Blog

Op deze pagina ga ik iedere maand een blog plaatsen. En in de loop van het jaar zal de frequentie toenemen want de lijst met voorbereidingen wordt steeds groter. En die verhalen deel ik graag met u. Ook de stapel leesmateriaal groeit. En ik ken mezelf, als ik enthousiast ben over een boek wil ik dat heel graag delen. Maar ik begin rustig want het jaar is net begonnen.



Niets zo frustrerend om bij de start van het nieuwe jaar (2026) het wandelschema, dat ik half december 2025 enthousiast op papier heb gezet, terzijde te schuiven. Ik sta te trappelen om te starten met het maken van de nodige kilometers voor de tocht naar Roemenië maar de maand januari schuifel ik door het huis. Ik ben onderuit gegaan met als gevolg een zwaar gekneusde heup en de maand januari, evenals februari, staan er bezoeken aan de fsyiotherapeut in de agend gepland. Inmiddels heb ik de nodige mobiliteitsoefeningen en krachtoefeningen en daarnaast het advies om goed te luisteren naar mijn lijf dat ‘stop’ zegt als ik te veel wil. Starten met minieme stukjes wandelen. Uitbreiden met een klein rondje in de wijk. Verder met een net iets langer rondje. En als ik in mijn enthousiasme te veel heb gewandeld is het gevolg pijn en de volgende dag terugschakelen naar een kleiner rondje. Om mezelf te troosten heb ik het boek van Robert Macfarlane ‘De oude wegen’ gekocht. Tip van vriendin Loes die erg enthousiast is over deze schrijver.

Robert Macfarlane is een Britse schrijver die grote bekendheid geniet met zijn boeken over landschappen, plaatsen, natuur, mensen en taal. Hij wordt gezien als het boegbeeld van de Britse nature writing. Ik had - maar dat ga ik beslist inhalen - nog geen boeken van hem gelezen. Na het woord vooraf van de auteur dat inspireert en mijn wandellust alleen maar doet groeien zijn er vier delen. Deel I Spoorzoeken (Engeland) deel II Volgen (Schotland) Deel III Dolen (Andere landen) en deel IV Terugkeren (Engeland).
   Ik ben nu pas bij deel I hoofdstuk 2 - Pad want achter elkaar doorlezen dat kan ik domweg niet. En dat is niet omdat je niet wil doorlezen vanwege zijn schrijfstijl of de inhoud maar hij reikt zoveel mooie fragmenten over wandelaar-schrijvers aan dat je die namen wilt opzoeken en meer wilt weten of deze mensen. Wat te denken van de dichter Willem Wordsworth die volgens de Engelse schrijver Thomas Pencon de Quincey zo ongeveer 300 000 kilometer heeft gelopen. Ik ken de talrijke gedichten van Wordsworth maar dat de dichter zoveel kilometers heeft afgelegd. De afstand naar Roemenië lijkt opeens een peulenschil.
   Edward Thomas, eveneens een dichter, is voor Macfarlane de geestelijke leidsman van dit boek. Thomas was een dichter die ook duizenden kilometers over oude paden heeft gewandeld. Hij leed aan depressies en wandelen was een van de weinige activiteiten die hem daaruit haalden. Natuurlijk moet ik dan zijn gedichten lezen en wil ik meer weten of hem. En als ik dat heb uitgezocht, weer verder lees dan duiken er weer nieuwe namen op. Een uitnodiging om meer te weten over de mensen die me voorgegaan zijn op de wandelwegen.

Terug naar de schrijver Macfarlane want hij geeft niet alleen boeiende informatie over wandelaar-schrijvers en de reden waarom ze zo gepassioneerd wandelden maar hij verhaalt ook over wat wegen nu eigenlijk zijn en hoe zij zijn ontstaan. Lees deze alinea eens:

‘Zodra ze je eenmaal beginnen op te vallen zie je inderdaad dat het landschap nog altijd is overdekt met een web van paden en voetwegen die het hedendaagse wegennetwerk schaduwen of het schuins dan wel dwars doorsnijden. Bedevaartsweg, natuurpad, sluippad, veepad, lijkweg, laantje, leylijn, dijk, steegje, holle weg, berceau, impasse, gouw, dreef, kreupelstraat, landslag, voorde, lei, passage, weging: zeg benamingen voor paden snel achter elkaar op en ze vormen een gedicht of ritus.’

Het is fascinerend dat wandelaars, lopers, al eeuwen geleden de wegen wandelend hebben aangelegd. Voordat alle moderne vervoersmiddelen er waren, waren zij het die sporen maakten in het landschap. En het besef dat ieder pad dat ik loop vele voorgangers heeft gehad is fascinerend.

Ik weet dat ik tijdens wandelingen in de bergen in Frankrijk blij was met de steenmannetjes die ik tegenkwam, een bevestiging van mijn voorgangers dat ik op de goede weg zat. En altijd zocht ik een steen(tje) dat ik kon toevoegen aan dit kleine bouwwerk. Voor mij een manier om ‘dank je wel’ te zeggen tegen de planners van de route. En omdat ik een boodschap wilde achterlaten aan het landschap. Namelijk dat ik er blij van werd dat ik er even een onderdeel van mocht zijn. En het was ook een soort groet aan de wandelaars die na mij kwamen; ‘Zet ‘m op. Het is de moeite waard!’

Ik lees de volgende alinea: ‘Oude paden bewegwijzeren is een esoterische, overgeleverde kunst op zich, waar steenmannetjes, steenkringen, rolstenen, grensstenen, menhirs, mijlstenen, dolmens en andere richtingaanduiders bij komen kijken.’ Dit is een beschrijving waar ik enthousiast over raak. Ik heb deelgenomen aan een esoterische, overgeleverde kunst.

Nog iets wat uitnodigt om verder te onderzoeken. De schrijver zet uiteen dat in niet-westerse culturen het neerkomen van de voet gelijkstaat aan kennis. Hij haalt voorbeelden aan, noemt het Klinchonvolk uit Noordwest-Canada waar wandelen en weten nauwelijks te onderscheiden bezigheden zijn. Hij duikt in de geschiedenis van de taal en ontdekt een opmerkelijke etymologie: ‘Leren’ betekent dus au fond – o vondst ‘een spoor volgen.’ Wie wist dat? Ik niet, en ik ben de etymologen-ontdekkingsreizigers erkentelijk die de verloren sporen ontdekten die ‘leren verbinden met ‘paden volgen’.

Als slot een gedicht van Edward Thomas. Want ik kan gewoon niet afsluiten zonder hem een plek te bieden in de blog.

Adlestrop

Yes. I remember Adlestrop---
The name, because one afternoon
Of heat the express-train drew up there
Unwontedly. It was late June.

The steam hissed. Someone cleared his throat.
No one left and no one came
On the bare platform. What I saw
Was Adlestrop ---only the name

And willows, willow-herb, and grass,
And meadowsweet, and haycocks dry,
No whit less still and lonely fair
Than the high cloudlets in the sky.

And for that minute a blackbird sang
Close by, and round him, mistier,
Farther and farther, all the birds
Of Oxfordshire and Gloucestershire.


Hoe ik een wilde Spaanse berghond in huis nam

Pas een paar maanden geleden ontdekte ik het boek Boef van Jana Elza Wuyts dat in 2021 de eerste druk zag. Ik zocht op internet meer informatie over de band tussen mens en dier en zag de titel van dit boek langskomen. Ik was reuze benieuwd naar dit verhaal. Het voordeel dat ik het pas een tijdje terug ontdekte? Ik kon daarna gelijk de twee andere delen, waarin Boef ook de hoofdrol speelt, aanschaffen en in een ruk uitlezen. Maar laat ik bij het eerste boek beginnen.
   De Belgische schrijfster woont met haar man Marnix Peeters (in het eerste boek) nog in de Belgische Eifel . Ieder jaar gaan ze naar Andalusië, naar het dorpje El Acebuchal om de barre Eifelse winters te verruilen voor de Andalusische zon. Jana en haar partner kunnen werken waar ze willen omdat ze thuiswerkers zijn en alleen een laptop en internetverbinding nodig hebben. Hun leven is gebouwd rondom vrijheid. Ze leven van project naar project van opdracht naar inval. Daarom en daardoor hebben ze geen kinderen, en ook geen huisdieren, kat of hond. En ik citeer de schrijfster:’… zelfs geen kamerplanten. Een cactus, dat wel, maar zelfs die oogt ongelukkig. Er was ook een tweede, maar die is gestorven, mogelijk van verdriet.’
   Het boek start net voordat ze het dorpje El Acebuchal inrijden en ze midden op de weg een zwarte hond zien staan. Een hond die plots de steile rotswand opschiet. Waarbij ze allebei twijfelen of dit wel een hond is vanwege zijn acrobatische eigenschap de rotswand op te rennen. In het dorp ontmoetten ze hun vrienden Luc en Virgiana die hun buren zijn, hun bed and breakfast ligt naast het huurhuisje van Jana en Marnix. En natuurlijk Candy, de bordercolliemix van hun vrienden, waarmee zij een innige band hebben. Ze hebben dan zelf geen huisdieren maar houden wel zeker van dieren. Dan ontdekken ze de zwarte uitgemergelde hond met enorme oren die achter Candy aanslentert. Was dat niet de hond die zij net zagen? Het blijkt dat dit dier Candy’s gezelschap zoekt. Candy verdraagt hem maar wil verder niet veel van hem weten. Ze horen dat de hond van niemand is, de stempel lastpost heeft en dat iedereen hem in het dorp liever kwijt dan rijk is.

Op hun dagelijkse wandelingen loopt de oude Candy mee. En na een paar dagen volgt ook de zwerver hen. En die krijgt een naam. Omdat het dier er met alles wat los en vast zit ervandoor gaat zoals schoenen uit deuropeningen, handdoeken die te drogen hangen, vuilniszakken, speelgoed en lampjessnoeren wordt de naam Boef. Boef komt nooit te dicht in de buurt maar verstopt zich evenmin. Voortdurend is hij op zijn hoede. Hij blijft in de buurt van Candy, die gek is op Jana en Marnix en in de zetel van hun vakantiehuisje slaapt. Maar Boef, binnenkomen geen sprake van. Hij slaapt voor de deur van hun huurhuisje, in de gemetselde plantenbak. Jana zit vaak buiten en ik citeer een fragment uit haar dagboek:

(Uit mijn dagboek van 16 december)
Gisteren legde Boef zijn kopje tegen mijn been terwijl hij sliep in de zon. Ik denk dat hij zich per ongeluk omdraaide en mijn been raakte, maar hij sprong niet meer geschrokken op. Hij sliep rustig verder. Ik werkte voort, erop lettend dat ik geen onverhoedse beweging zou maken en het moment zou verstoren. Na een tijdje sliepen mijn voeten.


Boef begint heel langzaam een onderdeel te worden van hun leven. Zij vragen zich af wat er met hem gebeurt als zij weg zijn. Zwerfhonden die opgehaald worden omdat zij overlast bezorgen belanden in een dodingsstation en worden vaak binnen een termijn van tien dagen geëuthanaseerd. Jana begint te zoeken op google naar mogelijkheden voor Boef. En soms helpt het lot een handje. Mark en Isabelle, vrienden van hen, komen op bezoek en Isabelle is gelijk weg van Boef en beslist om de hond naar België te laten komen via een organisatie die Spaanse honden redt. Enthousiast vertellen Jana en Marnix aan ieder in het dorp dat Boef naar België vertrekt zodat hij de laatste weken als zij weg zijn veilig is. Voordat Boef naar België kan, is een bezoek aan de dierenarts nodig. Dat blijkt een herculestaak! Maar het lukt na veel zweten en inspanning.

Jana en Marnix vertrekken naar de Belgische Eifel en een tijdje later Boef die door hun vrienden wordt opgevangen. De twee staan te popelen om hun Spaanse vriend weer te zien en met een pakje snoepstaafjes melden ze zich bij hun vrienden Mark en Isabelle. Wat blijkt? De klus om Boef op te voeden is zwaarder dan gedacht en het gezin heeft al twee tienerkinderen, twee honden, een paard en allebei een drukke baan. Of zij…? Nou, nee. De beslissing wordt genomen om te gaan zoeken naar een gouden mandje voor Boef via een organisatie die zich daarvoor inzet. Niet overhaasten. Boef moet goed terecht komen. En een compromis , Boef komt nu en dan een week of twee bij Jana en Marnix logeren. De eerste logeerweek van Boef; Jana en Marnix merken hoe moeilijk het is. Jana stort zich op het lezen van hondenboeken en leest elkaar voortdurende tegensprekende hondenblogs. Na de eerste week zijn ze al doodop. Maar tegelijkertijd groeit ook hun band met de hond. Dat blijkt uit de volgende alinea uit het eerste boek:

Aan de andere kant was de vertedering en de sympathie die we voor hem in Spanje hadden opgevat alleen maar gegroeid. Laten we elkaar geen Sonja noemen: wij hielden intussen zielsveel van deze ongelooflijke kwelgeest. Kon hij het helpen dat hij er niks van begreep? Dat hij in Spanje de straat op was geschopt en aan zijn lot overgelaten. Boef, dat was inmiddels wel duidelijk, was naast een halfgare spring-in-’t veld ook een dier met een gouden hart. Er ging geen gram agressie in hem schuil. Hij had – dat voelden we heel goed aan – echt zijn best gedaan om ons te snappen. Hij observeerde ons, hij was buitenmaats nieuwsgierig en bracht ons geregeld aan het lachen met zijn strapatsen. Hij was (als hij moe genoeg was) een eersteklas knuffelaar die graag onze warmte opzocht. Hoe moeilijk het ook was om met hem samen te leven, hij was meer dan ooit onze vriend geworden.Maar dan komt de vraag: Hoeveel was deze liefde ons waard? Hoeveel vrijheid en onbekommerdheid waren wij bereid op te geven? Hoeveel rust wilden wij ruilen voor zorg?

Jana bekent echter dat zij toch ook uitkijken naar de dag dat ze met hem in de auto zullen stappen en hem naar hun twee vrienden brengen. Een kink in de kabel, 13 maart 2020, barst de bom. De overheid kondigt ongeziene maatregelen aan. Corona gaat het land beheersen. Alles gaat op slot. Het verbod op niet-essentiële verplaatsingen bepaalt dat Boef nog bij hen moet blijven. De agenda leeg, de afspraken geannuleerd, een paar projecten on hold gezet. Zeeeën van tijd om aan de slag te gaan met Boef.

Ik kon niet meer stoppen met lezen. Waarom niet? Omdat je sympathie voor Jana en Marnix, na iedere bladzijde die je leest, groeit. Zij zetten zich voor 150% in om Boef te laten wennen aan zijn nieuwe leven in een echt huis. Wat daar allemaal niet bij komt kijken! En je sluit Boef in je hart. Wat moeten alle veranderingen wel voor hem betekenen? Schatgraven, dat woord kwam aan het eind van dit eerste boek bij me op. Nieuwe eigenschappen worden blootgelegd.

‘Marnix is rustiger geworden. Hij kan met Boef geduldig zijn op een manier die ik van hem nog nooit had gezien. Ik ben gevoeliger en minder vaak ‘in mijn hoofd’. Minder gefocust op werk en deadlines en lijsten met items die moeten worden afgevinkt. Boef trekt toch vaak een streep door de plannen, en ook dan komt alles goed. We zijn allebei meer dan ooit buitenmensen geworden. Professionele plattelanders. We zijn even vaak in de buitenlucht als de boeren. Zo word je vanzelf weerbaarder, sterker, gezonder.’

En Boef? Boef leert wat een echt thuis is. En wat het betekent om te kunnen vertrouwen op je baasjes. Is het toeval dat Boef uiteindelijk toch door corona bij Jana en Marnix moest blijven? Of…? Ik heb ooit iemand horen zeggen: ‘Het dier kiest zijn mens.’ Maar toeval of niet, wat ontzettend mooi is om te lezen hoe de band groeit tussen Jana, Marnix en Boef. Wat voor meerwaarde de band tussen mens en dier heeft. En voor ik nu echt stop… er zijn nog twee boeken over Boef! Liefhebben kan je leren en Terug naar de natuur. Jana schrijft in het derde deel; dit is het laatste deel van de Boef-trilogie. Ik hoop stiekem dat er toch een vervolg komt.



‘Je keek te ver’ van Marjoleine de Vos

In 2020 startte Van Oorschot met een nieuwe reeks wandelboekjes onder de naam Terloops.
Ik ben een groot fan van die reeks. In elk deel neemt een schrijver je mee op zijn of haar favoriete wandeling.
Onlangs las ik over de dagelijkse wandeling van Marjoleine de Vos. En het bleef niet bij een keer lezen, ik herlas en streepte passages aan. (Dit waarschijnlijk tot afgrijzen van mensen die hun boeken onberispelijk netjes houden en zinnen onderstrepen of aantekeningen bij teksten krabbelen ‘not done’ vinden.) Het boek staat daarnaast vol toegevoegde uitroeptekens omdat haar taalgebruik prachtig is, subtiel en diepzinnig.
Marjoleine de Vos woont in het Noord-Groningse Zeerijp en iedere dag maakt ze een wandeling vanuit haar huis. En hoezo saai een dagelijkse vaste route wandelen? Lees deze passage eens:

Het duurt altijd zo’n poos voordat je een landschap écht ziet. Eén keer wandelen ergens is als geen keer wandelen, je hebt een indruk, maar je weet nog niet waar het altijd zompig is in de herfst, waar je zo’n mooi doorkijkje hebt, waar je ’s ochtens even in de zon kunt zitten, of vanuit welke hoek je het beste ziet dat de toren van Eenum zo idioot scheef staat. Je moet het landschap een beetje wórden, door herhaling.’

De schrijfster loopt door het agrarische buitengebied. Ik ben verslingerd aan het bos. In het voorjaar het ontluikende groen, in de zomer het rijke bladerdak van de bomen. De herfst blijft fascineren met zijn talloze kleuren en dansende blaadjes die loslaten en in de winter de kale takken die omhoog wijzen naar de vaak donkere lucht. Op het platte land voel ik me verloren, zeker als het bewolkt is en de lucht grijs. Ik mis de beschutting van het bos. Maar Marjolein de Vos krijgt mij zowaar enthousiast over het Groningse landschap.

‘Maar het lezen hebben we verleerd. En wie het landschap niet leest, die ziet niets wat in stand gehouden moet worden, die zit te kijken als een kip naar het onweer als hij iemand hoort zeggen, zoals ik laatst hoorde, dat je in het Reitdiepgebied nog oude diepjes kunt zien kronkelen die dezelfde loop hebben als toen het water nog vrij het land instroomde en dat je hart opspringt als je zoiets ziet. Hun hart springt helemaal niet op. Ze zien ook geen kronkelend diepje. Ze zien een slootje als zovele. Gaap.’

Een stukje verder vervolgt ze: Met de vinger wijzen en zeggen: kijk daar, waar je niets ziet, daar is heel veel te zien. Daar woonden mensen, die hebben bestaan, die bouwden die leefden die sliepen die wandelden over die merkwaardige kronkelwegen, die schreven elkaar en die stierven hier op z’n wierde – nergens in Nederland staat er zoveel geschreven als hier. Wie zijn leesbril opzet, ziet meer in het landschap, sporen en tekens, het wordt almaar mooier onder de grote, de wisselende, de wijde, Groningse lucht.

De schrijfster laat de geschiedenis van het landschap tot leven komen en opeens zie je als lezer ook voor je wie daar ooit gewoond moet hebben, wat er geweest moet zijn, hoe alles er ooit zo anders uit heeft gezien. Misschien moet ik mijn beeld van het platteland bijstellen?

Nog iets wat in dit kleinood ter sprake komt; de kunst over het dragen van verlies. Marjolein de Vos stipt de zin aan van Elizabeth Bishop: ‘The art of losing isn’t hard to master.’ En dan schrijft ze een paar regels verder: ‘Ze heeft natuurlijk gelijk, je verliest steeds meer, dus die kunst krijg je echt wel onder de knie. Maar de kunst om het verlies te dragen. Ermee te leven en niet het gevoel te hebben dat je – ik kijk maar eens om me heen – een boom bent waarvan ze steeds takken afzagen, een sloot zonder meidoorn, een grijze haas op een leeg veld.’

Hoe treffend geeft ze verlies weer en hoe mooi verwoordt ze wat wandelen ook in deze situatie brengt: ‘.. doordat je na een poosje vergeet ‘waar het droef hart om schreit’ niet doordat je het vergeten bent, maar doordat het leven als je loopt steeds hier is. Je hoofd gaat mee natuurlijk en dat weet zich heus wel een weg terug te banen, dat ziet overal aanleiding om te missen. Het is alleen tijdens de wandeling niet steeds de baas.’

Het boekje van Marjoleine de Vos is een klein juweeltje. Ik heb heel veel passages aangestreept en de keuze maken welke passages ik zou noemen was en is ontzettend moeilijk. Het liefst had ik het hele boekje geciteerd. Maar oké, als toetje:

‘Het is alsof je, buiten lopend, je leven weer terug krijgt. Ik sta op de Eenumerhoogte – een wierde die in de derde eeuw al bewoond was, nu naast het eigenlijke dorp gelegen dat op een eigen wierde staat. Ze hebben de kaak van een bruine beer in de bodem gevonden – ongelooflijk toch, hier tussen de suizende akkers. Het moet hier zo anders geweest zijn, zonder aardappels en puntige kerktoren. Met beren. Maar enfin, als je daar staat en uitkijkt dan is het of je ook van binnen ruimer wordt. En zolang je op doortocht bent, niet aangekomen, zonder haast, zolang is het leven eigenlijk altijd wel uit te houden.’

Ik ben al een enthousiast wandelaar maar wie dit boekje leest die wordt dat volgens mij eveneens. En het is haar gelukt; ik ga echt een keer naar het Groningse platteland om daar te wandelen en het landschap te lezen!