Slangen

Slangen zijn een onderorde van de geschubde kruipende dieren (reptielen). Met meer dan 2.500 soorten tref je ze overal op aarde aan. Ze leven echter vooral in warme en gematigde streken.

Alle slangen stammen van hagedissen af. In de loop van de tijd hebben ze zich ontwikkeld tot reptielen zonder poten die zich kronkelend voortbewegen. Slechts bij sommige soorten vindt men nog rudimentaire skeletdelen van bekkenbeenderen en achterpoten. Bij enkele reuzenslangen vind je in het achterste deel van de buik, in de buurt van de anusspleet, rudimenten van de poten.

De meeste slangen kunnen hun kop slechts 30 cm van de grond optillen. Een uitzondering hierop vormt de brilslang.

Het skelet van een slang bestaat uit de schedel, de wervelkolom en de ribben.

Het langgerekte lichaam is tussen de 15 cm en bijna 10 m lang. Een slang kan maximaal 435 wervels hebben! Het lichaam wordt bedekt met een huid die bestaat uit hoornachtige schubben.

Slangen hebben weliswaar heel goede ogen maar hun oogleden kunnen niet bewegen. Het bovenste ooglid is in de ontwikkeling teruggegaan en is vergroeid met het doorzichtige onderste ooglid. Hierdoor heeft de slang zo’n starre blik. Ter bescherming is boven elk oog een doorzichtige hoornschub gevormd (bril).

De huid van de slang wordt enkele malen per jaar vernieuwd. Beginnend bij de 'bril' wordt de huid geleidelijk naar achteren geschoven. Hierdoor wordt de hele huid als een leeg omhulsel binnenste buiten gekeerd.

Om zich van zijn huid te bevrijden kruipt de slangen over mossen, heide en andere ruwe plaatsen.

De kop van de slang bestaat uit sterk beweeglijke delen. Hierdoor kan hij ook grotere prooien verslinden. De beenderen van de kaken zijn door pezen met elkaar verbonden.

De tanden van de slang zijn zeer bijzonder. Ze vertonen per familie grote verschillen. De tanden bevinden zich niet alleen in de boven- en onderkaak maar ook in de tussenkaak en in de verhemeltebeenderen. Ze zijn vergroeid met de beenderen en kunnen door nieuwe tanden vervangen worden. Deze groeien dan naast, voor of achter de oude tanden uit het bot.

Alle slangen hebben spitse haakvormige tanden, die naar achteren toe gekromd zijn. Daarmee kan de slang de prooi bijten en vasthouden, ze kunnen de prooi niet verscheuren of kauwen.
Gifslangen, die 18 procent uitmaken van alle slangensoorten, hebben speciaal gevormde tanden. Bij enkele soorten zitten deze tanden vooraan in de bek, bij andere soorten zitten ze achter in de kaak. Ze zijn voorzien van een kanaaltje of een groeve en het gif kan via gifklieren door dit kanaaltje in de tand vloeien.

Meestal pakt de slang zijn prooi bij de kop beet en houdt hij hem met zijn tanden vast. Hierdoor kan de slang het gif in de bijtwond spuiten. Vervolgens schuift de slang de ene kant van zijn kop naar voren en pakt hij de prooi een stukje verder op vast, daarna schuift de slang de andere kant van zijn kop naar voren enz. Dit proces wordt herhaald tot in de keel is verdwenen. De speekselklieren scheiden rijkelijk speeksel af om het voedsel beter door de wijd opengesperde mondholte te laten glijden.

Na het doorslikken van de prooi schuift de slang de even tevoren volledig uitgerekte kaak weer in de oorspronkelijke positie. De nu volgende vertering verloopt langzaam.

Slangen hebben een lange dunne tong, die ze voortdurend snel heen en weer bewegen. Terwijl men vroeger geloofde dat dit een teken van agressie was weet men nu dat de slang de tong gebruikt om geuren op te nemen.

Slangen planten zich voort door eieren te leggen. Gedurende de paartijd treft men dikwijls groepen van bepaalde soorten slangen bij elkaar aan. Mannetjes en vrouwtjes liggen dan in elkaar verstrengeld bij elkaar.

De vereniging van de beide slangen verloopt zeer rustig. Vaak ligt het paartje urenlang bij elkaar, zonder zich te bewegen. De geslachtsdelen van de beide partners zijn daarbij stevig met elkaar verbonden.

Na een periode van ongeveer 4 maanden zijn de eieren rijp om gelegd te worden en worden ze door het vrouwtje op een vochtige en warme plaats gelegd. Bij sommige soorten is de ontwikkeling van de jongen al zo ver gevorderd, dat ze al in het lichaam van de moeder het ei verlaten en levend geboren worden of direct nadat het ei gelegd is eruit komen.

Het aantal van de eieren schommelt, afhankelijk van de soort, tussen de 6 en 40 stuks. Meestal zijn de jongen, wanneer ze uit het ei gekomen zijn, aan zichzelf overgelaten. Uitzonderingen vormen cobra's en pythons. Deze bewaken hun legsel en broeden zelfs op de eieren.

In gebieden met koude winters trekken slangen zich in het koude jaargetijde terug in een schuilplaats en houden gedurende deze tijd een winterslaap. Wanneer het in het voorjaar langzaam warmer wordt zonnen ze zich overdag en keren ze ‘s avonds als het weer koeler wordt weer naar hun schuilplaats terug.

Men onderscheidt verschillende slangenfamilies zoals bijvoorbeeld adders, ringslangen, reuzenslangen, gifslangen, zeeslangen en wrattenslangen.

Slangen hebben altijd al een grote rol gespeeld in de sagen van vele volken. Bij sommigen gelden slangen als het zinnebeeld van wijsheid, bij anderen staan ze voor valsheid en verleiding en verzoeking. Bij enkele volken in het gebied van de Witte Nijl worden ze zelfs als goden vereerd.

Onze reuzenslangen werden in vroegere tijden voor draken aangezien. Ze werden in verhalen afgebeeld als monsters met extra angstaanjagende ledematen die alleen in de verbeelding bestonden.