DE ONDERZEEBOOT Hr.Ms. O13

Het verlies van de O13

 

DE LAATSTE WEKEN VAN DE ONDERZEEBOOT HR. MS. O13.

Wat er begin mei 1940 in Nederland gebeurde

Op 3 mei gaf, Abwehr kolonel Hans Oster, een fervent anti-nazi, een waarschuwing aan de Nederlandse regering door via kolonel GJ Sas van de Nederlandse ambassade. De boodschap, met de exacte datum voor de invasie, werd via een koerier naar Den Haag verzonden en kwam de volgende dag aan. De waarschuwing werd ontvangen en gedeeld met België, maar geen van de twee landen besloten om de informatie met Groot-Brittannië en Frankrijk te delen. Op 9 mei, had Oster wederom een ontmoeting met Sas en bevestigde dat de invasie de volgende ochtend zou plaatsvinden, en dit keer werd er een telefoon gesprek met Den Haag gevoerd. De Nederlandse en de Belgische regering waren er, om wat voor reden dan ook, opnieuw niet in geslaagd om het nieuws te delen met Groot-Brittannië en Frankrijk. In de ochtend van 10 mei marcheerden, zoals Oster had gewaarschuwd, de Duitse Legergroep B Nederland, België en Luxemburg binnen, en veroverde al snel alle drie de naties.


Duitse paratroepen landen op de Ockenburg vliegstrip bij Den Haag.

Nederland werd geconfronteerd met een verrassings aanval door parachutisten van de 7e en 22e Airborne Divisie onder commando van Kurt Student. Nederland capituleerde uiteindelijk na een Luftwaffe bombardement op Rotterdam op 14 mei met duizenden 2200-pond bommen, het doden van 980 mensen, het vernietigen van meer dan 20.000 gebouwen, en 78.000 mensen dakloos. De overgave werd 15 mei aangeboden door de Nederlandse opperbevelhebber. Koningin Wilhelmina en de regering vluchtten naar Londen.

De ontsnapping van onze boten naar Engeland

De O13 lag in Den Helder toen op 9 mei 's avonds het bericht van een op handen zijnde invasie per telefoon uit Berlijn binnenkwam. De commandant werd opgeroepen en meteen die nacht werd aan de O13 opdracht gegeven voor de kust op patrouille te gaan. De O9 en O10 patrouilleerden al voor de kust. Wat de bemanning van onze boten niet weten is dat 's nachts om 00.14 de Franse onderzeeboot Doris door de duitse U-Boot U9 getorpedeerd was en zonk op zo'n 40 mijl uit de Nederlandse kust ten zuid westen van Den Helder. Hierbij lieten de 45 Franse en 3 Britse bemanningsleden van de Doris het leven. De Doris behoorde tot een flotilla van 5 Engelse en 7 Franse onderzeeboten die 8 mei waren uitgezonden om het oosten van het kanaal te bewaken voor een Duitse invasie.

Bij het aanbreken van de dag kon men vanaf de onderzeeërs waarschijnlijk gevechtshandelingen op de kust zien. Aannemenlijk lijkt dat ze dit ook wel via maritieme communicatie te weten kwamen. Overdag kregen ze ook nog te maken met (aanvallen van?) Duitse vliegtuigen die overvlogen.

De onderzeeërs kregen in de loop van die 10de mei opdracht om de mijnenveger "Jan van Gelder" te ontmoeten en gezamenlijk naar Engeland uit te wijken. De Jan van Gelder was in december 1939 in de buurt van Terschelling op een eigen mijn gelopen en zwaar beschadigd teruggesleept. Ze was nog maar net opnieuw in bedrijf gesteld maar nog niet aan haar eskader toegevoegd toen deze opdracht binnenkwam.



"Mijnenveger Jan van Gelder
      en O13 op volle zee."

De bemanning van de boten, opgeleid om Nederland te verdedigen moest weg juist nu Nederland werd aangevallen. Dat moet een vreemde gewaarwordening zijn geweest, weggaan terwijl je familie in Holland achterbleef onder Duitse aanvallen. Duitsland viel over land en via de lucht aan, niet over het water. Bovendien werden in alle waterwegen en havens magnetische mijnen gedropt. De onderzeeboten en andere boten konden in die situatie weinig anders doen dan ontsnappen en naar Engeland uitwijken.

Kennelijk was de opdracht om samen te komen niet door de O9 en de O10 ontvangen, want de O13 en de Jan van Gelder kwamen de volgende dag samen in de Downs in Engeland aan. Waar de Downs precies ligt is niet duidelijk maar het zou Ramsgate op het meest zuid-oostlijke punt van zuid Engeland geweest kunnen zijn. Deze haven ligt, in vergelijking met andere Britse havens, ook betrekkelijk dicht bij Nederland.

Ondertussen waren de nog nauwelijks in bedrijf gestelde onderzeeboten O21 en O22 er in geslaagd vanuit de haven van Vlissingen over de Wester Schelde te ontsnappen aan het duitse leger. In Vlissingen regende het brandbommen op de werven terwijl de brisantbommen tusschen de schepen op de reede ontploften. Duitsche bommenwerpers hadden de Schelde nagenoeg afgesloten met magnetische mijnen. Toch wisten beide onderzeeërs zich aan een inbeslagname te ontrekken en te ontsnappen. Ook zij waren in de Downs aangekomen.

Haar verblijf in Engeland

Lang bleven de onderzeeërs niet in de Downs. Reeds de volgende dag, 12 mei, kregen ze opdracht naar Portsmouth aan de zuidkust te verkassen. Zo vertrok er die dag een klein Hollands konvooi met de Jan van Gelder, de O13, O21, en O22 naar Portsmouth. Ook de Jacob van Heemskerk was toegevoegd. Het smaldeel kwam op 15 mei in de haven van Portsmouth aan. Daar werd meteen begonnen met het afbouwen van de O21 en de O22.

Ook de O9 en de O10 die tijdens de invasie langs de kust patrouilleerden en daarbij door de vijandelijke vliegtuigen vaak onder water werden gedwongen hadden op dezelfde dag Portsmouth bereikt. Zij hadden de 11-de kennelijk opdracht gekregen om eerst nog in Den Helder de batterijen op te laden en wat voorraden in te nemen, een hachelijke onderneming.

Met uitbundige vreugde werden in Portsmouth later ook de O23 en O24 begroet, die op bekwame en moedige wijze uit de hel van Rotterdam hadden weten te ontsnappen. In den vroegen ochtend van 10 Mei lagen beide laatstgenoemde onderzeebooten in het bassin van de Rotterdamsche Droogdokmaatschappij. Beide waren nog "in aftimmering".

In Portsmouth ontstond zo een Nederlands Flotille Onderzeeboten. KLtz C. Hellingman werd aangesteld als commandant van het flottile, maar werd onder Brits operationeel bevel gesteld, met als basis Fort Blockhouse, het onderzeebootstation van de Engelsen in Portsmouth.

Van 29 mei tot 1 juni ondernam Hr. Ms. O 13 haar eerste oorlogspatrouille in Het Kanaal om de evacuerende geallieerde troepen uit Duinkerken en Bordeaux te beschermen. Ze kwam veilig terug in de haven op de avond van 1 juni.
Volgens sommige bronnen zou de O13 die dag iets gezien hebben wat een onderzeeboot leek. Deze boot werd verondersteld de Duitse U9 te zijn geweest. Volgens Duitse bronnen (U-Boat.net) echter was de U9 op dat moment niet meer in die omgeving.
De U9 zou volgens het patroulle verslag 28 mei zijn vertrokken en op 30 mei in Kiel zijn binnengelopen. Volgens diezelfde Duitse bronnen echter waren zowel de U60 als de U62 wel in die omgeving (de Hoofden area) aan het patrouilleren.

Haar verblijf in Dundee Schotland

Omdat het in Portsmouth te gevaarlijk werd met alle Duitse aanvallen met bommen en mijnen werpenden vliegtuigen, kreeg de O13 opdracht om 3 juni naar Dundee te vertrekken. Een paar dagen later vertrok de Nederlandse onderzeeboot naar haar nieuwe basis te Dundee, Schotland, waar het schip op 6 juni arriveerde. De bemanning werd in een oude jamfabriek ondergebracht. Op 11 juni werd de O13 ingedeeld bij het internationale 9-de Submarine Flotilla waartoe o.a. ook de Poolse ORP Wilk behoorde. (Op de site van het "Dundee International Submarine Memorial" staan enkele mooie historische foto's van een zusterschip van de O13, de O14 in Dundee Schotland.)

Een dag later, op 12 juni, verliet de O13 de haven van Dundee voor zijn tweede oorlogspatrouille, de eerste vanuit Dundee. Ze zouden zuid west van Norwegen de Duitse scheepvaart in de gaten houden en waar mogelijk verstoren.


O14 (een zusterschip van de O13) in de river Tay bij Dundee op weg naar de Noordzee.

Sindsdien is er niets meer van Hr. Ms. O13 vernomen. Op 19 juni werd de onderzeeër teruggeroepen naar haar basis in Dundee maar er kwam geen reactie.

In het "Weekly Résumé" van de Britse War Cabinet vergaderingen van die week stond er op de 25th June "The Dutch Submarine O13, beeing overdue from patrol in the North Sea, is presumed lost" (De Hollandse Onderzeeboot O13, overtijd zijnde van patrouille in the Noord Zee, wordt als verloren beschouwd). In dezelfde zinsnede wordt de terugkeer van een (door een explosie) beschadigde Poolse ORP Wilk gememoreerd.

Op 2 juli 1940 komt vice-admiraal J.Th. Furstner, de bevelhebber van de Nederlandse marine in London, met de droevige bekendmaking "dat Hr. Ms. onderzeeboot O13 zoo lang over tijd is, dat helaas haar verlies als vaststaand aangenomen moet worden. Toen op 19 juni de boot werd teruggeroepen heeft hij zich niet gemeld".

Nawoord

In een brief aan de nabestaanden van 1946 heette het: "Aangezien uit Duitsche berichten is op te maken, dat op 18 Juni ongeveer in het zeegebied alwaar Hr.Ms. O13 opereerde een onderzeeboot door Duitsche zeestrijdkrachten is aangevallen, moet helaas worden aangenomen, dat dit dezen bodem betrof."

Dit is alles wat de nabestaanden in de jaren na de oorlog te weten kwamen. Later kwam nog eens het bericht dat de Amerikanen uit onderzoek gebleken was dat Duitsland eind mei 1940 een nieuw mijnenveld had gelegd. En die velden, 16A en 16B lagen precies op de route die de O13 zou varen.

Nog weer later kwam Romanovsky van de Poolse ORP Wilk in zijn memoires met het verhaal dat de Wilk beschadigd was doordat zij 20 juni een onderzeeboot geramd en waarschijnlijk gezonken hadden. Sommigen denken dat dit de O13 geweest kan zijn.

 

Meer lezen over het verlies van de Hr.Ms. O13

 

(Zie hier de laatste dagen van de O13 en op welke manier (hoe en waar) de boot mogelijk vergaan zou kunnen zijn.)

(Zie ook mijn archief met krantenknipsels, het leven aan boord en enkele films)