' SNIPPERS VERLEDEN '
 
Een tweede serie verhalen
 
Oorspronkelijk geschreven voor en gepubliceerd in
het 'Kameleon' en de Almanak, beide periodieken van de LBC,
de studievereniging van de Leidse biologiestudenten
 
© a.m.siebers (2004, 2016)
 
 
  Inhoud :
 
 
De tijd van Mevrouw Pot

Chipmunk in de wasmachine

De viool

Your'e welcome, Sir!

Terugreis van Breda

Het verstoten eendje

Een speelse geest

De Nobelprijswinnaar

De buurman links en rechts

Als toen niet . . . dan . . .

Biodiversiteit in de studentenkamer

Het teken aan de wand

Verantwoording

 
 
 



DE TIJD VAN MEVROUW POT
 
(uit Lustrumboek 1998 "Eindeloos")

Mevrouw Pot was mijn eerste hospita en de tijd waarover dit verhaal gaat ligt wel veertig jaar terug, voor de huidige studentengeneratie zoiets als in de oertijd. De meeste studenten zaten toen bij particulieren 'op kamers'. Huursubsidie bestond niet en de burger die krap zat nam gewoon een student in huis. Zo ook mevrouw Pot. Haar man had een transportbedrijf aan de Hoge Morsweg. Hij had een paar chauffeurs in dienst die er voor dag en dauw op uit trokken om hun vrachtje stenen van de ene naar de andere plaats te vervoeren. Het waren geen rijke tijden. Toen mevrouw Pot dan ook zag dat de inkomsten de kar niet konden trekken besloot ze een advertentie op te sturen naar Augustinus, een studentenvereniging die haar wel wat leek.
Even daarvoor had een scholier in Rotterdam zijn middelbare schooldiploma gehaald. 'Wat gaan we doen?' zo vroeg hij zich af. Onder zijn leraren was er eentje zijn favoriet en dat was de biologieleraar, Mijnheer Dunker. Zou het een studie biologie worden? Maar hij was thuis ook altijd graag met bouwdozen van huizen in de weer en tekende, wanneer het zo uitkwam, hele fantasiesteden uit op papier. lets met bouwen of ontwerpen zou dus ook heel mooi zijn.
Hoe pakte je dat aan in die tijd? Schooldecanen waren nog niet uitgevonden. Introductie-dagen bestonden nog niet en er waren geen flitsende brochures waarin je een en ander kon nazoeken, laat staan sites waar studies kon vergelijken.
Hoe kwam je dan aan de informatie? Wel, je benaderde gewoon een oom, kennis of collega van je vader. En die wist wel weer iemand, enz. Verder was de situatie natuurlijk ook heel wat simpeler dan nu. Er waren gewoon minder opleidingen en studierichtingen. Maar onze scholier had in zo verre pech dat er in zijn omgeving niemand 'gestudeerd' had. De informatie moest dus uit een andere bron komen. Zo zat er niets anders op dan de fiets te pakken en de dichtstbijzijnde universiteiten Delft en Leiden op te zoeken . . .
 
Biologie
En zo gebeurde het dat ik op een goede dag in de grote vakantie op pad ging. Het was mooi weer en dus werd maar eerst gekozen voor de meest ver weg liggende stad en dat was Leiden. Daar aangekomen werd een voorbijganger aangesproken met de vraag waar de 'universiteit' vinden was. De Leidenaar kende alleen het Kamerlingh Onnes Laboratorium aan de Steenschuur en verwees me dus daarheen. pijl-r Via een of andere toevallige technicus belandde ik bij een secretaresse en die wist weer dat er dicht bij een laboratorium van de Biologie te vinden was. Zo kwam ik terecht in de Nonnensteeg en probeerde daar het eerste de beste gebouw. Boven de deur prijkte in vergulde gotische letters de naam "Rijksherbarium". lk dacht dat ik goed zat. Maar men had het daar niet zo op met studenten in spé en zo werd ik snel via een tussendeur gedumpt in een ander gedeelte van het gebouw waar het Botanisch Laboratorium bleek te zijn gehuisvest. Een toevallig passerend niet onvriendelijk heerschap werd aangeklampt en gelukkig, hij bleek er meer van te weten. Hij nam me mee naar zijn kamer (met fraai uitzicht op wat ik later als de Hortus Botanicus zou weten te waarderen) en informeerde me zo goed en zo kwaad als het ging over de studie en waar de colleges en de practica zoal gegeven werden. De biologie bleek drie locaties te hebben, dit laboratorium en nog twee andere plaatsen waarvan hij de ligging op een papiertje uittekende. Pas later begreep ik dat ik met de hoogleraar Botanie in hoogst eigen persoon gesproken had. Het was Prof. van den Honert, een plantenfysioloog afkomstig van het Suikerrietstation in Bogor, lndonesië (Botanie telde in die tijd veel oud-Indiëgangers).
Met het papiertje in de hand toog ik naar mijn volgende bestemming, de nabije Raamsteeg, waar een groot en imponerend gebouw mijn verbazing wekte. Weer zo'n zelfde neogotisch gebouw als in de Nonnensteeg. Als Rotterdammer vond ik dat wel een beetje vreemd, maar goed het had wel wat. De norse portier vertelde dat publiek er niet in mocht, ook scholieren niet, of die nou bioloog wilden worden of niet. Dat viel vies tegen. Dan maar op naar de derde locatie. Na een niet ongezellige winkelstraat en een steegje kwam ik uit bij een hoge zware bakstenen kolos. Zou dat ook biologie zijn? Er omheen lopend kwam ik bij de hoofdingang van een grauwwit en gesloten ogend gebouw.
 
Het Zoötomisch
Twee grote stenen borden naast de deur met 'Zoötomisch Laboratorium' er op vertelden me dat ik goed zat! Via een kale hal belandde ik in wat mij het hol van de leeuw leek. Wat ik me tot de dag van vandaag herinner is de typische lucht die er hing en die ik later wist te herkennen als een mengeling van de geur van formol en alcohol. pijl-r Een bordje 'hier melden' was niet te bekennen en dus werd er maar ergens schuchter op de deur geklopt. 'Mej. dr. K. Schijfsma' stond er op. 'Ja, binnen' klonk een zachte stem. Een kleine grijsblonde vrouw met het haar in een wrong stond me te woord. ledereen noemde haar 'Kaatje', zo hoorde ik later. Ze was een schat van een mens en voor mij het prototype van de vrouwelijke wetenschapper. Ook bij haar peuterde ik wat informatie los en voorzien van de aldus vergaarde informatie stapte ik weer op mijn fietsje richting Rotterdam.
Zou ik het doen? Maar hoe zat het met Bouwkunde? Wel, het was de weken daarna alsmaar slecht weer en zo kwam het er niet van om ook in Delft een kijkje te nemen. De twee happenproef bleef uit en zo bleef ik behouden voor Leiden en de biologie!
 
Op kamers
Een paar weken na mijn eerste bezoek ging ik voor de tweede keer naar Leiden. Er moest worden ingeschreven. Dat betekende lang wachten op de trap van het Academiegebouw aan het Rapenburg. Mijn letter 'S' was van 13.00 tot 13.30 aan de beurt maar er was sprake van een behoorlijke uitloop. Gelukkig was er nog tijd over om een studenten-vereniging te verkennen. Augustinus was dichtbij en omdat ik toch net aan het ontdekken was wat katholiek zijn inhield, leek me die vereniging geen onlogische keuze (voor de lezers van nu, Augustinus was toentertijd een principieel confessionele vereniging met een heuse eigen kapel op de eerste verdieping van haar gebouw op Rapenburg 24). Op een prikbord in de gang hingen advertenties van aangeboden kamers. Hoge Morsweg 90 was er één van. Niet direct in het centrum maar daarom ook niet zo duur. Die 40 gulden moest mijn vader toch kunnen ophoesten, al wist ik dat het moeilijk zou worden want een studiebeurs zat er voor mij niet in.
De volgende dag terug naar Leiden, de Hoge Morsweg opgezocht en aangebeld. "Huh, waar kom jij voor?" blafte mevrouw Pot boven in de trapopening me toe. "Maar u had toch een kamer te huur".
Haar stem sloeg om in vriendelijkheid. "Oh ja, oh, kom maar boven". De kamer bleek een niet onaardige zolderkamer te zijn met een kleine dakkapel en een heus potkacheltje voor de winterse dagen. Kieskeurig was de Het uitzicht was goed en ik zou over de spoorbaan heen biijven kijken die de NS aan het ophogen was. Een douche was er niet in het huis maar daar tilde je in die dagen niet zo aan. Wel een telefoon vanwege de zaak, en dat was best bijzonder voor die tijd. lk nam de kamer en mevrouw Pot nam mij.
Die potkachel staat me nog goed voor de geest. Je stookte hem met eierkolen (een uit kolenafval geperste soort brandstof in de vorm van eieren). Maar eerst moesten er altijd houtjes gehakt worden om het vuur aan de praat te krijgen. kachel niet. lk was dol op makreel en de vele vette resten van zo'n beest waren goed voor weer enige uren 'oliestook'. En als hij goed brandde dan zorgde zijn enkelwandige buik voor een heerlijk warme gloed op de koude zolderkamer.
Voor het koken kon ik beneden in de keuken beschikken over één gaspitje op het fornuis. Allerlei peulvruchten als kapucijners, bruine en witte bonen vormden de hoofdmoot van de maaltijd. Ze werden 's avonds in de week gezet, 's ochtends aan de kook gebracht en vervolgens met pan en al in bed geplaatst. 's Avonds waren ze gaar. Wat sla en een worst erbij en klaar was de maaltijd!
 
De hospita
Het leuke van een hospita was, dat je iemand had die je op enige afstand in de gaten hield, bij wie je de was kon afleveren en die je af en toe wat eten toeschoof. Voor mij was er meer. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik in een echt gezin terechtkwam, met drie opgroeiende kinderen, de oudste niet veel jonger dan ik. Tussen mijn hospita en mij groeide al gauw een bijzondere relatie. lk vertrouwde haar het een en ander toe en zij mij. Het was een heel levenslustige vrouw die op z'n tijd wel van een stoeipartijtje hield. Beroemd is de keer dat er een vreemd gestommel in huis werd waargenomen. Zij dacht dat er een insluiper was en ik dacht hetzelfde. Toen we erachter kwamen dat de een de ander voor inbreker gehouden had, ontlaadden we de spanning door elkaar eens flink in huis achter na te zitten. Op een gegeven moment duwde zij mij pardoes door de fraaie glas-in-lood ramen van de schuifdeuren tussen de woonkamer en de slaapkamer, een actie waarvoor de heer des huizes, naar ik me herinner, geen grote waardering kon opbrengen.
Een student in huis dat was nog tot daar aan toe, maar het moest natuurlijk niet te gek worden. Het ontging haar nooit wanneer ik tentamen moest doen. Een verhoogde mate van ijsberen boven haar hoofd en een grotere frequentie van het Wc-gebruik waren de tekenen dat haar student er weer eens aan moest geloven. Let wel, die tentamens van toen waren mondeling en een tentamen niet halen betekende dat je een behoorlijke afgang maakte. Je hulde je netjes in een donker pak en poetste nog eens extra je schoenen op. Je had vooraf altijd behoorlijk de zenuwen.
 
Hulpgeroep
Op een keer is ze me 's nachts te hulp geschoten toen ik in een vreselijke nachtmerrie luidkeels om hulp riep. Die droom is me altijd bijgebleven. Ik moest tentamen doen bij prof. van Steenis, ongetwijfeld een goede man (anders zou er niet een gebouw naar hem vernoemd zijn) maar voor mij was hij toen een ongenaakbare hoogleraar die hoog op de wetenschappelijke ladder torende. In mijn droom moest ik een heel lange gang in het herbarium aflopen om bij zijn kamer te komen. Links en rechts naast de loper op de gang stonden kostbare manshoge Kungvazen, met fraaie Chinese bloemen beschilderd. De deur op het einde van de gang ging open en de professor verscheen in de deuropening. lk schrok, wankelde en raakte een vaas aan. Deze raakte uit balans en viel vervolgens met groot geraas in duizend stukken uiteen. Boven het tumult uit schreeuwde de professor: 'Weg, eruit!' en ik daar weer bovenuit: 'Nee, nee, nee!'. Mevrouw Pot stond weldra naast mijn bed, 'Rustig aan maar, jochie'.
Maar ze was niet altijd zo lief meelevend. Wanneer het tentamentijd was (en dat raadde ze dus altijd) was het haar gewoonte mij op tijd uit bed te trommelen ('de morgenstond had goud in de mond', vond ze). Wanneer het gewenste gevolg uitbleef werd het tijd voor harde maatregelen en werd haar student met bed en al tegen de muur opgeklapt. Tja, dan ben je wel wakker!
 
Goudhamster
Zij was al met al best trots op haar student en nog het meest op het huisdier dat hij na een jaartje of wat meebracht. Dat zat zo. In de jaren 1930 was er in Syrië een kleine hamstersoort ontdekt. Een vrouwtje met 12 jongen kon worden uitgegraven (nadien zijn ze nooit meer gesignaleerd). Het nest werd naar Amerika overgebracht en de nakomelingen deden het daar goed als proefdier (een voorbeeld van goed verlopen inteelt!). Een paar jaar na de Tweede Wereldoorlog verschenen de beestjes ook in de Nederlandse laboratoria, zo ook in Leiden. En ik was een van de eersten die zo'n goudhamster mee naar huis mocht nemen.
Wanneer mevrouw Pot visite had (en dat had ze nogal eens) kwam ze steevast even naar boven met de vraag: 'Mag ik de hamster even meenemen,' en dan werd mijn bijzondere huisdier beneden bewonderd en vertroeteld.
Na drie jaar gingen de zaken beter en vroegen ook haar kinderen om een eigen kamer. lk was intussen al gaan uitkijken naar een nieuwe kamer en vond die in de Herensteeg. Lekker centraal en nog goedkoper ook (35 gulden). Wel geen stromend water en verwarming dit keer, maar goed het waren andere tijden. Een nieuw studentenleven kon beginnen . . .
 
 



CHIPMUNK IN DE WASMACHINE
 
(uit Kameleon 1990)

Eigenlijk hebben we altijd kleine huisdieren over de vloer gehad. Goudhamsters knabbelden er lustig op los. Voor de afwisseling waren er Russische hamsters en incidenteel ook wel eens een konijn. Aan andere dieren overigens geen gebrek. Het terrarium b.v. is hele lange tijd bevolkt geweest met een kleine soort gordelstaarthagedis uit zuidelijk Afrika. Maar aan geen huisdier waren we zo verknocht dan aan de chipmunk.
Stel je voor een Nederlandse eekhoorn maar dan een flinke slag kleiner, met een bescheiden pluimstaart (die doet denken aan die van een hazelmuis) en met een aantal zeer opvallende overlangse strepen over de rug. Net zo levendig als onze eigen inheemse soort maar kleiner dus, knap nieuwsgierig en behoorlijk intelligent. Ze komen voor in de noordelijke streken van de oude en de nieuwe wereld.
 
Voor de bijl
Hoe kwam ik destijds aan mijn eerste paartje? Wel als bioloog loop je wel eens een dierenwinkel binnen en zo kon het gebeuren dat ik plotseling oog in oog stond met een paartje toen nog volkomen onbekende knaagdieren waar ik op slag verliefd op werd. Ik naar huis om mijn vrouw van mijn nieuwe affectie te verwittigen. Gelukkig vatte zij de concurrentie goed op en was na enig aandringen ook nog bereid om mee naar de winkel te gaan teneinde het voorwerp van mijn genegenheid zelf in ogenschouw te nemen. En ook zij ging voor de bijl. Het paar werd gekocht en mee naar huis genomen. Maar toen begonnen de problemen.
Een eekhoorn moet de ruimte hebben en dus moest er een flinke kooi in elkaar worden gezet en we besloten dat ons stel er ook op regelmatige tijden uit mocht. Het was altijd een feest om ze zo vrij door de kamer te zien springen en klimmen, al was hun gedrag niet even altijd bemoedigend. Plantenbakken werden regelmatig grondig overhoop gehaald en overal schoten allerlei graansoorten op tussen de geraniums en de cactussen, gevolg van het vakkundig verstoppen van het voedsel. Het boekenrek moest het speciaal ontgelden. Pocketboeken werden, om meer ruimte achter te maken, naar voren geduwd. Zo nodig over de rand van de boekenplank heen waarna er een tevreden eekhoornensnuit tussen de resterende boeken te voorschijn kwam om het resultaat van de noeste arbeid daar beneden op de vloer eens goed te bekijken. Grotere boeken waren natuurlijk wat moeilijker te verschuiven, dus werd er teruggevallen op een simpel wegknagen van wat er in de weg stond. Diverse boeken uit mijn bezit vertonen dan ook stevige knaagsporen. Tot ongenoegen van mijn vrouw hadden ze een zekere voorkeur voor haar grote kookboek. We hebben dan ook op een gegeven moment een nieuw exemplaar moeten aanschaffen.
 
Ontsnappingen
Gelukkig voor ons hebben deze eekhoorntjes de prettige eigenschap op gezette tijden even langs huis (dat wil zeggen hun kooi) te gaan en dat is dan het geschikte moment om de deur weer te sluiten. Let wel, zo lang de eekhoorns los zijn kun je zelf de kamer niet uit, want ze zijn watervlug en zo ontsnapt. Een keer is dat er eentje dan toch gelukt.
We woonden nog in de Herensteeg beneden. Via de per ongeluk nog openstaande tuindeur ging hij in een roetsj de vrijheid tegemoet. Maar tot onze verbazing kwam de eekhoorn na een kort rondje door de tuin weer even zo vrolijk door de tuindeur naar binnen rennen om vervolgens van de weeromstuit direct zijn kooi op te zoeken. Wij hadden geluk gehad.
Na een jaar verhuisden we van het huis in de Herensteeg naar de grote woonflat aan het Stationsplein (boven de Chinees, op de vijfde verdieping) Een hele grote woonslaapkamer waar het voor onze eekhoorn Chip (z'n maatje Munkie was inmiddels dood gegaan) goed toeven was. Maar ook in de overzichtelijke flat (met aparte tochtdeur in de hal) was ontsnappen mogelijk, en dat hebben we gemerkt. Die flat had een balkon aan de voorzijde en op een gegeven moment was Chip verdwenen. En de balkondeur was niet goed dicht! Met tranen in mijn ogen ben ik beneden op het plein gaan zoeken naar het stoffelijk overschot. Maar niets te vinden. Twee dagen later dook de doerak weer op in de door ons aan een student verhuurde kamer. Het was geen bioloog maar een nette tweedejaars geneeskundestudent die de intussen in zijn studieboeken geknaagde gaten minder kon waarderen.
 
Wasmachine
Nog een voorval herinneren wij ons van ons verblijf aan het Stationsplein. Als Chip los was mocht hij op de schouder van mijn vrouw wel eens de keuken in. In de keuken viel immers altijd wel iets lekkers te halen. Maar het was ook gevaarlijk terrein en dat heeft Chip geweten. Er stond een wasmachine opzij, zo'n oude bovenlader. Enfin, het laat zich raden wat er gebeurde. Chip nam een sprong, taxeerde de afstand iets verkeerd in en gleed pardoes de wasmachine in die op dat moment vol stond met sodawater. En zo gebruikers van dit paardenmiddel wel weten, het maakt alles glad. Hij kon er uit zich zelf niet uit en wij konden hem niet vastgrijpen. Dat grijpen is trouwens niet zonder risico. Van Munkie bewaren we een stuk staart in het fotoalbum, gevolg van een mislukte poging haar te vangen. Gelukkig kwamen we nog bijtijds op het idee gewoon de arm in het sodawater te stoppen en hem zo de mogelijkheid te bieden er zelf uit omhoog te kruipen. Hij was verstijfd van schrik en pijn (sodawater bijt behoorlijk, zeker in kleine eekhoornenoogjes) zodat we hem konden vast houden en onder de kraan met lauw water afspoelen. Daarna ontsnapte hij weer, dook in ons bed om zich te droog te schuieren om vervolgens zijn kooi in te gaan en zich drie dagen van ellende niet meer te laten zien. Daarna was hij tot onze blijdschap weer volledig de oude om ons nog vele jaren te vermaken.
 
Dokter en dochter
Het tweede paar wat we hadden was meest succesrijkste. We hadden inmiddels een eigen huis in Oegstgeest en daar maakte ik een door middel van regenpijp verbonden systeem van twee kooien, een kleine kooi binnen en flinke kooi buiten. Via een luchtsluis met magneetsluiting tegen de tocht waren binnen- en buitenkooi met elkaar verbonden. Het bleek een ideale verblijfplaats voor het nieuwe paar dat we ook weer Chip en Munkie noemden. Ze leefden zo gezegd lang en gelukkig en kregen drie keer jongen, in totaal 14 stuks! De jongen zijn altijd onder kennissen en studenten verdeeld. Er moeten, als het is goed gegaan, dus hier en daar nog wat (verre) nakomelingen in leven zijn.
Een van de ouders is wel eens ziek geweest. Een oogontsteking waarbij het oog min of meer uit de oogkas werd geduwd. Niet plezierig voor het beest en bepaald ook niet leuk om aan te zien. Dat vond onze huisdokter ook toen hij ontboden was om naar onze behoorlijk zieke oudste dochter te komen kijken. Maar ja, dochters hadden we meer en een zieke eekhoorn is voor een dokter weer eens wat anders. Resultaat was dat de dokter vertrok, na wel een recept voor de eekhoorn te hebben uitgeschreven maar onze dochter geheel vergeten te zijn. Hebben we de dokter weer op moeten bellen, de ontaarde ouders!
Enfin, het beestje is er weer aardig bovenop gekomen. En de dochter? Die heeft er nog een complex aan overgehouden en is als reactie prompt aan een HBO-opleiding verpleegkunde begonnen!
 
 



DE VIOOL
 
(Kameleon 2014: themanummer 'Buitenbeentjes')

Voor dit verhaal moeten we een flink stuk in de tijd terug. De biologie zat met al zijn gebouwen nog in de binnenstad. In Plexus aan de Kaiserstraat was nog een mensa en op de eerste verdieping een soort brasserie waar studenten maar ook gewone Leidenaren welkom waren.
De schrijver van dit stukje was net verhuisd van het Botanisch Laboratorium aan de ene kant van de hortus naar het Zoölogisch laboratorium aan de andere kant. Een verhuizing die voor deze man een breuk in zijn carrière betekende. Van het wetenschappelijk bedrijf naar het nieuwe en nog ongewisse werk van studieadviseur (ik was de eerste bij de biologie). Een vrije keuze, dat wel. Na een groot aantal jaren in de wetenschap was de spanning er af en wilde ik weer wat anders gaan doen en wel terugkeren naar het werken met jonge mensen, naar iets wat ik voordien als leraar daarvoor ook had gedaan.
Mijn hevige interesse in de ontwikkelingen in de biologie kantelde naar een even hevige nieuwsgierigheid in alles wat met psychologie te maken had. Daar was de stromingenstrijd net uitgebroken, de antipsychologie kwam op. Te beginnen met het textbook "Psychology Today" ging ik dit voor mij nieuwe terrein verkennen. Ik leerde sterk gericht op de persoon van de student en zijn leefomgeving te werken. Een veelvuldig bezoek aan studentenactiviteiten, met name aan borrels, was daarvan een uiting. Ik zei het al, Plexus was dichtbij en ook daar kon ik de studenten in een andere sfeer treffen dan in mijn spreekkamer en dat bleek voor het bovenwater krijgen van de echte (studie)problemen nog al eens essentieel.
 
Tijdens een van die lunches bij Plexus viel me een knaap op die heel erg opging in het schaakspel met zijn tegenstanders. Ik zag hem daarna met enige regelmaat rondhangen en begon me nieuwsgierig af te vragen wat voor iemand het was. Wat zou hij studeren (als hij dat al deed). Bioloog was hij niet, anders zou ik hem zeker kennen. Op een keer botsten we letterlijk in de garderobe tegen elkaar aan (jassen nam je in die tijd niet mee naar binnen maar hing je nog netjes op!) en kon ik de vraag stellen "Hé, wat doe jij zoal in het dagelijks leven?".
Het klikte tussen ons en menig keer als ik op Plexus was maakte ik even een kort praatje. Naarmate ik hem langer kende begon ik te vermoeden dat het een intelligente jongen was die eerder een of andere calamiteit (psychose?) had doorgemaakt. Op een keer vroeg ik hem waar hij woonde en hij reageerde daarop met een "kom maar eens langs als je in de buurt bent".
Een paar weken later stond ik bij hem voor de deur in de Paul Krugerstraat, in een oud buurtje bij het station. Het bleek een nogal vervallen pand te zijn, met duidelijk in vele jaren niet schoon gemaakte ramen. De bel deed het niet maar een klop op de deur bracht de gewenste bewoner aan de voordeur. Peter (zo heette hij) bleek de kamer beneden aan de straatzijde te bewonen. Binnen in zijn kamer was het een vreselijke rotzooi, met als blikvanger een immense berg rotzooi die de plaats innam van de gebruikelijke lage middentafel. Etensresten, oude kranten, leeggegeten blikjes, restanten pizzadozen, alles was in die berg terug te vinden.
Deze jongen zat behoorlijk aan de grond, zo veel was wel duidelijk. Ik had wel wat verwacht maar niet dit en voelde me dan ook danig opgelaten met de situatie.
Ik wist niet goed wat te zeggen en hoe te reageren. Onze ogen ontmoetten elkaar en hij zag mijn onzekerheid. Langzaam gleed zijn blik naar een wand in de kamer en ik volgde zijn ogen. Wat hoog aan de muur en door mij niet direct opgemerkt hing een viool, zijn viool. Hij zag mijn verbazing en reageerde met een "Ik zal wat voor je spelen". Het werd een prachtig gespeeld stuk, iets wat ik later zou herkennen als "Kol Nidrei" van Max Bruch. Ik was behoorlijk aangedaan. Dacht ik iets voor hem te kunnen betekenen maar het pakte omgekeerd uit. Een paar weken daarna was hij opeens verdwenen . . . Maar telkens als ik dat stuk hoor moet ik weer aan hem en dat bijzondere recital terugdenken.
 
 



YOU'RE WELCOME, SIR!
 
(Kameleon, maart en juni 1988)

Op stap voor de biologie, de Oceaan overgestoken, 2000 km gebust, 3 universiteiten bezocht en onderweg nog 9 Leidse oud-studenten opgezocht. Door vier Staten van de USA en twee provincies van Canada getrokken en geslapen in motels, bij studenten, in de nachtbus en in een kazerne.
De directe aanleiding van mijn (tweede) werkbezoek was het tienjarig bestaan van het uitwisselingsprogramma tussen de Leidse biologie en de Department of Biological Sciences van de Kent State University (Ohio). In het kader van dit programma zijn tussen 1979 en 1995 een honderdtal Leidse biologen naar de States gegaan en deden een zelfde aantal Kent-studenten een korte zomerstage bij de Leidse biologie. Hieronder een selectie van enkele gedeelten uit de toenmalige verslaggeving in het Kameleon. Over 'Her Majesty' die mij de weg versperde, over een Nobelprijswinnares die onverwacht opdook en over een godin die mij wel kon bekoren.

 
Na enig zoeken bleek de KLM een retourtje Canada in de aanbieding te hebben en mij in Toronto te willen afzetten, om me twee weken later in Montreal (Quebec) weer op te halen. Omdat ik het land goed wilde verkennen (en ook om ruimte maken voor enig avontuur) had ik verder alle vervoer per bus (de fameuze Grey Hound) gepland.
Zo startte ik dus in Toronto, de hoofdstad van de provincie Ontario, het economisch hart van Canada. Een schone en gezellige stad, veel architectonisch boeiende nieuwbouw, met de grootste Universiteit van het Gemene Best en het hoogste gebouw van de wereld, de 550 meter hoge CN Tower die ik graag wilde bezoeken.
De eerste dag begon bijzonder. Dikke rijen Canadezen versperde me de weg naar de toren. "What's going on here?" was mijn vraag. Verbaasde gezichten "Didn't you know, the queen is coming!". Op vijf meter afstand voor me stapte ze even later over van auto naar open caleche: Elizabeth II in hoogst eigen persoon!
De volgende dag was het tijd voor het echte werk, een bezoek aan de universiteit en de biologie van Toronto. Dan gaat het op weg naar Kent.
Na een lange bustocht, met een tussenstop voor de Niagara Falls, leverde de Grey Hound me keurig op tijd af in Cleveland vanwaar het nog een uurtje bussen was naar het kleinere Kent. Eigenlijk een dorp maar wel een met een universiteit met meer dan 20.000 studenten, een eigen ziekenhuis, sportstadion, TV-station en een magnifieke campus. Slapen deed ik bij Dr. Dutta thuis, mijn collega "Director of the Exchange Program" van Kent.
 
Durga puja
Ik had me voorgenomen de zaterdag het Catholic Newman Centre op de campus te bezoeken. In plaats daarvan kwam ik op uitnodiging van Dr. Dutta terecht in een Hindoestaanse tempel waar ik als tijdelijke volgeling van de godin Durga deelnam aan een hoogst exotische plechtigheid. Durga puja of de Zuivering van Durga. Op een stencil las ik wie deze godin was, of anders gezegd, welk facet zij van Braham, de Ene, vertegenwoordigde. Nu is enige religie mij niet vreemd, en ik hou wel van een sliertje wierook, mits met overtuiging ten hemel gezonden. Maar wat hier gebeurde … Een bonte verzameling mensen uit India en Bangladesh, zonder uitzondering behorend tot de upperclass (prof., dr., ir., etc.), in de traditionele gewaden van hun land van herkomst bijeen in een wel zeer huiselijke gebedsdienst en reunie tegelijk. De deelname aan de plechtigheid leek marginaal, een jonge priester en een assistent deden het werk, schoven met offeranden, tilden dingen op en zetten ze weer neer, staken wierook aan en prevelden hun gebeden in het Sanskriet. Vrouwen sloegen bij tijd en wijle op een gong of produceerden andere mysterieuze geluiden, alles volgens een kennelijk vaste liturgie, waarvan de betekenis mij volledig ontging. Intussen keuvelde iedereen er driftig op los en leek vrijwel niemand zich niets aan te trekken van wat zich daar voor het bontgekleurde altaar afspeelde. "Leek" want zonder dat ik begreep waardoor staakte plotseling ieder zijn rondgang en begaf zich naar een centraal tapijt, waar men dicht opeenstaand en de handen zeer devoot gevouwen, vol overgave de priester in zijn litanieachtige lofprijzingen herhaalde. Slechts vier of vijf kennelijk ongelovige Hindoestanen bleven op hun stoelen zitten. En aan de kant stonden nog twee ongelovigen: deze Katholieke Christen en zijn Moslim-metgezel Amzad (als Kentstudent drie jaar geleden via de uitwisseling nog in Leiden geweest). Na een kwartiertje was het even plotseling over als het was begonnen en ontving iedereen een rituele maaltijd bestaande uit verschillende ondefinieerbare zoete zaken (een soort communie), gevolgd door een minder rituele en oh zo hete Bengaalse maar heerlijke warme maaltijd.
 
De Noodtoestand
Zo werd het zondag en Kent zat er op. Na een vijf uur durende busrit door de staten Ohio, Pennsylvania en New York zou ik rond middernacht in Albany (de hoofdstad van de staat New York) arriveren om daar in het Holiday Inn van een goede nachtrust te genieten. Het pakte anders uit . . .
Het busstation zit onder een dik pak sneeuw. Het lukt om een taxi te pakken. Central Avenue, waar het hotel lag, kan gezien de naam niet ver zijn maar dat valt tegen. De Avenue blijkt 15 km lang en de Holiday Inn vrijwel aan het eind. Aangekomen blijkt het hotel dicht en wat nog vreemder is, er is geen enkel lichtje te bekennen. Ineens realiseer ik me dat ik nergens een straatlantaarn heb zien branden en dat de chauffeur op weg naar een volgend hotel of motel telkens moet omrijden omdat omgevallen bomen en elektriciteitsmasten de doorgang belemmerden. Langzaam dringt het tot me door dat ik in een rampgebied terecht ben gekomen (met, naar later bleek, een kwart miljoen huizen en gebouwen zonder stroom). Wat nu? Bij het vierde hotel waar of geen stroom of geen plaats is, besluit mijn taxidriver mij af te zetten bij een kazerne van de National Guard (die kennelijk als noodonderkomen was ingericht). Ik mag aanschuiven bij een van de in lange rijen opgestelde veldbedden. Om mij heen gemurmel en gesnurk van andere pechvogels en hulpbehoevenden, waaronder veel oude mensen die zonder lift hun woning niet kunnen bereiken.
 
Albany NY
Via een soort estafette van behulpzame Amerikaanse automobilisten belandt ik moe, vies en ongeschoren die vroege morgen toch op het bureau van de decaan van de biologie van wat officieel heet de State University of New York at Albany, prof. Jon Jacklet. De bedoeling van mijn bezoek is eens te polsen of men wat zou zien in een uitwisselingsprogramma met Leiden. ( . . . ). De noodtoestand duurt intussen voort. Het kost aan het eind van de dag weer moeite om onderdak te vinden. Er sliepen zelfs stafleden in de kweekkamers! Ik wil toch proberen bij iemand thuis te slapen, ook al is het daar koud en donker. Gelukkig ontfermt Giorgio, een Italiaanse postdoc zich over mij. Ik kan een slaapzak lenen van een Spaanse student en we worden door een Afrikaanse promovendus naar huis gebracht. De volgende dag brengt de hospes van Giorgio me naar het busstation in het centrum. Daar is stroom en ik kan me scheren, hoera! Ik heb nog twee uur over en ga even naar het Rockefeller Plaza, het bestuurlijke centrum van de staat New York. Op het nabijgelegen stadhuis wappert een wel zeer vertrouwde vlag, herinnerend aan onze eigen nationale driekleur! Maar Albany heette dan ook in oude tijden Fort Nassau en was Nederlands bezit. Dat was overigens ook de reden waarom ik Albany uitkoos en hoopte dat die oude historische banden aanleiding konden zijn voor een nieuw uitwisselingsprogramma. Was Hudson niet de man die in dienst van de Hollandse VOC met de Halve Maen de Hudson opvoer, opzoek naar een Noordelijke doorgang naar de Oost? Het werd middag en tijd voor mij om in omgekeerde richting de Hudson af te zakken voor een uitstapje naar New York, de laatste etappe van mijn reis.
 
New York
Ik kom in het donker aan op het immense Port Authority Bus Terminal (200 perrons verdeeld over meerdere verdiepingen!) op de 4lste Street/1st Avenue. Egbert en Jeanette, de twee oud-studenten waar ik zal logeren, wonen op de 91ste Street/1st Avenue. Dat kan dus niet zo ver zijn, denk ik. Helaas doen kleinere straten niet mee in de nummering en dus loop ik me toch twee uur de blaren in mijn schoenen. Mijn oud-studenten bewonen een fraai ingericht appartement in een flatgebouw van vier verdiepingen. Een stevig gebouwde neger houdt beneden de wacht.
De volgende dag leidden ze me rond op het medisch-biologisch laboratorium van Cornell University waar ze werken in het kankeronderzoek. Het valt me op hoe iedereen hier, net als trouwens in Toronto en Albany, dicht op elkaar zit. Ziekenhuis en laboratorium lopen wat warrig in elkaar over en dus word ik bij mijn rond gang ook geconfronteerd met de zieke mens waar het allemaal omdraait.
 
De preek
Er rest me nog een middag voor sightseeing. Ik besluit om New York rustig door te banjeren en me te beperken tot het gebouw van de Verenigde Naties, het Empire State Building en - als tegengewicht - de St. Patricks Cathedral. Ik bof de Assemble van de V.N. heeft pauze. We kunnen de zaal binnen en worden rondgeleid door een verblindende schoonheid uit Siera Leone. De veiligheidsraad vindt de toestand veilig en ook in haar zaal kunnen we dus een kijkje nemen.
Toen verder de stad door, Oh, dat hectische verkeer. Alles trilt, dreunt, zoeft en stinkt. Na enig zoeken wordt tussen de wolkenkrabbers wordt St. Patrick's ontdekt. De kerk zit mudvol met Senior High scholieren. Wat is hier aan de hand? John Cardinal O'Connor himself doet de preek en dat gaat er heel interactief aan toe. En hij heeft een "surprise", zegt hij. "Wat kan dat wezen" vraag ik me af. Even later komt van achter het altaar een kleine, gebogen gestalte te voorschijn, winnares van de Nobelprijs voor de vrede, moeder Teresa van Calcutta. De kerk veert op en een ovationeel applaus en luid yeah-geroep is haar deel. Zij neemt de preek over. Met zachte stem vertelt ze van haar werk en haar beweegredenen. Haar simpele maar indringende preek zal me nog lang bijblijven.
 
Empire State Building
Dan op naar Empire State, de afsluiting van mijn bezoek. Vanaf de 105de verdieping kijk ik neer op de stad en op de wereld. Intussen is een hele klas cadetten van West Point Military Academy bovengekomen. Wat een Amerikaanse koppen! Begeleid door hun stoere close harmony singing (ze hebben er zin in) mijmer ik daar boven over alles wat ik heb meegemaakt en wacht de zonsonder gang af. In de verte zie ik het Vrijheidsbeeld vervagen en de lichtjes van het John F. Kennedy Airport langzaam oplichten. De gedachten dwalen weer naar huis. Nog even en ik zit weer een nacht in de bus op weg naar Montreal in Canada. Vandaar is het, met de oceanische vind mee, maar vijf uur vliegen naar Amsterdam. Dan is ook dit alles weer verleden tijd.
 
 



TERUGREIS VAN BREDA
 
(Kameleon 1992)

Op de terugweg van de Koninklijke Militaire Academie in Breda (waar ik was voor de jaarlijkse bijeenkomst van onderwijskundigen en studieadviseurs) naar Rotterdam besluit ik op Station Blaak uit te stappen, om vandaar naar C.S. te lopen. Na zo'n dag met voordrachten, lezingen en gesprekken met sprekers en studenten ben ik wel toe aan het halen van een frisse neus. En ik ben tenslotte ook nog Rotterdammer en wil de resultaten van de bouwdrift in deze stad blijven volgen. De spoortunnel richting Dordrecht blijkt inmiddels goeddeels onder de grond te zijn verdwenen. Dichter bij C.S. wordt alles imposanter, al vind ik het Stationsplein er nog verre van aangenaam door geworden. Hadden ze één; van die megatorens van de Nationale Nederlanden niet net een kwartslag kunnen draaien, nu zie je vanuit het station een gigantisch tochtgat.
In het station is het de gebruikelijke mengeling van veelal blanke mensen die met een doel voor ogen op weg zijn en merendeels donkere figuren die er staan of rondhangen. Ik behoor normaal tot de doorlopers maar besluit dit keer, omdat ik toch de tijd aan me zelf heb, ook maar eens wat rond te hangen. En dat heeft onverwachte gevolgen!
 
Rubin
Als je er een tijdje staat dan begrijp je dat de doellozen minder in aantal zijn dan het lijkt. Het zijn telkens dezelfde die in en uit lopen. Sommigen zeer getekend door drugsgebruik en nog al eens motorisch gestoord. Veel drukte in de omgang met elkaar. Soms lijkt er ruzie in de maak en is er hoop lawaai maar dan valt dan opeens weer mee. Af en toe verschijnt de politie in de hal met gevolg dat enkelen snel de uitgang opzoeken. Maar voor mij vrij plotseling verdwijnt een groot deel van de groep aan de zijkant uit de hal. Nieuwsgierig ga ik op zoek en ontdek de oorzaak van de plotselinge volksverhuizing: de methadonbus was aangekomen. Goed, heb ik ook dat eens meegemaakt.
Terug naar de hal. Is deze nu clean? Niet helemaal. Sommigen, die ik intussen een beetje begin te herkennen, staan er nog. Maar ook ik word herkend. Een Hindoestaanse jongen maakt zich uit een groepje los en komt langzaam op me af. "Heeft u twee gulden voor me, ik heb honger". Hij ziet er niet onsympathiek uit en zo kom ik op het idee om hem maar te vragen mee te gaan naar de stationsrestauratie. Tenslotte zijn de Bredase hapjes inmiddels verteerd en ook ik heb wel zin om iets te eten. Zo zitten we even later tegenover elkaar en ik hoor het een en ander van Rubin's levensverhaal. Geen drama's, wel problemen met het vinden van vast werk (baantje hier en baantje daar, nu een job in de frisdrankindustrie), geen drugprobleem (maar af en toe geblowd). Op de vraag wat hij dan in het station uitspookt krijg ik een indirect antwoord als hij mij vraagt wat ik daar deed en of ik soms "een jongen zocht". En hij legt me uit dat hij er zijn 'bijbaan' eerder voor de kick dan voor de commercie op na houdt. Ik moet hem teleurstellen. Mijn interesse in jongeren is een soort beroepstik, probeer ik hem duidelijk te maken. Gelukkig geen echte teleurstelling bij mijn tafelgenoot. Hij is blij dat er zo maar iemand naar zijn verhaal wil luisteren en ik krijg veel te horen.
We praten ook nog even over zijn hindoeïstische achtergrond. Ik wil er graag wat meer over weten (ik heb net de Upanishaden gelezen) maar zijn kennis over die voor mij vreemde religie blijkt toch te zeer vervaagd om mij van dienst te zijn.
Een uurtje later brengt Rubin me naar de trein en we gaan uit elkaar met een wederzijds 'het ga je goed'. En alsof ik hem al jaren ken, staan we beiden druk te zwaaien als de trein vertrekt, tot de snel groeiende afstand dit onmogelijk maakt.
 
De Navigator
Ik plof neer en heb veel om te overpeinzen en doe dat dan ook. Naarmate de reis vordert krijg ik langzaam aandacht voor mijn medereizigers. Tegenover me zit een in vlot pak gestoken jong figuur. Zou een student rechten kunnen wezen, denk ik. Maar hij leest een wel erg klein boekje voor een student. En zo klein wordt het wethoek vast niet uitgegeven. Het is niet netjes om in de trein al te nadrukkelijk te spieken wat je overbuurman zo aandachtig aan het lezen is. Maar mijn nieuwsgierigheid wint het toch. De indeling komt me bekend voor. Kleine hoofdstukken met telkens een titel. Hij leest warempel de bijbel! Dat zie je niet veel in de trein, denk ik.
Zo tussen Delft en Den Haag kijken we elkaar even in de ogen en dan moet je wel wat zeggen. Ik merk op dat hij zijn tijd kennelijk goed wil besteden en hij beaamt dat. We raken aan de praat en ik hoor dat ik toch goed geschoten had: hij studeert zowaar rechten! Hij is verder actief bij de Navigators, een groep christelijke studenten die hun geloof niet onder de korenmaat willen houden, vandaar dus. We vinden elkaar in een gesprek over de relatie van het Christendom en de niet-christelijke godsdiensten. In hoeverre sluiten deze elkaar door absolute aanspraken uit? Vooral de Islam ligt in dit opzicht moeilijk maar is ook interessant als evolutionaire zijtak aan het jodendom en het christendom.
 
Thuis
In Leiden aangekomen blijken we allebei naar Oegstgeest te moeten en tenslotte maar enkele straten van elkaar af te wonen. Onder een wolkenloze hemel wordt op de scheiding van onze wegen het gesprek nog even voorgezet, tot het echt tijd wordt het huis eens op te gaan zoeken.
Intussen heb ik een oud plan weer opgevat. Ooit in mijn studententijd heb ik eens een verhaal geschreven over de vijf grote religies. In tabelvorm Hindoeïsme, Boeddhisme, Jodendom, Christendom en Islam en die (in die volgorde) in tabelvorm eens naast elkaar gezet en dat vanuit in een evolutionair perspectief. Ik moet dat verhaal toch eens opzoeken en dat verhaal met mijn instelling en kennis van nu gaan herschrijven*.
Mijn andere helft ligt al op bed en slaapt als ik thuis kom. De wekker wijst één uur aan en langzaam komt er beweging in het bed. 'Zo, jongen moest jij het weer zo laat maken, was het wel de moeite waard?'. Ik mompel iets van 'ging wel' en 'interessante mensen gesproken' maar zie er vanaf verdere mededelingen te doen. De ademhaling naast me toont alweer een vredige slaap aan. Morgen zal ik verslag doen en van mijn nieuwe plan vertellen.
 
* is daarna gebeurd, zie: www.grotegodsdiensten.nl
 



HET VERSTOTEN EENDJE
 
(Kameleon 1993)

Mijn eerste echte onderwijsbaan had ik in Den Haag, op het Thomas Moore College. Na dik zes jaren studie en een - zeker voor toenmalige begrippen - goede kennismaking met de vakdidactiek en de algemene onderwijskunde werd het tijd om het geleerde in de praktijk te gaan brengen. Je bent jong en je wil wat, en dus ging ik er vol enthousiasme tegen aan, daarbij zeer gesteund door de directeur van die pas gestarte school die - ook vol beginnersdrang en nog niet gehinderd door kluwen van teleurstellingen - een jaar of wat daarvoor aan zijn taak was begonnen.
Biologie is een van de leukste vakken om in les te geven, vond ik. Het is een exact maar geen abstract vak. Het heeft veel aanknopingspunten met het leven van alledag, de theorie laat zich prima door de praktijk ondersteunen en omgekeerd. Aan het werk dus!
 
Noodgebouw
Nu was die school nog een lang houten noodgebouw in de weilanden, met een sloot aan de achterzijde (wat voor het verloop van dit verhaal niet onbelangrijk is). De school had nog weinig of geen voorzieningen en er was dan ook niet zoiets als een vaklokaal voor de biologie. Veel van het lesmateriaal moest nog worden aangekocht. Het verdroot mij dan ook zeer ik van al die mooie theorie zo weinig in de praktijk kon laten zien.
Maar zelfs in die primitieve omstandigheden moest toch wat mogelijk zijn, en dat vond mijn directeur gelukkig ook. En dus sloeg ik mijn eerste grote vakantie als leraar over om het ter beschikking gestelde achterste lokaal zo goed en zo kwaad als dat ging tot een soort practicumlokaal in te richten. Tegen de achterwand werden enige contactdozen aangebracht zodat met de twee schoolmicroscopen en mijn privé exemplaar erbij er zo waar drie microscopieplaatsen ter beschikking stonden. De school stond twee belendende wc's (!) af, de potten gingen er uit, een soort aanrecht erin en met een gat in de tussenwand had ik zo verbinding met mijn eigen natte ruimte.
Vindingrijkheid stond voorop. Geen koolzuurcilinder? Een flinke fles Cola met wat suiker erin volstaat. Geen zuurstof? Een waterstofperoxideoplossing van de drogist met wat mangaanoxide als katalysator doet wonderen. Hoe zou het zijn gelopen als ik de uitdaging van juist die beginnende school had gemist?
 
Minder fraai
Maar er valt uit die beginperiode ook wat minder fraais te melden hoewel het verhaal dat hierover gaat ook z'n komische kanten heeft. Wat was het geval? De school zat, zoals verteld, in een houten noodgebouw, met het biologielokaal aan het einde van de enige en daardoor zeer lange gang. Aan klas 2D had ik mijn hart verpand. Nog beter dan de drie andere parallelklassen reageerden ze enthousiast op mijn practicumlessen die altijd op de laatste uren van de dag geplaatst waren. In normale omstandigheden veelal de moeilijkste uren maar nu heel nuttig om hun enthousiasme enige uitloop in tijd te kunnen bieden! Maar niet altijd was deze leraar even enthousiast en bereid tot het maken van overuren. Soms was hij gewoon moe en wilde hij naar huis. Zo ook die noodlottige vrijdagmiddag ....
De groepen aan de raamkant waren niet zo geconcentreerd bezig geweest, begaan als ze waren met het lot van een klein eendje dat door de moeder verstoten was en welks drama zich in de aangrenzende sloot vlak vóór mijn lokaal afspeelde. Leerlingen - en zeker de meisjes op die leeftijd - zijn erg gevoelig voor dit soort zaken en het waren vooral meisjes die net de raamplaatsen in het lokaal bevolkten. Ze betrokken hun leraar in hun zorgen omtrent het lot van het arme dier dat net weer een paar fikse tikken van de in hun ogen wel zeer ontaarde moeder eend had gekregen. Tja, de natuur stelt zo z'n eigen regels en aan het niet herkennen van een jong door de moeder doe je niets, zeker niet op vrijdag om half vier, zo dacht ik bij mezelf. De proeven kwamen maar half af, gehinderd door het kleine drama buiten. De bel ging en het opruimen begon. De leerlingen verlieten de klas. Na een kwartier staan de zes meisjes van de raamzijde weer voor mijn deur. Ze omstuwden de moedigste van de groep want die heeft zo even met gevaar voor eigen leven het verstootte eendje uit de sloot gevist. Het arme beest was meer dood dan levend, zo concludeerde ik alras nadat het dier voorzichtig werd binnengedragen.
 
Verwachting
Nu verwachtten kinderen op die leeftijd ontzettend veel van hun leraar, temeer daar ik natuurlijk als beginneling zeer mijn best had gedaan om verwachtingen te wekken. Reanimatie voor eenden is toch iets wat je als leraar moet beheersen, daar waren ze van overtuigd. Ik schatte mijn kunde op dit gebied kort in en concludeerde dat die nul was. Verder liet het eendje iedere beweging na, aangevend dat hij intussen het loodje had gelegd of althans dat weldra zou gaan doen.
"Ik ben bang dat ik niets meer voor hem kan doen" zei ik oprecht. Maar de verwachtingen werden er niet minder om. "U kunt hem toch zuurstof geven?". "Ja, maar dan heeft hij nog geen eendenmoeder", probeerde ik tegen te werpen. "Maar dan kunt hem dan toch meenemen naar huis". "Op mijn motor zeker, nee, dat overleeft hij niet". "Ja, maar", zo wierpen ze opnieuw tegen "misschien dat de conciërge hem dan kan meenemen". Nee, dacht ik, dat eendje redt het nooit in z'n eentje en, trouwens, de conciërge ziet me al aankomen! De verwachtingsvolle gezichten echter bleven. Ik moest iets doen, maar wat?
Op dat moment ontstond er een sluw plan in mijn brein. Mijn vaklokaal bevond zich aan het ene einde van de lange gang, de conciërgekamer bijna aan het andere einde, op wel twee minuten lopen. En ik had tenslotte wel eens een aangereden vogel uit zijn lijden verlost door een klein rukje aan z'n nek te geven (dat bleek voldoende). Als ik nu op weg ga naar de conciërge en met het wellicht reeds dode vogeltje voorop ga lopen, dan kan ik misschien ongezien een klein rukje aan dat nekje geven en is het beestje bij aankomst bij de conciërge zeker dood, zo dacht ik. Bij de conciërge aangekomen rest dan nog een formele lijkschouwing en betuiging van deelname. Aan mijn conclusie zullen ze niet twijfelen. Met enige goed gekozen woorden moet ik ze dan toch met goed fatsoen naar huis kunnen sturen.
 
De daad
Zo verliet ik dus mijn lokaal, het vogeltje met beide handen zacht omklemd (leek het diertje al afgekoeld of was dat wishful thinking?) en bereid om op het geschikte moment de boze maar in mijn ogen noodzakelijke daad uit te voeren. Voorbij de helft van de gang had ik net voldoende voorsprong opgebouwd om ongemerkt mijn voornemen te kunnen uitvoeren. Ik gaf het rukje, maar zo bleek even later met onverwacht gevolg. Ik wist uit ervaring dat kleine vogeltjes teer zijn, maar hoe teer is een pas uit het ei gekomen eendje? Toen ik even verder mijn handen wat opende keek ik vreemd op. Wat ik in mijn handen hield waren ... een los kopje en dito rompje. Van schrik hield ik mijn tempo in waar door de leerlingen weer om mij heen kwamen te staan. Ik zie de verbazing op hun gezichten nog voor me. Ik probeerde iets te zeggen. "Hij, hij ... hij is dood", stamelde ik overbodig. "Oh, zeiden ze" en de een na de andere ging in stilte weg. Hun teleurstelling belette ze naar een passende verklaring te vragen en dat was op dat moment mijn redding. Ik heb nooit geweten wat ze er van gedacht hebben. Maar het kan niet anders dan dat sommigen toch ernstige twijfels hebben over gehouden aan de kwaliteiten van hun biologieleraar!
 
 



EEN SPEELSE GEEST
 
(Kameleon 1998)

"Cartoons", met dat thema van de almanak van 1998 moet ik toch wat kunnen, dacht ik zo. tenslotte heb ik in de lange tijd van mijn studieadviseurschap bij de biologie en ook daarna in mijn huidige functie als beroepskeuzeadviseur bij de opleiding veelvuldig gebruik heb gemaakt van dit soort illustraties. Er werd geen college gegeven en er ging zeker geen brochure de deur uit of daar zaten hier en daar wel een aantal cartoons of andersoortige illustraties in verwerkt.
Je kunt met dit soort materiaal immers prima de lay-out ondersteunen en inhoudelijk daar de accenten leggen waar je ze hebben wil. Niet dat dit door iedereen werd gewaardeerd. Ik herinner me een van humor gespeende voorzitter van de onderwijscommissie die mij meedeelde mij "dat gefreubel" wel eens te zullen afleren en met een klacht naar het bestuur stapte. Ze is er gelukkig nooit in geslaagd mij deze eigenschap af te leren. Mijn 'speelse geest' verzette zich daar hevig tegen!
Ik gooi niet gauw iets weg en dus zaten al die illustraties nog steeds keurig in mappen opgeborgen en kan ik er nu ten behoeve van deze bijdrage aan de almanak mooi uit putten. Uiteraard is dat materiaal hier en daar wel gedateerd, maar dat hindert niet. Het is immers best leuk een beetje in de tijd terug te kijken. Bovendien blijken veel situaties zich gewoon te herhalen. Goed, daar gaan we dan.
 
De cartoons van Harris.
Is wetenschap wel leuk? "Ja" zegt het aardige boekje "What is so funny about science" van S.Harris (verschenen in 1982). Gelukkig had een flink aantal cartoons uit dit boekje betrekking op biologische items. Het waren veelal best aardige plaatjes en heel geschikt om wervingsfolders en introductiecolleges mee op te fleuren.
Hiernaast een voorbeeld dat ik nog al eens heb gebruikt om de overschatting van de betere kansen van moleculair biologen op de arbeidsmarkt enigszins te relativeren.
 
Cork en zijn kijk op biologen
Later heb ik dankbaar gebruik gemaakt van de cartoons van Cork, een tekenaar die destijds werkte voor het Vakblad voor Biologen (de voorganger van het huidige Bionieuws). Uit het Vakblad heb ik veel cartoons overgenomen.
 
 
 
Ik heb nog eens geprobeerd met deze cartoonist in contact te komen om een interview voor het Kameleon voor elkaar te krijgen maar de tekenaar had hier geen oren naar. Hij werkte het liefst in stilte verder.
De cartoons van Cork waren altijd heel erg herkenbaar en zo opgezet dat ze ook in een klein tijdschriftformaat goed tot hun recht kwamen. Ze hadden uiteraard altijd betrekking op biologen en biologisch onderzoek, het aandachtsgebied van het Vakblad.

Hier een drietal voorbeelden van cartoons van Cork die ik gebruikte in de voorlichting over de verschillende - tot 2004 bestaande - richtingen in het derde jaar zoals de fundamentele biologie, de medische biologie en de milieukunde. Het zijn stuk voor stuk perfecte tekeningetjes die uitmunten door een goed gevoel voor humor en een scherpe en heldere lijnvoering. Het zijn dan ook ook cartoons die het als illustratie in een voorlichtingstekst erg goed doen.
 
Len Munnik
Bladerend door mijn mappen merk ik dat er een hele lange tijd cartoons van Len Munnik in het toenmalige Leids Universiteitsblad (nu de Mare) zijn verschenen. Het moeten er wel honderden zijn geweest, maar hij kon daarbij natuurlijk ook dankbaar gebruik maken van de vele opmerkelijke gebeurtenissen en toestanden die zich in een universiteit als de onze voordeden. Hij tekende overigens ook voor Opzij en Trouw en voor instellingen als de Dierenbescherming en Milieudefensie. En dat altijd in die heldere en open stijl en met de duidelijke zeggingskracht die voor zijn plaatjes zo karakteristiek zijn.
 
Hier een tweetal voorbeelden die destijds ook in de Mare hebben gestaan. De eerste heeft betrekking op de propedeuse en de 1e jaars van toen (en nu?). Op de tweede cartoon zien we een zwoegende AIO in zijn of haar vierjarige tredmolen terwijl de promotor rustig zijn literatuur (of is het zijn krant?) doorneemt. In het kader van mijn werk als beroeps-keuzevoorlichter kwam deze cartoon over het heikele en onvrije van het AIO-schap natuurlijk goed van pas.
 
 
Fokke en Sukke
Een creatie van een heel succesvol en eigentijds tekenaarstrio, gevormd door John Reid, Bastiaan Geleijnse en Jean-Marc van Tol. Aanvankelijk werkten ze met wisselend succes voor het Amsterdamse studentenblad Popria Cures. Zo vanaf 1994 verschenen hun cartoons ook in diverse andere universiteits- en hogeschool-bladen. Het drietal werkte later ook voor de VPRO-Gids en diverse andere periodieken.
Er stond wekelijks van hen een cartoon in de Mare en zelfs dagelijks in NRC. Jaarlijks komt er ook een boekje uit waarin cartoons rond een bepaald thema zijn opgenomen.
 
De cartoons van Fokke en Sukke zijn naar mijn smaak nog al eens wat puberaal maar dat neemt niet weg dat in hun werk veel echt humoristische en raak getroffen tekeningen zitten. Voor met name de latere arbeidsmarktbrochures "Werk in zicht" heb ik een dankbaar gebruik gemaakt van een aantal van hun cartoons. Hierbij een tweetal mooie Fokke & Sukke's als voorbeeld.
 
Er is een site in de lucht (www.foksuk.nl) waarop een deel van hun inmiddels omvangrijke werk te zien is.
 


DE NOBELPRIJSWINNAAR
(Kameleon 2003)

Het was dit jaar precies 50 jaar geleden dat Watson en Crick hun befaamde publicatie over de structuur van het DNA-molecuul het licht deden zien. Een van de grootste wetenschappelijke doorbraken van de vorige eeuw was daarmee een feit en de basis voor de latere biotechnologische revolutie gelegd.
Misschien vraag je je als bioloog van nu af hoe de studenten die toen in de collegebanken zaten dit destijds ervaren hebben. Hadden zij weet van deze doorbraak? Konden zij er al het grote belang van inzien en hoe bereikte hen dit grote wetenschappelijke nieuws? Aangezien ik in die jaren student was, de caputcolleges biochemie volgde, daar een stage deed en ook nog eens oog in oog heb gezeten met Watson moet ik er wat van kunnen vertellen. En dat doe ik hierbij graag.
Er zijn van die gebeurtenissen die in ieders geheugen gegrift zitten. De eerste mens op de maan, was zo'n gebeurtenis, Je ouders kunnen er vast nog over verhalen. Maar dat was dan ook een aangekondigde gebeurtenis, met veel (NASA) publiciteit er om heen. De ontdekking van de DNA-helix is daar niet mee te vergelijken. Niemand kon nog vermoeden waartoe deze doorbraak aanleiding zou gaan geven. Het grote belang druppelde maar langzaam tot in de collegezaal door. Hoe? Dat zullen we straks zien.
 
DNA
Eerst even naar de ontdekking zelf. Bioloog Watson was in 1951 als jonge postdoc naar Cambridge gegaan omdat daar veel expertise aanwezig was op het gebied van röntgenverstrooiing. Hij sloot er vriendschap met de oudere Francis Crick, een chemicus die veel van deze techniek af wist. Samen deden ze vooral het theoretische werk terwijl ze het praktische werk overlieten aan Rosalind Franklin. Omdat Nobelprijzen niet postuum verleend worden en Franklin voortijdig gestorven was kregen alleen Watson en Crick in 1962 de prijs (en daarmee de eer).
Maar zo ver was het nog niet toen ik in 1957 in de collegebanken zat. De toenmalige hoogleraar Biochemie, Prof. Hayo Veldstra, werkte bij de ACF (Amsterdamse Kininefabriek) en was maar parttime bij de universiteit aangesteld. Maar op de dinsdag en de donderdag dat hij er was ging er wel een siddering door de kelder van het oude gebouw van het Academisch ziekenhuis waar de nieuwe vakgroep biochemie tijdelijk onderdak had gevonden. Veldstra was een aardige man maar wel een die gewoon was zijn medewerkers en stagestudenten (waar ik er één van was) iedere week zeer kritisch op hun resultaten en vorderingen te controleren. Dat was heel stimulerend maar soms ook hondslastig als je eens een keer weinig of niets te melden had.
 
Ik herinner me dat zijn colleges me erg het gevoel gaven aan het front van de wetenschap te staan. Van de collegedictaten van toen hebben er een paar het afstuderen en de vele verhuizingen overleefd omdat ik er aan gehecht was. Eén ervan is het collegedictaat "Structuur en biochemische functie". In deze tijd van powerpoint en laserprinter is het aandoenlijk te zien hoe we toen alles netjes en nauwgezet opschreven en de plaatjes die de hoogleraar ons verstrekte uitknipten om ze vervolgens op de open gehouden plaatsen in ons dictaat te plakken. Mijn dictaat vermeldt bij het beroemde plaatje uit Nature dat de beide modelbouwers 'kwamen tot een bispiralen structuur van het DNZ'. Ik heb de betreffende blz. hier overgenomen. Watson en Crick publiceerden hun beroemde artikel in 1953. Mijn dictaat is van begin 1958. Er verliepen dus toch nog vier tot vijf jaar voor deze ontdekking ons, studenten van toen, in de collegezaal bereikte.
 
World Congress
Maar nu die persoonlijke herinnering aan Watson en Crick. Mijn oude fotoalbum van 1958 toont een serie foto's uit Wenen met een aantal krantenknipsels. Een ervan luidt: "Het vierde internationale congres van de biochemie is maandag in Wenen officieel geopend. Ongeveer 3400 gedelegeerden uit zowel het Oosten als het Westen, onder wie negen (!) Nobelprijswinnaars, woonden de openingszitting bij van dit grootste congres dat tot dan toe ooit in Wenen was gehouden. Nederland was vertegenwoordigd met 125 deskundigen". En één van die "deskundigen" was ik! Watson en Crick waren er ook bij, maar nog niet als Nobelprijswinnaars. Toch wees iedereen ze na, ze waren al beroemd maar -althans één van hen - ook berucht. Ik herinner me dat Watson tijdens een interruptie bij een lezing zo hard en denigrerend van leer trok tegen de spreker dat ik er erg van schrok*.
 
Pax Romana
Er kwam in die dagen heel wat bij kijken om als student zo'n congres bij te kunnen bijwonen. Ik had geen studiebeurs en de tijden waren zwaar. Je moest bepaald vindingrijk zijn om de middelen bij elkaar te sjacheren. Hoe dat toch lukte? Lees verder.
Het toeval wilde dat er in dezelfde week in Wenen naast het biochemisch treffen ook een congres was van Pax Romana, een internationale r.k. studentenorganisatie. De reis was met de bus, de overnachtingen onderweg in jeugdherbergen en in Wenen werden de deelnemers ondergebracht in simpele studentenhuizen. Al met al stukken goedkoper dan de prijs die de Biochemieorganisatie voor haar deelnemers berekende. Zouden we niet voor reis en verblijf van Pax Romana gebruik kunnen maken en dan op de dag gewoon deelnemen aan het Biochemiecongres? Met die vraag wendden een jaargenoot en ik ons tot Pax Romana en het geluk was met ons. Er waren net twee plaatsen vrij gekomen en wij konden mee.
 
Ladies program
Het is een dolle week geworden omdat wij, anders dan de bedoeling was, van beide congressen de krenten uit de pap haalden. Het Pax Romana congres had een hoog cultureel gehalte en daar wilden we natuurlijk graag ook enige graantjes van mee pikken. En het biochemiecongres had een uiterst aantrekkelijk "Ladies program" wat we ook niet links konden laten liggen. Tenslotte was die jaargenote van mij een vrouw en dat verschafte ons een welkom alibi. Zo kwam het dat we een bezoek aan de beroemde Lippizanerpaarden afwisselden met het gemütliche Grinzing voor een wijnproeverij. En we ons de ene dag geestelijk laafden aan de Krönungsmesse in de Stephansdom, compleet met kardinaal en Wiener Sängerknaben, om ons een andere dag op de Zauberflöte van Mozart te laten tracteren. De burgemeester van Wenen ontving beide congressen met een rijkelijk van hapjes voorziene receptie. Dat kwam mooi uit want dat spaarde weer twee maaltijden voor ons arme studenten. En tussendoor werden, als ons drukke programma het toeliet, toch nog ook serieus enkele lezingen bijgewoond (!)
Aangezien de lunches bij Biochemiecongres in de kosten waren inbegrepen en ons de kwaliteit aanmerkelijk hoger toescheen dan bij het arme Pax Romana sloten we voor het middaguur steevast aan bij de wetenschappers.
En toen gebeurde het . . .
 
Bingo!
We hadden nog maar net aan een tafel plaatsgenomen toen precies tegenover ons een druk pratend heerschap met twee collega's plaats nam. Ik kreeg een schop onder tafel van mijn medestudent die me toefluisterde: "Dat is hem! Psst. Niet te gauw opkijken, het is hem ... W a t s o n !"
Tja, in die dagen keek je als student behoorlijk op tegen een hoogleraar en zeker als het een grootheid van wereldfaam betrof. Er ging een siddering door me heen. Daar zat hij dus in levende lijve, op nog geen meter afstand van mij en mijn eveneens zeer geïmponeerde medestudente. Niet dat de man ook maar enige notitie nam van die twee studenten daar tegenover hem. Maar dat verwachtte je ook niet in die dagen.
Ik had geluk gehad en had een mooi verhaal om mee thuis te komen. Nooit gedacht dat ik het vijftig jaar later nog eens zou opschrijven.
 
Naschrift
Op Wikipedia staat thans over Watson ook het volgende te lezen: "James Watson is door zijn confronterend gedrag en zijn ongenuanceerde uitspraken omstreden en weinig geliefd in de wetenschappelijke gemeenschap. Een vooraanstaand collega omschreef hem als "uiterst onaangenaam" in de omgang".
Een geslaagd wetenschapper is kennelijk nog geen geslaagd mens!

 
 


DE BUURMAN LINKS EN RECHTS
 
(Almanak, Lustrumboek 2004)

De redacties van de Almanak zijn altijd goed creatief in het bedenken van thema's. Wat hebben we zo al in de voorafgaande jaren gehad? Ik herinner me b.v. thema's als 'Groen', 'Zeep' en 'Alles'. Goed, dit jaar dus iets als 'Fabeltjes'.
Direct na het mailtje met het verzoek om een bijdrage, vroeg ik mij af wat ik in mijn geval daar nu mee aan moest. Maar tegelijkertijd schoot me al te binnen waar ik het over zou kunnen hebben. Op de fiets weg naar huis vormden zich ook de zinnen die ik zou willen schrijven. Thuis was het nog maar een kwestie van opschrijven. Had ik niet juist de avond daarvoor, in mijn stamcafé de Duke aan de Beestenmarkt een tweetal merkwaardige ontmoetingen gehad? En zat daar niet een verhaal in?
 
Rechts
Het was dinsdagvond en, ondanks dat de avond al wat gevorderd was, was het nog stil aan de bar. Naast me zat een knaap van een jaar of dertig. Een vrolijk gezicht neigde naar me toe toen ik van mijn eerste biertje proefde. 'Proost' was zijn reactie en daarmee lag de weg open voor een conversatie.
'Hoe was jouw dag', was mijn nogal directe vraag. Het antwoord daarop liet even op zich wachten.
'Gaat wel, niet veel beleefd vandaag'.
pijl-r Ik schatte hem even verkeerd in en dacht aan een overjarig student met een scriptie probleem of zo. Maar hij was geen student meer. 'Ja, ik heb wel ooit mijn propedeuse rechten gehaald. Daarna ben ik gaan werken op een kantoor van een belastingadviseur'. En hij vervolgde 'daar ging ik gewoon dood, het werk viel vies tegen'.
'En wat doe jij?' was zijn wedervraag. Ik legde uit dat ik bioloog was en nog part time werkte als beroepskeuzeadviseur. Ik vertelde ook wat van mijn activiteiten als bouwer van websites.
'Ben jij getrouwd?' was zijn volgende vraag. Ik kon gelukkig positief antwoorden en er nog vier kinderen aan toe voegen (de inmiddels aanwezige schare kleinkinderen voor deze gelegenheid maar verzwijgend). Gelukkig vroeg hij niet naar mijn leeftijd want dat wil nog wel eens voor een kleine verrassing zorgen.
'Waar hou jij je zo overdag mee bezig?' vroeg ik hem, om de te nadrukkelijke vraag 'Heb jij werk' te kunnen omzeilen. 'Oh, ik zit in de WAO, al een jaar of twee'.
Nadat nog een biertje over en weer was toegeschoven kwam het hele verhaal van zijn kant los. Een verhaal van veel vallen en opstaan. Inmiddels twee psychoses achter de rug, ga daar maar aan staan! Veel medicatie, met alle bijwerkingen en schadelijke gevolgen van dien. Je concentratievermogen, nodig voor een studie, wordt behoorlijk aangetast. Welke werkgever zit er dan nog op je te wachten? Welk partner wil er met je in zee gaan? Deze jongen is me sympathiek. Hij is een eind gekomen maar moet nu in het leven voorlopig met weinig verder.
Het jazzkwartet had de muziek intussen een tandje hoger gezet en benam ons daarmee even de mogelijkheid rustig verder te praten. Ik mijmerde even over deze blonde knaap naast me. Hoe en wanneer zal hij de draad weer kunnen oppakken?
 
Links
Intussen was de tent aardig vol gelopen en had zich aan de andere kant, links van mij, ook iemand genesteld. Een zwarte bureautas en een labtop scheidden onze barkrukken. Mijn nieuwe buurman probeerde via zijn mobiel nog wat te regelen maar dat viel door de muziek niet mee. 'Lukt niet', verklaarde hij wat overbodig naar mijn zijde. 'Morgen verder, ik heb mijn portie voor vandaag wel gehad. Eerst even een biertje. Wil jij er ook een?'
Met een licht gevoel van wroeging stemde ik in, wetend dat ik hiermee mijn eerste gesprekspartner voorlopig de rug ging toe keren. 'Vaste bezoeker hier?', was mijn openingszet.
'Nee, zo af en toe, ik woon in Hoofddorp'.
'En jij', was de wedervraag.
'Nou, zo een keer in de week ga ik nog wel stappen', meestal op de avond dat mijn andere helft ook bezigheden buitenshuis heeft'. 'Wat doe jij voor werk? wilde hij weten. Ook aan hem legde ik kort uit wat mijn werk was en wat ik nog deed. Inmiddels had ik hem een beetje ingeschat: type vlotte zakenyup, slank, goed gebruind en even boven de dertig, net als mijn rechterbuurman. Mijn nieuwe buurman bleek trainingen te geven aan het bedrijfsleven. Hij had zijn opleiding gehad in de UK en werkte nu freelance bij een trainings- en adviesbureau. Voor mij niet alledaagse woorden als acquisitie, coaching, relatiebeheer, zelfmanagement kwamen voorbij. Intussen meldt zijn mobiel zich een paar keer. De vrouw die wordt begroet heeft telkens een andere naam. Voor mijn buurman ter linker zijde ontrolt het leven zich kennelijk als een fabeltje, de knaap rechts heeft even weinig te missen. Tja, denk ik dan, de wereld kent 'have's' en 'have not's'. Als je tot de eerste categorie hoort, bof je maar!
Als ik mij even later weer tot mijn rechterbuurman wil wenden blijkt deze te zijn vertrokken. Met de linker wissel ik nog naamkaartjes uit en na nog een biertje is het tijd te vertrekken.
 
Rechts en links
De almanak komt later uit dan de bedoeling was. Ik hoef mijn tekst nog niet in te leveren. In die tussentijd kom ik de pechvogel bij toeval nog een keer tegen, op Koninginnedag in Oegstgeest. Hij kan gelukkig melden dat het een stuk beter gaat. 'Ik mag weer op me zelf gaan wonen. Ik had het daar in die kliniek ook wel gezien. Nou nog weer aan het werk, alhoewel, dat zal niet meevallen. Je neemt je verleden toch met je mee. Ze zitten bepaald niet op je te wachten'. En hij kan weer breeduit lachen.
De ander stuurt een paar weken later een lange e-mail en we maken een afspraak. Het blijkt niet goed met hem te gaan. Helemaal niet meer de vrolijke gast van de eerste ontmoeting. 'Man, ik ben compleet afgedraaid, 't zal wel een burn out zijn. Op mijn leeftijd wel wat vroeg, hè. Ik heb dan ook wat ongezond geleefd, zal ik maar zeggen'.
Ik krijg inderdaad een verhaal te horen waar de honden geen brood van lusten. Ik heb met niet minder dan een foute kerel zitten praten die er een waar crimineel verleden op heeft zitten, compleet met schietpartijen en al. Zijn leven leek me even lusthof zonder troubles of ongemak. De werkelijkheid was dus anders. Zo gaat dat met fabeltjes . . .
 


ALS TOEN NIET . . . DAN . . .
 
(Kameleon 2006)

'Mysteries' was het thema van de Almanak van 2006. Of ik weer maar een bijdrage wilde leveren. Maar wat is voor mij een mysterie? Waarover zou ik kunnen schrijven? Ik had geen idee. Na een paar dagen viel me toch iets in. Als dit of dat wat eens gebeurde nu eens net niet gebeurd zou zijn, hoe zou ieders persoonlijke geschiedenis er dan hebben uitgezien? Een vraag waaraan ik soms wel eens nieuwsgierig aan kan denken. Maar het antwoord blijft een mysterie.
Het leven hangt immers van veel merkwaardigheden en toeval aan elkaar. Hoe kom je bij voorbeeld aan je relatie? Je kunt natuurlijk een partner op het spoor komen via een met wiskundige precisie voorbereide date op het internet. De computer selecteert uit het aanbod diegenen die het best matchen en zoomt verder in. Nummer één op de uiteindelijke lijst is de favoriet. Maar het klikt toch niet zo als gedacht. Dan maar nummer twee op de lijst geprobeerd? Of gewoon ad random op de lijst geprikt en zo het toeval wat meer ruimte gegeven?
Het is natuurlijk romantischer als je de persoon van je dromen onverwacht voorbij ziet komen, op het perron aan de overkant van het station bij voorbeeld terwijl de trein zich net tussen jou en de ander in schuift. Jij er achter aan! Net te laat en niet meer te vinden. Of nog net op tijd. Een blik, een onhandige groet. "Hallo, ga je ook die kant uit?'
Na jaren vraag je je dan af, gek, hoe zou mijn leven verlopen zijn als het toeval een ander op mijn pad had gezet? Je kunt er lang en breed over filosoferen, maar het blijft duister. Je hebt elkaar behoorlijk beïnvloed, in de keuze van je vrienden, in je manier van denken en in je voelen. Andere boeken gingen over tafel. Je bezocht andere landen en streken omdat je partner daar graag heen wilde. Kortom, je bent, zeker voor een deel, een ander mens geworden. Wie was je geworden als het toen net even anders was gelopen?
 
Spleetoogjes
Hoe zou mijn leven er uit gezien hebben wanneer ik niet was opgevallen aan mijn Limburgse overbuurvrouw die, vanuit het raam van haar kamer één verdieping hoger, een perfect uitzicht had op mijn doen en laten als student in de biologie? Zij was diep onder indruk van het harde leven van 'haar' student aan de overkant in de Herensteeg. Altijd tot diep in de nacht werd er gewerkt en stipt op tijd naar bed gegaan (pas later ontdekte zij dat de tijdsklok op mijn terrarium daarvoor de eerst verantwoordelijke was).
En gesteld dat ik met die Japanse promovenda getrouwd was die ik toevallig ontmoette op een klein kasteeltje in de Italiaanse Alpen, tijdens een pauze van een derdejaarsexcursie. Ze heette Masa Muri. Haar naam schreef je met drie karakters voor het woordje 'boom' en driemaal een boom is een bos. Masa Bos derhalve. Ze werkte bij UNESCO in Parijs en was een paar jaar ouder dan ik. Was het met haar wat geworden dan had ik nu vast ook Japans gesproken met een mooi Frans accent! Hadden mijn kids ten minste voor de helft spleetoogjes gehad en had ik ontelbaar vele malen sushi's en ander week vis- en krabvoedsel moeten nuttigen? Nu spreek ik met een iets zachtere "g" dan de gemiddelde Hollander, zien mijn kinderen er gezond Hollands uit, maar met een Limburgs blosje op de kaken, en eet ik ieder voorjaar uitbundig asperges.
 
Geschorst?
Er zijn ook gebeurtenissen die bepalend zijn omdat ze juist niet gebeurden. Het ongeluk dat nog net goed afliep ("afkloppen" zeggen we dan). Die achteraf zo beslissende afspraak die je niet miste omdat de trein dit keer op tijd was. Of die penibele situatie die net niet uit de hand liep waardoor je een afgang bespaard bleef.
Een voorval uit mijn eigen carrière. We gaan weer vele jaren terug, in de tijd dat er meer dan 100 eerstejaars bij de biologie instroomden en de ouderejaars rustig zes of zeven jaar bleven studeren. Bij elkaar bijna duizend biologiestudenten te behappen. Veel werk aan de winkel dus voor de studieadviseur. Het spreekuur loopt uit en de telefoon staat intussen niet stil. Het is een drukke en honds vermoeiende dag geweest. De locatie is mijn vroegere kamer in gebouw Sterrenwachtlaan 8, 1e verdieping.
Tegen zessen klopt er nog een student op de deur en vraagt "of het nog even kan". Het is er helaas een van het type dat de oorzaak van alles wat fout gaat bij voorkeur bij een ander legt en van die kant, als het even kan, ook de oplossing verwacht. Op hoge toon eist hij dan ook dat zijn probleem even in voor hem gunstige zin wordt geregeld. Het gesprek escaleert, de gemoederen raken verhit, heel verhit zelfs. . . .
Op een gegeven moment slaan bij de vermoeide studieadviseur de stoppen door, hij staat op en loopt briesend op de student toe. Deze schat de dreigende situatie juist in en schiet richting deuropening. Maar de adviseur is helaas inmiddels door het dolle heen en brult "Hier jij, blijven!". Maar de student vliegt de gang in en neemt een duik de trap af. De adviseur er achter aan. De student houdt voorsprong. Bij de voordeur beneden botst de adviseur hardhandig tegen een net naar binnen komende en niets vermoedende Assistent-in-Opleiding aan. De student maakt handig gebruik van de ontstane verwarring en weet te ontsnappen.
Wat zou er zijn gebeurd als deze AIO mijn weg niet had geblokkeerd? Was de student dan hardhandig door mij aan zijn kraag naar binnen getrokken? Was het tot handtastelijkheden gekomen? Had ik hem een blauw oog geslagen? (of hij mij?). Zou ik wegens manuele intimidatie in de beroepsuitoefening voor vele maanden zijn geschorst? Of misschien zelfs per direct ontslagen?
Gelukkig is dit alles niet gebeurd en zit ik nu in de verlengingstijd van mijn eerdere adviseurschap vredig dit artikeltje voor de Almanak te schrijven, puttend uit oude herinneringen.
 
 


BIODIVERSITEIT IN DE STUDENTENKAMER
 
(Almanak 2010, themanummer 'Biodiversiteit/Puur natuur')

Nee, dit stukje gaat niet over de uiteenlopende figuren die als vriend of vriendin je studentenkamer frequenteren. Die behoren tenslotte allemaal tot dezelfde soort: Homo sapiens, al zal er wel eens een tussen kunnen zitten die even aan een Neanderthaler doet denken. Nee, het gaat hier over de eventuele huis- of beter kamerdieren die je zou kunnen houden. Je bent bioloog en dat moet toch ergens aan te zien zijn. Een paar soorten vallen al meteen af zoals kat en hond want die mogen toch niet op studentenkamers gehouden worden en zijn trouwens ook te groot voor het gemiddelde studentenhok.
 
Op zes pootjes
Dan maar iets kleins, iets wat je in een kleine kooi zou kunnen houden. Je zou kunnen denken aan vertegenwoordigers van de Blattodea maar deze kakkerlakken scharrelen wellicht toch al tot ieders ongenoegen in de keuken rond. Je hebt er overigens heel fraaie tropische soorten onder die echt als huisdier in een terrarium kunnen worden gehouden. Ze laven zich met etensresten en een beetje studentenhuis zit daar vol mee. Ze kunnen ook heel goed als biologisch wapen tegen een belendende fusie ingezet worden. Een veel vriendelijker huisinsect is de wandelende tak. Houdt zich in het terrarium lekker koest en valt door zijn perfecte mimicry niet op. Laat niet-biologen maar eens zoeken naar de beestjes, succes verzekerd. Ze zijn wel vreselijk saai. Zelfs seks laten ze uit hun hoofd. Het bijzondere aan deze soort is namelijk dat er geen mannetjes aan de voortplanting te pas komen. Mannetjes komen in gevangenschap zelfs nooit voor! Voor wie geen gevoos in zijn of haar kamer wil een uitkomst. Twee pootjes erbij en je hebt het over spinnen zoals de vogelspin. Ook saai maar wel bijzonder. Zeer geschikt om ongewenste bezoekers uit je kamer te jagen.
 
Geknaag in de nacht
Zullen we maar naar de kleine knaagdieren overstappen? Menigeen denkt dan direct aan de Syrische goudhamster en dat is terecht. Het is in biologisch opzicht best een interessant dier en dat niet alleen omdat het een veel ingezet laboratoriumdier is. Nee, het is zijn ontdekkingsgeschiedenis die hem zo interessant maakt. De soort is in 1839 ontdekt en werd nadien niet meer waargenomen. Pas bijna een eeuw later werd er in Syrië een vrouwtje met twaalf jongen ontdekt en overgebracht naar Israël. In 1931 werden nakomelingen van deze dieren naar Engeland en later naar de VS gebracht. Alle goudhamsters in allle laboratoria en huiskamers stammen af van deze paar dieren. Inteelt ten top dus, maar het deert de diertjes kennelijk niet. Na de tweede wereldoorlog kwamen de knagertjes naar Europa en het toenmalige Zoölogische laboratorium aan de Kaisersteraat in Leiden was een van de eersten die ze ging bestuderen. Dat was zo omstreeks 1956. Uit een van de eerste nesten heb ik er een mee naar mijn studentenkamer mogen nemen.
Ik woonde bij een hospita die dit nieuwe nog nooit eerder geziene knaagdiertje wel kon waarderen. Bij iedere verjaardag kwam ze wel even naar boven naar mijn kamer om hem (het kan ook een 'haar' geweest zijn) met het verzoek de knager even mee te mogen nemen om deze aan haar bezoekers te laten zien. Succes verzekerd: 'oh, wat een dotje!' Dat dit dotje na een geslaagde ontsnapping een toevlucht zocht in haar bed en zich daarna dwars door lakens en dekens een gang naar buiten knaagde kon ze minder waarderen. Voor wie modegevoelig is, de gedomsticeerde goudhamster is tegenwoordig in allerlei kleurvarianten te koop zoals zwart, oranje, wit, crème, off-white (gebroken wit) en bruin. Een voordeel van dit huisdier voor studenten is dat het geen dagdier is en je dus bij nachtelijke thuiskomst begroet kan worden door een vriendelijk gepiep.
 
Mijn ideale huisdier
Dan stap ik over naar een ander knaagdier, een dat we zelf heel veel jaren met plezier hebben gehouden en dat is de chipmunk. Niet altijd hetzelfde paar natuurlijk, want ze worden maar zo'n 6 tot 7 jaar oud. Het zijn heel grappige diertjes, deze grondeekhoorns. Het zijn geen nachtdieren wat - zoals we hierboven hebben gezien - zo zijn voor- en nadelen heeft. Lang geleden kwam ik ze voor het eerst tegen in een dierenwinkel aan het Gangetje in Leiden en ik was op slag verkocht. Gelukkig bleek dit ook voor mijn partner te gelden en zo hebben we naast vier kinderen ook vier generaties eekhoorns grootgebracht. Dat ging altijd best gemakkelijk - die dieren dan - omdat ze in onze handen altijd volledig tam werden, op de schouder mee door het huis liften en op commando van de rammelende koekjestrommel weer keurig in hun kooi teruggingen. Eentje is er eens in de wasmachine terecht gekomen (een bovenlader zoals je die toen nog had) maar die bleek onverwacht wasbestendig.
Eén paartje was bijzonder succesvol en leverde, verspreid over drie jaren, in totaal 14 jongen op waarvan de meeste bij biologiestudenten terecht zijn gekomen. Dat bleek niet altijd een succes. Ze raakten bekneld tussen de dorpel en deur, werden onder een vloerkleed geplet of ontsnapten met onbekende bestemming. Een nadeel moet wel genoemd worden: al zijn ze klein, ze moeten wel de ruimte hebben. Een flinke verticale kooi, gekoppeld aan een lange horizontale hebben ze echt wel nodig.
Helaas mag je sinds een paar jaar deze dieren niet meer houden (voor al bestaande huisdieren geldt een uitstervingsbeleid).
 
Andere knagers
Aangezien ik niet zonder knaagdieren kan, is er uitgekeken naar een nieuw huisdier dat ik gevonden meen te hebben in de degoe. Het zijn kleine knagertjes die halverwege de 18e eeuw ontdekt werden in de Andes in Chili. Ze zitten wat uiterlijk betreft zo'n beetje tussen een cavia en een kleine rat in. Ze hebben ook wel wat van gerbils. De kale staart, die ze gebruiken ze om in evenwicht te blijven, eindigt in een fraai pluimpje. Het zijn dagdieren en erg sociaal en leergierig van aard. Je moet ze dan ooit met meerdere bij elkaar houden. Het zijn geen aaibare dieren zoals de cavia, daarvoor zijn ze te beweeglijk.
De cavia en de gerbil (of woestijnrat) heb ik al terloops genoemd. Het zijn leuke dieren om te houden alhoewel de eerste wellicht teveel herinneringen zal oproepen aan de kindertijd en de tweede nogal knagerig is en je 's nachts uit de slaap kan houden. Konijnen zijn wel heel zacht en lief maar toch net een maat te groot voor de studentenkamer. Verder kunnen ze behoorlijk humeurig zijn, Niet aan beginnen dus. Ook de fret (of beter zijn kooi), is te groot. De gewone rat is wél geschikt als dier op een kamer. Ze zijn uitermate intelligent en goed tam te krijgen. Neem een vrouwtje want de mannetjes stinken met hun urine af en toe de kooi uit. Het was een tijdje geleden een geliefd huisdier onder de biologen en zo af en toe kreeg ik dan ook een student met rat en al op mijn spreekuur op bezoek.
 
Siergarnalen
Ik denk dat ik zo een aardig idee heb gegeven van de dieren die je op de studentenkamer kunt houden. Wat heb ik nog niet genoemd? De terrariumdieren natuurlijk. Dan denk ik aan slangen, kleine leguanen (die ik zelf ook als huisdier heb) en schildpadjes. Die laatste zijn taai en worden oud waardoor je ze op den duur niet goed meer houden kunt. Een kameleon is natuurlijk het einde voor een Leidse bioloog maar die worden toch al gauw te groot. En de aquariumdieren dan? Zelf heb ik nooit zoveel opgehad met vissen maar onlangs dook er een althans voor mij nieuwe groep aquariumbewoners op die mij erg fascineerde en dat zijn de zoetwatergarnalen. Ik wist niet dat er zoveel fraaie soorten te koop zijn en dat het houden ervan zo gemakkelijk is. Er is speciaal voedsel voor ze te koop maar bij vakantie van hun baasje kunnen ze met een enkele doperwt ook dagen toe, zo heb ik uit betrouwbare bron vernomen. Ik heb nog geen biologiestudent gesproken die deze dieren houdt. Haast je dus, dan heb je zeker iets origineels op je kamer!
 
Tropische kevers
Na het schrijven van dit stukje dook er nog een andere mogelijkheid op: sierkevers uit Afrika. Die garnalen zijn wel leuk maar ook erg klein. In de kleine studentenkamer is dat juist een uitkomst maar in mijn woonkamer komen ze niet tot hun recht. Je moet er altijd met je neus op gaan zitten wil je er wat van zien. Op zoek naar een andere mogelijkheid stuitte ik op het internet op iets voor mij nieuw was en dat waren tropische kevers. Ook niet groot, zo'n 2 tot 3 cm, maar op een afstand toch weer wat sprekender, zo dacht ik. En dus werden via het internet bij een dierverzorger uit Artis een setje engerlingen, poppen en volwassen kevers besteld die luisterden naar de naam 'Pachnoda', ook wel 'rozenkevers' genoemd. Aanvankelijk één soort maar toen het goed ging (en tegen het advies van de Artismedewerker in) een tweede soort erbij. Pachnoda's zijn dagdieren, dus trekken ze zich 's avonds wat terug in de De verzorging is simpel. Een klein terrarium met twee lichtbronnen (een TL-buisje en een kleine gloeilamp als warm "zonnetje"), een afgescheiden bakje met bosgrond (voor de engerlingen die er ook hun eitjes in kunnen afzetten) en een bakje gevuld met licht rottend fruit voor de kevers, that's all (dat laatste is in veel studentenhuizen wel te vinden, denk ik zo). Een combinatie van wat kunstplantjes op de achtergrond en een paar echte plantjes op de voorgrond erbij (voor de vochtigheid) en je hebt een klein stukje natuur in je kamer. Een biologiestudent moet toch ergens aan herkenbaar zijn,
 
 


HET TEKEN AAN DE WAND
 
(Almanak 2016, themanummer 'Kleur bekennen')

De Colombiaanse regering sloot een vredesakkoord met de FARC, een van oorsprong communistische guerrillabeweging, en kreeg daarvoor de Nobelprijs voor de vrede 2016. President Obama was kort daarvoor op Cuba en sprak daar met de legendarische 90-jarige leider Fidel Castro. China hanteert inmiddels een kapitalistische vorm van het commmunisme. Maar Noord Korea, de laatste streng marxistische staat ter wereld, gaat nog steeds zijn gang en tart zijn buurlanden met raketten en atoomwapens. Maar over het geheel genomen is de dreiging vanuit de communistische wereld nu grotendeels geweken.
 
Dat is wel eens anders geweest. De een na de andere Midden-Europese staat was immers na de tweede wereldoorlog onder invloed van Moskou gekomen. De Baltische staten waren ingelijfd, Polen en Oost-Duitsland feitelijk bezet, Tsjechoslowakije en Hongarije waren met slinkse maneuvers binnen het Sovjetsysteem . Ik kan me het diepe gevoel van onveiligheid nog goed herinneren dat dit alles met zich meebracht. Russische troepen stonden tenslotte maar op 200 km van de Nederlandse grens! Je moet die sfeer van een alles doordringende dreiging in die dagen kunnen meevoelen wil je het onderstaande verhaal kunnen vatten.
Ik was net overgestapt van de wetenschap naar een baan die later de naam 'studieadviseur' zou krijgen, vol goede moed om mijn studenten bij te staan bij de studie en te helpen bij de overstap naar de maatschappij. Waar kwamen ze straks terecht? In een vrij en democratisch Europa, gebaseerd op goede Joods-Christelijke tradities of in een totalitair Europa met het atheïstisch Communisme als een overheersend systeem?
 
Op een dag keek ik vanuit mijn werkkamer thuis het raam uit naar onze achterburen waar ik soms, als de balkon deur openstond, een nijvere jonge dochter over haar studieboeken gebogen zag. Ik kon ook een glimp van haar kamer zien. Aan de muur hing een mooie poster met, naar ik me herinner, een lieflijke balletscene van Monet. Maar op een dag zag ik tot mijn schrik dat die poster vervangen was door de markante kop van Karl Marx! Het rode gevaar sloop via de achtertuin zo maar mijn kant op! Was het daar maar bij gebleven maar op mijn bezoekjes aan studentenkamers ontwaarde ik op steeds meer wanden deze omstreden figuur. Na enig aarzelen vond ik dat ik vanuit mijn positie toch een statement moest maken. Ik zou op mijn werkkamer bij de biologie iets moeten ophangen waaruit duidelijk moest blijken aan welke kant dat ik stond. Kleur bekennen dus, maar ook weer niet al te duidelijk want een (rijks)universiteit is tenslotte wel neutraal terrein.
Goed, een signaal aan de wand maar wat dan? De oplossing bleek een mooie linoleumdruk van B.Zwaan die ik ergens tegenkwam. Als je goed kijkt ontwaar je een T-balk met daarop Iemand die hangt, het hoofd voorover gebogen. Vanaf 1994 tot aan het vertrek van de Zoölogen van de Kaiserstraat naar het Sylvius Laboratorium in 2009 heeft dit voor mij betekenisvolle teken altijd aan de wand van mijn werkkamer gehangen!
 

Verantwoording
In 1998 heeft de auteur zijn verhalen over opmerkelijke ontmoetingen met studenten en ander jong volk zoals die in het Kameleon, de periodiek van de Leidse biologiestudenten, waren verschenen gebundeld en in een boekje uitgebracht. Maar er waren meer bijdragen aan het Kameleon. Toen de studentenvereniging van de biologen in 2003 met een Almanak startte werd het al gauw traditie ook voor deze periodiek ieder jaar een bijdrage te leveren. Voor deze 'Snippers verleden' is een selectie gemaakt van verhalen die in het Kameleon en in de Almanak in de loop der jaren zijn verschenen en die voor lezers van nu nog interessant kunnen zijn.

Terug naar de inhoudsopgave    

(De eerdere serie verhalen, geschreven voor het Kameleon, treft u hier aan)