met Oostersche boomen beplant, het was de zgn. Promenade Anglaise. Toen lag de Roode zee voor ons, die, tusschen twee haakjes, heel mooi blauw was en zeer kalm.

Nog vergat ik iets. In de muziekzaal te Port Said was vóór een klein nevenvertrekje, door gordijnen afgescheiden v/d grooten zaal; erin was een lange tafel, in 't midden er van de roulet, op de cijfers werd geld gezet. Onze passagiers waagden enkele franken, maar allen verloren; ikzelf was zo dwaas niet er ook maar een gulden aan te wagen.

Anna was heden morgen om 7 uur ook al op dek. Gisterenavond verscheen ze voor 't eerst in sarong en kabaai aan boord.
Heden, in de Roode Zee, hebben de Indische dames den geheelen dag sarong en kabaai aan, de Hollandsche dames geen van allen; aan tafel 's avonds moet elke dame echter gekleed zijn.

Om 9 uur vertrokken we alweer van Suez, zoodat we in 24 uur het geheele kanaal gepasseerd waren en reeds weer op weg. Dat komt omdat alle schepen op het schip met de mail moeten wachten. Nu, in de Roode Zee. is het 84 graden.

Om 12 uur aten we o.a. kwartels, overheerlijk!
Gisterenmiddag aan tafel voor 't eerst onder de vruchten gefresertien de Samanga, een groene meloen-achtige vrucht, van binnen bloedrood. De Indische lui vinden het lekker funch, maar het is nog lang zoo lekker niet als een glas funch (dat is niet ijskoud) water. Die vrucht smaakt zeer flauw en nauwelijks zoet.

's Avonds zagen we voor het eerst het zgn. lichten van de zee, maar het was heel gering; alleen vlak bij het schip in de golven door de kiel v/h schip veroorzaakt, zag men vele lichtpunten plotseling verschijnen en weer uitblusschen.

20 September.
We waren vanmorgen heel laat op (half acht), omdat we laat naar ons mandje waren gegaan. We slapen nu reeds in de Indische nachtkleeren (dus ik in slaapbroek en kabaai) boven op ons bed.
In den namiddag passeerden we een vuurtoren, waarvan ik den naam vergeten ben, maar die ik releveer, omdat er een geschiedenis aan verbonden is. Die toren staat midden in zee met absoluut geen land erbij, "geen duimbreed grond" werkelijk. Die toren werd opgericht door een Engelschen kapiteinsweduwe, wier man daar verongelukt is, toen de rots nog niet bekend was. De dame was rijk en ze had er ruim 50 000.© voor over. Het is een prachtige toren, waarvan ik helaas het licht, dat zeer mooi moet zijn, niet gezien heb wijl we er overdag langs gingen.

21 September.
Reeds om half zeven zat ik lekker in 't bad. Wel is 't zeewater iets te warm hier, maar toch is 't nog verkoelend. De thermometer wijst op 't oogenblik 92Fà (33C) in de diepste schaduw, een uur geleden was het 93Fà en om half één in de eetsalon 96Fà (36C).
Heden morgen offreerden de heeren Stirum en Prins ons moesseerende Rijnwijn, wijl ze in de loterij aan boord samen hadden gewonnen. Het smaakte overheerlijk en van avond geven ze weer 2 flesschen.

Voor het eerst nuttigden we vandaag om 12 uur de rijsttafel; mij beviel het eenigszins; maar de rommel die erin komt is verbazend.
Eerst werd gepresenteerd rijst, toen een sauskom waarin Kerrie-saus, toen een stuk kip, visch uit azijn, fricadel (gehakt) enz.,enz. Toen kwam er een schotel met negen afdeelingen erin, in een elk een ander soort gerij dat sambal heet, vleesch of hartjes of lever enz, enz, met scherpe kruiden. Van alles neemt men iets door de rijst heen. Alles was of zout of zuur of heel prikkelend. Toen nog weer kreeft en biet en jonge maïskolven in 't zuur en versche komkommer en weer zoute roode vischjes enz. enz.
Al die poespas heb je tegelijk op je bord en wordt door elkander gemengd verorberd. Anna gebruikt er niets van, ik nuttigde het met smaak alhoewel ik het volstrekt niet bijzonder lekker vond.

Na deze rijsttafel nog biefstuk met aardappelen en salade waarin Anna natuurlijk smulde en waarvan ze een dubbele portie gebruike. toen weer gebak en druiven, nog uit Italië.

Ik transpireer hier fameus, maar ik voel me lekker. Anna is vandaag den geheelen dag in sarong en kabaai, nu het staat haar best; zij en mevrouw van Deink zijn de eenige nieuwelingen, die het Indische costuum hebben aangetrokken overdag. Ze moeten echter gekleed aan tafel komen ,zoodat de dames zich om half vijf gaan kleeden. Maar vanaf 's morgens vroeg mogen ze in dat sarong en kabaai blijven.

22 September.
Het eerste wat we vanmorgen zagen was land. Prachtige rotseilanden, onbewoond. Schel verlicht in de zon en er uitziende alsof men een prentje door een stereoscoop ziet.

Om 9 uur passeerden we aan stuurboord het eiland Perim in de straat "Bab el Mandeb" (dit beteekent: "de poort der straten" zeker omdat hier al zooveel schepen vergaan zijn). Het eiland is een Engelsch militair en kolenstation, aan twee vuurtorens in zee te herkennen. Vroeger lagen er veel gestrande schepen op de kust.
Wij namen de nabijheid van Perim waar door een vreeselijke stank van rotte visch, doodgeslagen op de rotsen bij de een of andere vloedgolf en snel rottend in de helsche hitte die hier heerscht.

De heer Rijckevorsel zei dat we het hier zoo warm hadden dat we, als we in de hel kwamen, zouden zeggen: há, wat is het hier frisch, hier bekoelen we een beetje.

Ik was nog geen 5 minuten met Anna in de hut of daar hoorden we de mistfluit; er hing veel damp op het water en ik wist al sedert een half uur dat er een schip aan bakboord was, dus aan de kant van onze hut. Vele passagiers stormden in nachttoilet naar boven, vooral ook omdat de machine opeens stopte.
Ik keek maar eens uit onze partrijspoort en zag vlak voór ons uit het groote schip. Het was een Engelschman die niet voor ons wou uitwijken. Daarom stopten we en de Engelschman ging nu voor ons heen om naar stuurboord uit te wijken. Een kwartier later zag ik de lichten van de boot niet meer en onze boot voer nu weer halfslag. Vele passagiers brachtten den verdere nacht slapeloos door.

23 September.
Vóór ons, aan bakboord, ligt Aden. (Gisteren zagen we om om 5 uur op de kust Mekka, d.w.z. de rotsen waarachter Mekka ligt, het land van de fijnste koffie) Dat Aden ligt midden in de rotsen; enkele steenen gebouwen zagen we en een paar vlaggestokken en een vuurtoren.
Tusschen een paar rotseilanden en de stad Aden lag bij B een groote Fransche stoomboot aan den grond. Dit is 3 maanden geleden gebeurd toen 2 Fransche mailbooten hier tegen elkaar liepen; één, die hier nu nog onttakeld ligt, zonk onmiddellijk. Gelukkig werden alle opvarenden gered, wijl het zo vlak bij Aden gebeurde.

In Aden zelf groeit niets; men vertelde mij dat er één boompje is in een pot op het erf van den consul, overigens is er geen enkele plant.
Onze vlaggen seinden nu:"Alles wel aan boord" en vanavond leest U het reeds in de krant in Holland.
Nog lang keken we de rotsen van Aden na en nu zien we zo'n 14 dagen geen land meer.

25 September.
Reeds vannacht waren vele lui ziek geworden, niet zeeziek maar buikziek.
Toen ik om half negen boven kwam wist ik nog van niets en lachte om de anderen, maar om half tien kreeg ik ook plotseling buikkrampen en een drommelsche diarhée. Spoedig hadden 3/4 der passagiers het in de buik. Daarvan waren de meesten in bed, aan tafel kwamen maar enkelen. Anna was zeeziek door 't stampen van het schip; ook eenige andere dames en ieder ging dus vroeg naar kooi.
Vanwaar die ziekte! De dokter zei dat het 't gevolg was van de daling der temperatuur, na de Roode zee in de Indische Oceaan.

26 September.
Vannacht was ik beroerd, braken, buikpijn, diarhee enz. Anna was vrij goed, alleen een weinig zeeziek, d.w.z. licht in 't hoofd en onpasselijk. Ze hielp me echter dapper en 's morgens was ik alweer veel beter. Ik haalde bij den dokter wat kina­tinctuur en knapte daardoor tegen den middag op.
Om 5 uur 's middags gingen we langs Sokotera. Iets later gingen we dwars door een school bruinvisschen van wel een paar honderd stuks, alle in lange lijnen telkens op en neer duikend.

27 September.
Vanmorgen ben ik weer heel lekker. Anna is nog zeeziek. Het schip stampt sterk en velen zijn weer zeeziek.
Duizende vliegende visschen zijn om het schip heen, telkens uit een golf wegspringend en wegvliegend; vooral zijn er veel aan den voorsteven. Het is een leuk gezicht al die vischjes hier in de Indische Oceaan.

28 September.
Anna heeft al last van de Roode hond door 't vele transpireeren; omdat die huidaandoening nog toeneemt door zout water, baadt Anna zelden.
Vliegende vischjes zien we ook heden weer om het schip heen, tot zwermen van wel 200 tegelijk.
We zijn nog 580 mijl van Padang af en we loopen ca. 60 mijl per dag, dus nog juist 9 dagen en we zijn in Indië.

30 September.
Toen ik op dek kwam waren er pas een paar heeren aanwezig in drukke wandeling en sigaar rookend, om de purgatie te bevorderen, weet U.
Vóór den middag kregen we een vuurtoren in zicht, dat was Minico, één der eilanden van de groep der Maladiven en Lakadiven, dicht bij Ceylon. De toren bleef tot 's avonds acht uur zichtbaar.

1 October.
Nog maar 6 dagen van Padang af; dan zien we weer land en blijven land zien.
Ons beide melkkoeien aan boord zijn ziek, geven geen melk meer, dus moeten we onze melk uit blikken nemen.

2 October.
Reeds vroeg hadden we vanmorgen land in zicht, dat was nu Ceylon.
Nog 5 dagen en we zijn in Padang! Hoe snel gaat zoo'n reis toch eigenlijk.
Ik hoorde vandaag dat hier 24 stokers aan boord zijn en dat er dagelijks meer dan 10 000 kg steenkolen verstookt worden. Wist U dat er bij ons aan boord toch nog zo'n 200 menschen zijn.
Ik zag dan ook vanmorgen proviand voor die bende naar boven halen, maar de bussen met ingelegde groenten lijken wel emmers.

4 October.
's Morgens vroeg alweer veel zeezieken. Er is een sterke deining , waardoor het schip flink stampt. Op 't oogenblik varen we recht tegenover Atjeh, land kunnen we echter niet zien. Gisterenavond ging ik, omdat Anna ongesteld was, ook maar vroeg naar beneden, zoodat ik om half tien al in kooi lag.

6 October.
Vanmorgen was Anna nog niet beter.
Vanmiddag om 5 uur krijgen we eilandjes in zicht, die langs de kust van Sumatra liggen.
Op 't oogenblik zijn we nog maar 40 mijl van Padang af, zoodat we er morgenochtend vroeg al zullen zijn. In Padang gaan we niet aan wal. De haven is nl. open, zoodat het schip er ligt te dansen; stoombootjes brengen lui naar de wal;de tocht duurt 1 uur en kost ?? per persoon heen en nog eens ?? terug.
Wel blijven we er 2 dagen op de reede, omdat we er zooveel moeten lossen en zeer groote zware stukken(een ijzeren baggerschuit in 4 stukken)

Bij Padang ligt ook een eilandje, Poeloe Pisang (=het bananen­eiland) dat heel mooi moet zijn en daar hopen we eens heen te gaan. Ook ligt vóór Padang de zgn. Apenberg, een begroeid eiland vol heilige apen, waarvan de inlander er nooit een zal dooden.

Reeds om 2 uur zagen we de eerste eilanden, dat was Sokotora, één der eilanden van de Mentaweh groep. Die eilanden zijn precies groote bloemenmanden, allerhande schakeeringen van prachtig groen en tot in zee begroeid.
Al stoomende bereikten we de straat van Sokotora, waar we reeds om half zes 's avonds het licht der 2 vuurtorens zagen. We zijn nu nog 25 mijl van de kust af en kunnen dus vannacht om 4 uur in Padang zijn.

7 October.
Om 5 uur was ik al op en dacht toen: Nu liggen ze in Holland nog op één oor, maar als ze op waren zouden ze al bezig zijn Pa te feliciteren, kleine Jeanne voorop om de cadeautjes over te reiken.
Spoedig hadden we één der kleine eilandjes of klippen in zicht, die voor de reede van Padang liggen.
Alles was groen, onbewoond of men moest het, om de vuurtoren erop, bewoond noemen. Weldra zagen we meer van die eilandjes, en hoe meer we bijdraaiden, des te duidelijker werden ook de vormen der boomen en we onderscheidden reeds pisangs en klapperboomen en waringins (hier zeggen ze wringins).
U merkt, dat we in Padag niet zoo vroeg waren als mogelijk was, maar wegens de fameuse duisternis, dorst de kapitein niet tusschen de klippen door en was hij er langs gaan varen op kwartslag.
Maar nu ging het er weer volslag op los. In de verte, tusschen de eilandjes door, zagen we de kust van Sumatra, hooge bergen prachtig donker wazig blauw en er boven, een schitterend diep blauwe lucht met enkele, kleine goudgele wolkjes.
Al naderend werd de zee zoo kalm als een rivier en het was al half acht eer we het anker uitwierpen, dicht bij een Duitsche driemaster, de Charlotte uit Bremen.
Er naast, links, lag een gouvernementsstoomer met marine soldaten, de Valk en nog meer naar links een groot Nederlandsche stoomschip, de Timbora, bestemd naar Atjeh; daarnaast lag de Gouverneur-Generaal's Jacob, die van Atjeh was gekomen en hedenmiddag weer naar Batavia zal gaan, dezelfde boot, waarmee Koomans zijn reis als dokter maakte.
Nog meer links lag het eilandje Poeloe Pisang, overal begroeid, met een kleine aanlegsteiger, een eindje in zee uitstekend. Vlak voor ons lag de Apenberg en daarachter moet Padang liggen.
Alles is groen; de bergen, meer dan 2000 m hoog, tot op den top toe begroeid.

Weldra was er iets anders dat onze aandacht trok. De Duitsche driemaster had zijn vlag op halve hoogte in het want hangen en onze commandant vroeg hen met vlagsignalen, wat dat beduidde; het gouvernements-schip Valk antwoordde ons: "Bedoeld schip heeft brand aan boord" We laveerden er dus een eindje vandaan.

Om half tien kwamen er reeds allerlei scheepjes op ons af, kleine roeischuitjes; z.g. Tembanjan en groote prauwen en cano's waarin fruit enz.; verder lui die zilverwerk, het z.g.Padangse cantille-werk te koop aanboden en die aan boord, op hun hurken gezeten, hun heele rommel uitpakten.
De prauwen werden spoedig gevolgd door een stoombootje, waarop de commandant van het prauwenveer, de havenmeester, de agenten der maatschappij Nederland, de postambtenaren om den mail voor Padang in de nemen, de schout, de officier van justitie enz. aanwezig waren.
Onder hen allen was ook een zekere heer van Swieten, sedert een jaar in Padang, vroeger in Deli die ons de groeten van Johan uit Deli bracht. Die deelde ons o.a. ook mede dat het schip dat brandend was, ('t was binnenin, zoodat we er niets van zagen) bijna leeg was, de eenige lading was 1600 picols koffie voor New-York; het schip was juist begonnen met laden. De matrozen waren 's avonds aan wal geweest, dronken geworden, de kapitein logeerde 's nachts in Padang, en de matrozen raakten in hun dronkenschap aan 't vechten, waarbij waarschijnlijk met een lamp een ongeluk gebeurd is. Voorloopig merkten we er niets van, dan dat we allerlei officiële personen aan boord kregen om het schip vanaf het onze in de gaten te houden en zoo nu en dan te bezoeken.

Bij één der bezoeken door de havenmeester per stoombootje werd het door dezen goudrandpet noodig geoordeeld het schip te laten zinken, waarom hij het naar een ondiepe plaats sleepte en den kapitein, die nu weer op zijn schip was, de raad gaf gaten in de wand te boren om zoo het schip te laten zinken. Werkelijk daalde het schip toen iets, maar het was niet veel. Nu en dan zagen we een klein wolkje boven het schip, anders niets.

Toen verscheen aan boord de luitenant-adjudant van Padang, die de kapitein en de 2de luitenant met de troepen van boord meenam naar Padang.
Ik was voor deze gelegenheid voor 't eerst in uniform wijl ik mogelijkerwijs dienstbrieven moest ontvangen; maar niets van dat al, dat was ook best naar mijn zin.
De 1ste luitenant en de 2de luitenant-kwartiermeester gaan ook mee naar Batavia. Om half twaalf vertrok met een stoomboot een tiental onze passagiers naar Padang, die hadden er familie of zaken; morgenochtend om 8 uur moeten ze weer aan boord zijn.

Om 2 uur gingen we per Tombangan voor 0,25 /hoofd(kapalla) en wel naar het besproken Poeloe Pisang. We waren met ons tienen en wandelden in een uur het geheele eiland rond. Maar welk een natuur! Eerst langs een eindje strand, ook opgeworpen witte koraal, toen dwars door het groen, langs hooge boomvarens, woeste wijd gevlakte waringins, allerlei azalea's, orchideëen, pisangs of bananen, klapperboomen (in Holland zegt men cocos­boom) enz.
Tegen den stam van een hoogen palm zagen we een kameleon, 20cm lang, heel licht groen in de zon; toen hij aan de andere zijde van de stam zat, in de schaduw, was hij donker groen, werkelijk een mooi glanzend beestje.
Ook was er een allerakeligst hutje, waarin een kettingganger d.i. een wegens misdrijf veroordeelde dwang- arbeider huisde. De kettinggangers hebben overal hetzelfde uiterlijk: blauw broekje, buis en donkerblauwe hoofddoek.
De inlanders die op het eiland woonden, hadden een veestapel bestaande uit eenige oude en jonge bokken, 3 katten waarvan een met een knoop in zijn staart.
Toen we om 5 uur weer naar boord gingen, moesten we met zijn allen in de tembanjan, een zeer rank roeibootje.

8 October.
Toen we 's morgens ontwaakten was ons eerst werk uitzien naar het brandende schip. De romp lag nog slechts te rooken, een akelig zwart, overal afgebrokkeld overblijfsel van het te voren zoo schoone en trotse schip. Ons schip is vandaag weer omringd door prauwen en stoombootjes. Een hondertal Maleïers zijn weer aan boord en we laadden tegelijkertijd in en uit.
Hippie kocht voor $ 1,75 een aap, die de kinderen aan boord alleraardigst vonden, alleen was de aap zeer jaloers op de kinderen waarom hij hen herhaaldelijk wou bijten.
Om ons schip zwemmen eenige haaien waarvan er twee meer dan mans groot zijn. De loodsmannetjes dezer haaien zijn jonge geepen, van welke visschen ik ook eenige exemplaren zag rondzwemmen ter grootte bijv. van een flinke schelvisch.

Om 12 uur kregen we bij de rijsttafel als echt Indisch, half doorgesneden zoute eendeneieren, hard gekookt, met den dop er nog om; verder gebakken cocosnootschraapsel, enz. enz. Na de rijsttafel weer als echt Indisch gebruik, vleesch met aardappelen en salade, Indische salade,d.m.v. andijvie met komkommer en uien, vrij smakelijk. Later als vruchten: pisangs en Carica papaya, een vrucht als een kleine meloen en die precies zoo gegeten wordt, ook hier zitten de zaden (zwarte gladde pitten) van binnen, die eerst verwijderd worden. Tot nu toe vind ik de vruchten flauw en we eten er dan ook weinig van.

9 October.
Het is vanmorgen alweer lekker warm, 85Fà (29C) in de schaduw en nog wel op zee.
Om 10 uur gingen we eens kijken op de brug naar het uitladen van de modderschuit. Opeens hoorde ik een fameus gekraak, de halve raa van de bazaansmast kwam als een donderslag naar beneden rollen, natrillend aan de kettingen. Al de matrozen en Maleiers vlogen eronder uit, doch, als het stuk gevallen zou zijn, waren er zeker lui onder gekomen, doch het bleef aan de halve raa hangen en werd toen spoedig neergelaten tot op dek.
Maar wat nu? Vandaag komen we niet klaar en morgen? Zullen we dan gereed zijn?
Door het slechte weer was het niet mogelijk geweest de modderschuit verder te ontladen, zoodat we nog in Padang moesten blijven. Maar morgen moet het gauw gaan, want komen we de 12de niet in Batavia, dan heeft de maatschappij, als mailoverbrenger, zeker 300.© boete per dag later te betalen. En Batavia ligt nog 144 mijl, meer dan 48 uur van Padang..

10 October.
Tot groote vreugde van alle passagiers verlieten we Padang, waar we zoo lang waren opgehouden.
De zieke koe is heden over boord gegooid wijl de commandant bang was ziek vee mee in Batavia te brengen.

12 October.
Reeds om 5 uur waren we op dek, ook Anna. Een prachtige zonsopgang verschafte ons het genoegen straat Soenda bij een heerlijke verlichting te zien. Links Sumatra, rechts Java, een doodkalme zee, prachtige eilanden, overal groen en boven: het gouden, gloeiende zonlicht.
Allerlei bekende punten passeerden wij o.a. Krakatau, eindelijk Atjeh er tegenover, totdat we de Noord-kust van Java bereikten.
Talrijke stoom- en zeilschepen, inlandsche visch- en transportschuitjes, voeren we voorbij, om 11 uur was Batavia in zicht, we poperden allen, ieder was in zenuwachtige spanning en om 12 uur zagen we heel in de verte de loodsen van ijzer en zink, waar Tandjong-Priok, de voorhaven van Batavia ligt.
Almeer en meer naderden we, de trossen werden klaar gemaakt, ieder was gekleed, liet zijn koffers naar boven sleepen, wij stonden middenin allerlei bagage, ik in uniform, en eindelijk klonk de stoomfluit driemaal en waren we op Java aangekomen.

De adjudant kwam weldra aan boord, vertelde ons maar naar Batavia te gaan en ons Maandag te melden bij den plaatselijke commandant (het was nu Zaterdag) .

We namen afscheid van alle scheepsofficieren, van de verschillende medereizigers, namen spoorkaartjes 1e klasse en vertrokken naar Batavia.

Martien kon niet in Priok komen, omdat het Zaterdag was en hij de loonen moest uitbetalen.
Maar de mandoer van het Java-hotel was er en die bracht ons thuis.

Mijn plaatsing in Magelang had ik in Priok reeds in de krant gelezen.

NB: het was Willem Frederik van Hell slecht vier jaren vergund om zich als Officier-arts dienstbaar te maken. Dat hij zijn taak in optima forma vervulde, moge blijken uit een artikel in het "Indisch tijdschrift voor Geneeskunde" anno 1893.

Terug naar Welkom Reisdagboek van: (Home)

Terug naar Homepage Amsterdam