![]() De grafiek is gebaseerd op een normale verdeling van de aanbiedingen |
De grafiek links is een inkoopgereedschap, waarmee je het optimale aantal aanbieders bij een aanbesteding kunt bepalen.
Het optimale aantal hangt slechts af van 2 variabelen (beide uitgedrukt in procenten):
Voor de Zembla-uitzending over de bouwfraude was de Variatiecoëfficiënt kunstmatig laag, d.w.z. ongeveer 5% of zelfs nog lager. Na Zembla is de Variatiecoëfficiënt globaal zo'n 10%, bij een traditioneel bestek. Rijkswaterstaat deed in 1990 een interessant experiment met de 2e Heinenoordtunnel onder de Oude Maas. Rijkswaterstaat was gewend betonnen tunnels te ontwerpen volgens de afzinkmethode. De aannemerij vond destijds dat er onvoldoende aandacht werd besteed aan innovatieve bouwmethoden. Rijkswaterstaat gaf 4 aannemers de opdracht een aanbieding te doen met een (opgelegde) innovatieve bouwmethode. Daarnaast mocht elke aannemer een eigen alternatief aanbieden. De Variatiecoëfficiënt van de offertes met de innovatieve bouwmethoden was ca. 20%. De alternatieve aanbiedingen waren allemaal van het type betonnen zinktunnel. De Variatiecoëfficiënt hiervan bedroeg ca. 10%. De afgezonken betonnen tunnels bleek ook goedkoper te zijn dan de innovatieve tunnels. Ik beschouw 20% als een reële waarde voor de Variatiecoëfficiënt , in het geval van D&C met ontwerpvrijheid. En 10% is een reële waarde voor de Variatiecoëfficiënt voor een Traditioneel Bestek of een D&C-contract zonder voldoende ontwerpvrijheid. terug Kennismanager Bouwkosten en Bouwcontracten Holland Railconsult Utrecht |
E-mail uw reactie naar Hans Kuiper |
Ik publiceerde over dit onderwerp in het tijdschrift "Cement" in 1997. In 2003 gaf ik een presentatie over dit onderwerp op de 6e COB/JTA workshop in Delft. |