Reisbeschrijving Willem F. van Hell

> 

WILLEM FREDERIK VAN HELL (1863 - 1893)

Reisbeschrijving vanaf vertrek uit Nederland

Na een gezellige reis in gezelschap van een bekend medicus, die naar Gent ging en die heel wat uitbraakte over de kanker­genezing te Brussel, kwamen we te Brussel aan.
De docter, het was Vitus Bruinsma, redacteur v/h maandblad tegen kwakzalverij, was zoo druk met ons in gesprek dat hij vergat in Antwerpen uit te stappen en zoo hadden wij dus zijn gezelschap nog een kwartiertje langer.

Na in Brussel te zijn aangekomen, kropen we direct in de omnibus van het Hotel " de la Poste". Daarin namen ook plaats twee medereizigers van ons in den trein, een oud, grijs dikbuikig heer, die 40 jaren in Indië gewoond had na zijne geboorte, maar nu 20 jaren in Holland woonde, getrouwd met eene Hollandsche dame.
Wij aten á la carte. Nu, voor een Belgischen keuken had ik iets anders verwacht, iets Fransch, lekkers. De ossenhaas was taai, bloedloos, van dat bleekrode vervelend uitziende, helemaal niet op frisch vleesch lijkend gebraad.
Enfin, wij hadden trek en aten ervan. Anne dronk als gewoonlijk bier bij haar maaltijd en ik stelde me eens erg op reis aan, door een fles roode wijn naar binnen te spoelen Het was al donker toen dit programma was afgespeeld en we waren van plan wat te gaan wandelen op den Boulevard Anspach. Dus doende zag ik opeens een heel ander zwart gebouw; met eenen grooten lantaarn ervoor, die in de wind hing te bengelen. Het bleek het Postkantoor te zijn en ik ging er het aantal briefkaarten schrijven, dat ik naar Nederland verzonden heb.

De wandeling langs de Boulevard Anspach, die toen volgde, was heerlijk. Het is een straat die één uur of meer lang is, wel 6 maal zo breed als een gewone straat en vol prachtige winkels en frissche, rijke, vroolijke koffie- of beter bierhuizen.
En eene drukte daar, overal talrijke familiën aan de tafeltjes, zo in 3 á 4 rijen op straat geschaard voor het huis. Alles snappende bij een glas bier of citroenwater. Wij hebben er ook een glas bier gedronken en gingen op weg naar het "Algarav" een theater, zoals bij ons Tivoli in de Nes.
We hebben er ons een uurtje kostelijk geamuseerd, eerst moppen zang, toen een Fransch kluchtspel, vreeselijk gek maar wel leuk voor lui op reis, die niet van plan zijn zware kost te gaan slokken. Nu moet U niet denken dat we dat theater zo gemakkelijk gevonden hebben, en toch waren we er vlak bij, nl. in Galarie SaintªHubert, een grote galerij, die ik heelemaal niet mooi vind.
Uit het theater geklauterd zijnde, gingen we zo snel mogelijk naar huis en naar bed.

's Morgens waren wij al heel vroeg wakker, natuurlijk dat vreemde bed, het reizen van den vorige dag enz. enz.
We reden om 10 uur uit om Brussel te zien, langs den weg dien Piet Meyer me had opgegeven en waarvoor ik hem bij dezen nog wel mijn dank toezwaai.
We kregen een uitmuntende indruk v/d bevalligheid der stad Brussel, van het klein Parijs. En die koetsier van me was een besten man, want hij bewaarde het schoonste tot 't laatst. Dat was het Nieuwe Paleis van Justitie, maar niet het paleis zelf, maar de uitblik vanaf den berg waarop het gebouwd is, over geheel Brussel, dat was schitterend schoon. Ik houd anders niet zo heel erg van panorama's, maar dit was werkelijk eenig. De koetsier merkte heel snugger op, dat er nog al wat nevel hing en dat als die er niet was, men verder zien kon. De man intresseerde me om een franc fooi meer te hebben.

Een andere mooiigheid, die ik in Brussel aan mijn koetsier te danken heb is het stadhuis te Brussel. Dat gebouw is eeuwen oud, maar in alles superb. De oude trappen en gallerijen met uitzicht op de steenige, afgebrokkelde binnenplaats, zijn eenig. En toen de verrassingen. Zaal op zaal werd voor ons door eene lieve begeleidster geopend, telkens met een reuzen sleutel, en overal prachtige gobelins, U weet wel van die geweven wandschilderingen.
Er waren er, waarvoor ik wel een uur zou willen stilzitten, maar we moesten naar Parijs en Eiffel keek al naar ons uit.

Toen, naar de Trouwzaal, precies een half millioen francs meer waard dan de ruimte waar ik tot een gelukkig echtgenoot ben gemaakt. Alles heerlijk bruin van kleur, alles gesneden hout, heel hoog naar boven.
Wij jonggehuwden ondervonden beide een sterke emotie, toen we daar zoo in die prachtige zaal stonden. Zelf nog zo wittebroodsweekachtig, dus met veel meer eerbied hier intredende dan iemand anders. En mijn vrouwelijke gids raadde kort erop dat we ook onlangs gehuwd waren.

Een grote galerij was vol, omlijste, nieuwmodische gobelins, nu die waren ook prachtig, alle ridders en vorsten van voorheen in vol ornaat en van het doek naar beneden starend in hun kleurige kleedij.

Vandaar gingen we naar huis, en toen naar de gare, het Fransche woord voor station. Bom ging het portier en daar zaten we met ons negenen in een nauw hokje naar Parijs te sporen.
Te zien valt er maar weinig, in het begin heelemaal niets, behalve onze medereizigers. En dit was me een troep. Ik poseerde me altijd tegenover Anna, die al ons geld bij zich droeg en die nog wel eens slaap kreeg. Ik waakte steeds in den trein en kon dus zien of onze schat in gevaar was.

Nu dan naast Anne zat links eene dikke Fransche rijk geworden winkelierster met een karabies op haar schoot vol allerlei geuren verspreidend in papier gewikkels proviand; rechts naast Anna, bepaald een Fransche kapper, vol odeur om er dol van te worden. Rechts naast mij twee zusters met nog meer en nog sterker odeur. En eindelijk, heelemaal rechts, zoo tegen de ruit opgedrukt, een ouwe boer met zijne dikke vrouw en weinig pakkage.
Spreken deden ze nu en dan, ik met hen soms om wat Fransch bij te leeren en poolshoogte omtrent Parijs te nemen.
De reis was zoo lang, dat wij veel te laat in Parijs aankwamen, ruim een uur te laat. Op de grens van België en Frankrijk passeerden we eenige steengroeven, de Carriëres riepen de Parijzenaars. Verder fabriekssteden, waar ijzersmelterijen te herkennen waren aan de hoogovens.
Eerst kort voor Parijs zagen we mooie landschappen, een rivier heel in de diepte, waarlangs een mooi kasteel, diep in 't groen, eromheen prachtige, glad oppervlakkige vijvers. En hier en daar in de bosschen wandelde een jager met zijnen hond.

Eindelijk kwamen we in Parijs aan, aan de Gare du Nord. Wat een lawaai, al die passagiers en die treinen. Er stonden wel 400 rijtuigen en ik stormde er op een af, maar jawel, die 400 waren alle besteld.
Toen nam ik een straatjongen, een garcon bij den arm die me al toeriep:
"Monsieur une voiture? "Voor 20 centimes bracht hij mij een cocher (koetsier) met open rijtuig. Die wist niet waar hotel Bon Marchal was, op den Boulevard of Faubourg Porsjauniëre, toen liet ik me naar France á la Champagne in de Rue Montmartre brengen, waar Schneider logeerde.
Die was niet thuis, in zijn hotel van 180 kamers was geen plaats, maar daar kreeg ik een adres voor een uur verder, Villa des Dames geheeten. De koetsier wou me er niet heenbrengen, wijl het te ver en teveel in de hoogte was, die Rue Nôtre Dame aux champs. Maar voor 4 francs bracht hij me er toch heen, zodat ik hem had te betalen 3 francs: rit tot Hotel France á la Champagne en 4 francs voor de andere rit, samen 7 francs.

Het was al laat, 10 uur, we waren uitgehongerd en dus gebruikten we eerst brood met vleesch en bier en toen een lekkere flesch roode wijn. Vroeg naar bed, omdat we weer vroeg op moesten, wijl ik Schneider had geschreven hem 's morgens om 9 uur te komen halen.

Tot onze spijt waren we iets te laat en had hij niet op ons kunnen wachten, wijl hij 20 werklui bij zich had. Maar we waren nog geen half uur op de Tentoonstelling of daar zag ik de insignes van de werkkleding. Ik vroeg hen naar Schneider: daar stond hij midden onder de Eiffeltoren. Hij gaf me toen allerlei goede raad.

Wat een Tentoonstelling; 1e reuzen groot, 2e prachtig en elegant. De Eiffel­toren staat midden tussen de Tentoonstelling in het Trocadero, d.i. het overblijfsel der oude Tentoonstelling, vlak tegenover een brug over de Seine. En een fameuse oppervlakte, mooie koepels, trots uitblinkend in het schitterend zonlicht. Het binnenkomen in de schone hoofdkoepel is indrukwekkend, te midden van prachtige gobelins, de vloer alles marmermozaiek, de koepel alles glas en verguld, links en rechts een prachtige trap naar boven, die naar een balkon voert, waarop men een schoon uitzicht heeft op de tuinen met beelden, verder op de Eiffel-toren, nog verder 't Trocadero. En naar binnen ziet men over de geheele middengalerij.

Het langst bleven we bij de uitstellingen van de Parijse modistes, als de meisjes en tante Mina dat eens gezien hadden. Ik zelf was in bewondering over de prachtige enorm rijke japonnen en mantels. Ook Engeland was hier goed vertegenwoordigd. Wat ons verder het meest boeide waren prachtige bronzen beelden en marmeren beelden, afgietsels in gips, enz. Enfin, verder eek het krek op andere tentoon-stellingen.

's Middags om 3 uur aanvaardde ik met Anne voor 4 francs de beklimming van de toren, natuurlijk in een lift. We gingen maar tot de eerste étage, maar vonden er wel voor 10 francs genot. Het uitzicht over Parijs is reusachtig, een stad zonder einde, overal aan de horizont nog weer huizen en poorten en paleizen. We klauterden de trap af: dat waren 360 treden, door Anne geteld. Van den Eiffeltoren torschten we mede een reukenveloppe met het stempel van den Eiffeltoren en den datum der bestijging, juist 6 September, mijn verjaardag.

Op de Tentoonstelling kocht ik voor 3 francs een mooi boekje vol prenten over Parijs en de Tentoon-stelling, een Guide bleu des Figaro, de blauwe gids van den Figaro, een heel aardig boekje. Een armband voor Anna, vol Eiffeltorens en nog een losse Eiffeltoren die eraan bengelt, een speldendoosje, enfin dergelijke snuisterijen, die in Amsterdam ook genoeg te koop zijn.

Maar 's avonds, daar kwam het schitterendste, de groote verrassing! We waren juist op het Trocadero, toen men dit begon aan te steken. Langs al de treden der breede waterval, vlak op 't water, brandden duizenden lichtjes, alles gas.
Pa zou het erover uitgekraaid hebben, zoo schoon was die gasverlichting.Toen electrisch heel ver weg, over de Seine op de daken over de Tentoonstelling en ten slotte de groote lamp boven in de Eiffeltoren, een breede stralenbundel in het ruim aftekenend, een reuzenkomeet, telkens van richting veranderend, als zweepte hij met zijnen staart door de donkere Parijsche lucht. En ten laatste onder in de bogen v/d toren 4 lampen, hel wit afschijnend op een gipsbeeldengroep onder de toren; een grooten fontein, omgeven door vrouwen- en kindergestalten,oplossend in den tintelende lichtgloed.
En verder, naar het hoofdgebouw toe, meer dan vijftig fonteins in groote bassins, hoog en laag, schitterend in allerlei kleuren, elke minuut van kleur wisselend, alle verschillend, opeens alles helder wit, goddelijk schoon, in een tooversprookje der oude Arabiers, plotseling meer kleurenpracht, en erom heen een joelende menigte, meer dan honderduizend Franschen, jubelende in het mengsel der kleuren en schitteringen. Dit schoone schouwspel duurde een uur, een spel met water, maar hoe prachtig.

Hoe dit nu zo komt? Wel, onder elken fontein is een sterken electrischen lamp, dus onder water, waarin een prisma, dat telkens zal worden omgedraaid of verschoven, en waardoor aldoor één der 7 prismakleuren zich in het water weergeven.

Na een uur pauze zou het weer beginnen, maar we hadden geen tijd er op te wachten en moesten maar weer verder voort. We luisterden naar Roemeensche muziek en zang, heel lief en door de Parijzenaars ( en dames waarschijnlijk)
met geestdrift toegejuicht.

We zijn 's middags ook nog bij van Houten geweest, een paar oud-Hollandsche kamers, heel veel stoeltjes op straat, voor 20 centimes: d.i. 10 cents een kop chocolade annex een waaier van hout en papier met teekeningen erop: een heel aardig souvenir. In het vak van oom was er één gebouw zo groot als de geheele Amsterdamse tentoonstelling. Maar zooveel lekkers als er uitgestald was, kregen we niet te eten.

In een restaurent Duval aten we om 1 uur, na een uur in de zon te hebben staan wachten op een plaats. En toen was het bij slot van rekening nog een treurig maal. Maar je vergeet je leed maar weer door een lekker glas bordeaux en gaat maar weer verder. Doodmoe en blind van het kijken, kwamen we 's avonds om elf uur voor 5 francs per rijtuig thuis.
We moesten 's morgens om 5 uur op, want om 8u15 ging de sneltrein naar Basel en die wilden we niet missen.

Wat we nu behalve deze expositie van Parijs gezien hebben? Och, niet veel, we reden langs prachtige gebouwen, 1. van de President der Republiek, met een zwaard verguld, 2 étages hoog, hek ervoor en een vergulden hoogen toren erop; dan ministeries van financiën enz. alle schitterend en pleinen met fonteinen enz.

Maar Anna was bang voor 't rijden en ikzelf was ook niet op mijn gemak, 5 à 6 rijtuigen vlak langs elkander en tegen elkaar in, dan nog trams en omnibussen, met 2 à 4 paarden ervoor, dwars er door heen Parijzenaars (geen vreemdeling zou er doorheen durven gaan) verder groote boerenkarren, vrachtwagens met 3 en 4 paarden er voor, alles schreeuwende en met de zwepen klappend en dan rent je eigen koetsier daar in een slingerweg doorheen, 3 maal schoven we langs de wielen van andere rijtuigen, dan een gevloek en gescheld, maar vooruit alweer, tijd is er niet. Een enkele maal moest je je goed vast houden om niet uit de wagen geslingerd te worden.

En dan zoo'n reuzenstation met wel 8 loketten om tickets (kaartjes) te nemen, alles voor andere richtingen, overal uitgangen naar andere perrons. En dan met zoo'n rommel bagage den weg te vinden, 't is bar. Enfin, we vonden onze coupé voor Basel en waren blij, daar weer eens rustig in te zitten. Ik had een boekje genomen tot Luzern toe en zou in Basel 's avonds om 7 uur uitstappen.

Maar ik vergat nog het een en ander over Brussel. De Boulevard Anspach is geheel verlicht met Sugg©branders, die hier prachtig licht verspreiden. Dan bezochten we in Brussel ook nog de Halles Centrales, de groote markt, waar alles te koop is, in de eene helft eetwaren, in de andere helft lijfgoederen, enz.
In Parijs waren de Halles centrales wel 5 maal zoo groot en enorme hoeveelheden groenten en fruit ziet men er.

Ons reisgezelschap was het volgende: Een klein oud Roemeensch heertje, weer op reis naar Turkije; een jonge Parijzenaar, die naar zijne Moeder in Zwitserland ging; 2 Italianen, een Weener tandarts en de Hollander met zijne vrouw. Wat een mixed pickle in één coupé! Maar de conversatie ging best, dan weer Fransch, dan weer Italiaansch, dan weer Duitsch.

De reis is niet mooi tot bij de grens, in Chaumont tot bij Belfort, maar daar voorbij gaat het door een kleinere tunnel en zoodra men eruit is, een goddelijk schoon landschap, een dal omgeven door hooge heuvels, tot den top toe groen, we zijn in Zwitserland, een riviertje de Douse dat naar de Rhòne stroomt.
Er was een aardige waterval, waarover een mooie brug geslagen was. Nauwelijks hadden we dit bekeken, of tunnel op tunnel volgden, telkens weer vrij uitademend in de lieve Zwitserse dalen; en al hooger ging de trein op. Na 11 tunnels kwamen we te Basel zaterdagavond aan.

We waschten de lagen zwarte roet van ons corpus, dineerden beneden heerlijk en wandelden wat de stad in.
Daar stonden we opeens voor den Rijn, schoon overbrugd en daaronder snel wegstroomend water, met een geruisch en gegolf dat ons noopte er lang naar te hooren en te turen.
Een vroolijk bovenhuis aan den Rijn deed ons een uur daar verpozen, toen terug en naar bed.
De Zwitserse lucht deed ons heerlijk slapen en 's morgens 10 uur gingen we per hotel-omnibus naar een ander station, het Berner Bahnhof, om den waterval van Schafhausen te bezoeken.

Die reis is als van Amsterdam naar Arnhem, maar door een prachtige streek, telkens bergen en tunnels. En altijd spoort men langs den Rijn, maar heel in de hoogte.
Bij Murg was een prachtige waterval, woest tussen groote steenbrokken heenslingerend en een geraas er bij als was heel diep een schellen twist.
Om 12 uur waren we in Schafhausen en nauwelijks uit den trein, zagen we heel diep, zoo van boven van den berg af waarop we ons bevonden, de trotsche waterval in de diepte. We vlogen bijna naar beneden, aangetrokken door dit schone natuurgewrocht. Toen er langs tot bij een prachtig gelegen restaurant, waar men er een prachtig uitzicht op heeft. Daar aten we forel van den Rijn, overheerlijk en daarna flink opgeklauterd, naar boven, en hooger de berg op, 1 uur lang.
Anna gedroeg zich kras, boven zaten we in 't gras uit te rusten, toen weer naar beneden langs 't smalle bergpad. Over den brug gaat ook een spoor, vlak naast ons, die daarna direct in den tunnel door de rotsen heengaat.

De waterval is wel 50 m breed, de val wel 6 m of meer, een donderend geraas, soms met een hoog piepgeluid er doorheen, wolken stofregen vliegen er af, den Rijn op. Alles kookt en bruischt en schuimt.
Om 5 uur aten we hoog, boven op den berg in Hotel Belleval, met Liebfraumilch en uitzicht vlak op den waterval. Met donker eerst, verlieten we dit schoone oord, dronken nog een glas bier aan den Rijn, en gingen vroeg te bed, want den volgenden dag zouden we dwars door Zwitserland, den St Gothard baan volgend, gaan.

Van Basel tot Luzern kwamen we reeds door 4 tunnels. Toen 1 uur oponthoud; ik kocht toen meteen een boekje van Luzern naar Milaan-Genua en had dus mijn spoorgeld betaald.
Om 11 uur gingen we Luzern uit, 's avonds om half acht waren we in Milaan, stoomden we het prachtige electrisch verlichte station binnen, een glaspaleis. We waren 65 tunnels gepasserd, waarbij de St Gothard wel 19 minuut duurt en waar men in vollen vaart doorheen gaat, die tunnel is ongeveer 19 mijl lang, 19000 m dus. Op elke 2000 m 1 lamp, dus 9 lampen.

De hele baan loopt door de schitterendste Zwitserse landschappen, soms zijn hele stukken rots weggehakt. Boven, in de toppen der bergen, hingen de wolken.
Om kwart over elf waren we bij Arth Goedau, waar de kabeltram klaar staat om de Engelschen tegen de Rigi op te trekken. Reuzen staan er rondom, en overal boven wolken, met lange gekronkelde uitloopers, als vastgehecht in de ravijnen en spleten der rotsen. Zoo gaat het door, als een kurketrekker wentelt zich de baan door de Alpen, maar geen dal in de berg doorborend, telkens rijzend, getrokken door twee locomotieven.
Bij de Fluëlen zagen we een prachtig meer met mooie stoomboot[ZRt]en naar Luzern. Die Alpenmeeren zijn diep blauw, dan weer blauw-groen, dan weer groen als malachiet, zoo zuiver als kristal, schitterend in de zon en weerspiegelend de schoone gedaanten der Alpenreuzen.

Bij Gäschener, vlak vóór den grooten St Gothardtunnel hielden we halt en gebruikten we ons twaalfuurtje, lekkere broodjes met vleesch en heerlijke koffie.
Toen door den lange tunnel. Dat is bij een nachtpitje. Vreeselijk vervelend en heelemaal geen indruk makend. Toen we eruit waren stopten we direct, dat was Airols; ik keek uit het raampje naar boven vlak naast den Gothard berg, op een nog hoogere, zag ik groote sneeuwvelden, waarop de zon tintelde. Ik maakte er Anna en de andere reizigers op opmerkzaam en allen waren in bewondering. Toen door naar Milaan.
Daar naar hotel Bellevue, op een plein, 1ste étage met balkon, een mooie kamer, echt Italiaansch gemeubileerd, o.a. met eene glazen tafel en lange rustbanken.
We aten, dronken en sliepen er best, zagen 's avonds de door de maan verlichte spitsen der domtorens en gingen 's morgens allereerst naar den Dom van Milaan, een schitterend schoon gebouw, alles licht en wit en de ramen vol warme kleuren.
We woonden er om 12 uur den dienst bij, verbazend godsdienstig katholiek; een priester liet ons de schatkamer zien met kasten vol goud en zilver, 3 priesters levensgroot, geheel van massief zilver; een gouden massief kruis van 1m hoog; mantels van goud door den paus gekroond enz.

Toen naar de galerij die kruisvormig is, in 't midden een prachtige koepel met beelden en schilderijen. Daar kocht ik voor 18 francs een zijden parapluie met zilveren knop, verder voor 100 francs handschoenen, zijden en garen , glacé's en mi­taines, voor mij en Anna, zuivere wol, 36 paar, verder moest Anna nog een philippinecadeau van me hebben, ik gaf haar een kanten waaier met violet hout van 12 francs.

Om 2 uur verlieten we Milaan en om 5 uur waren we in Genua. Daar naar Hotel de France.
Na diner was het 9 uur en we lieten ons de thee 6 hoog brengen waar we logeerden. Het uitzicht op de haven was 's-avonds schitterend.

's Morgens kwam de boot aan. Ik er heen en toen ik vernam dat ik 's middags kon embarkeren was niets me liever daar het hotelleven me verveelde. Ik zei dus na het diner te zullen komen.

We reden toen direct naar het beroemde kerkhof van Milaan-Genua, langs allerlei Palazzo's van markiezen, van binnen, naar ik hoor, zeer mooi, maar van buiten oud en leelijk.
Genua zelf stinkt haast overal, 't volk is vuil en schreeuwerig. Maar het graf is betooverend schoon, enorm veel rijke beeld­houwwerken, niet te beschrijven.
Daarna nog gedineerd in 't hotel, betaald voor van de eene tot de andere avond 6 uur, het bagatel van 55 francs en toen naar boord, voorgoed Europa's vasteland vaarwel zeggend.

Vervolg per boot vanaf Genua

Terug naar Welkom Reisbeschrijving van: (Home)

Terug naar Homepage Amsterdam