5. Le Grand Quesnay en Le Petit Quesnay

(Donderdag 10 juli)

We maken een fraaie fietstocht en aan het einde daarvan komen we met veel moeite in het schier onbereikbare gehucht Le Grand Quesnay (foto 10).
Het is een doodlopend smal weggetje. Een dame rijdt met de auto achter ons, en vraagt achterdochtig wie we zoeken. We doen ons verhaal. Ze rijdt ons voor naar het laatste huis aan het weggetje en speelt onze vraag door naar haar man en zoon. Nee, daar wonen geen Quesnay's, maar wacht eens even; in Cropus woont een Quesnay. Aan de hand van de kaart legt hij nauwkeurig uit hoe we bij het betreffende huis moeten komen. En, oh ja, de burgemeester van Auffay heet ook Quesnay.

We willen nog even door naar Le Petit Quesnay, al even onbereikbaar, althans op de fiets. Tussen twee meter hoge wallen ("clos-masures") door, die niet met eiken, maar met beuken zijn begroeid (foto 11), komen we er (foto 12 en 13).
Het is een verlaten oord, maar weer, -zoals steeds-, op een hoogte gelegen.
En weer zien we daar verwaarloosde wallen (
foto 14).
Ook daar weer aan het eind daarvan een groot huis (manoir).                 verder
Terug in Saint Saens, waar we slapen in dat zeer oude Normandisch vakwerkhuis aan de Looiersgracht (foto 15), met geveltrap aan de buitenkant, -die wij op moeten (foto 16)-, vertelt onze gastvrouw, Mevrouw Lemasle, dat ze als jong meisje heeft gediend in Le Quesnay bij meneer Boulay, die burgemeester was van Saint Saens.
We zitten nog een poos in de tuin (foto's 16A t/m 16D).
De helling daarachter loopt op naar Le Quesnay (foto 16B). Toen we daar in Saint Saens onderdak vroegen hadden we dat niet kunnen bevroeden. We lopen daarom nog even door de achterpoort naar de achtergracht en kijken aan de overkant daarvan langs de helling omhoog om te zien of we Le Quesnay, of misschien zelfs het huis Quesnay van burgemeester Boulay kunnen ontdekken.

Vorige pagina

Volgende pagina